← België

Arrest 156437 - - 16/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.437 Rolnummer: A. 80150/VII-17087 Zaak: Arrest 156437 - - 16/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-29 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 13:53 Fiche Arrest nr 156.437 van 16 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.437 van 16 maart 2006 in de zaak A. 80.150/VII-17.

  1. In zake : de n.v. SERVI-LAB, die woonplaats kiest bij Advocaat P. BEKAERT, kantoor houdende te TIELT, Hoogstraat 34 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. SERVI-LAB op 4 september 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 2 juli 1998 houdende afwijzing van haar beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Tielt van 1 april 1998 waarbij de milieuvergunningsvoorwaar- den met betrekking tot haar inrichting ambtshalve worden gewijzigd en aangevuld; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 26 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 10 januari 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 2 februari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; VII-17.087-1/25 Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. ALLAERT, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur S. VANPARYS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Op 27 juni 1985 verleent de verwerende partij aan de afgevaardigde bestuurder van de verzoekende partij, de n.v. SERVI-LAB, een vergunning voor het exploiteren van "een labo voor scheikundig onderzoek", gelegen aan de Wakkensesteenweg te Tielt, voor de opslag van chemicaliën (800 liter met ontvlammingspunt 50/ C) en 50 liter ontvlambare gassen, en voor het gebruik van chloorhoudende oplosmiddelen, voor een termijn verstrijkend op 27 juni
  4. 1.
  5. Op 29 januari 1987 verleent de verwerende partij aan dezelfde afgevaardigde bestuurder een vergunning voor de aanmaak en opslag van reactieven en scheikundige producten in vaten voor labo- en researchtoepassingen (max. 25 ton), voor de opslag van 250 kg cyanideverbindingen, voor een termijn verstrijkend op 29 januari
  6. 1.
  7. De twee vergunningen betreffen in feite hetzelfde bedrijf. Ingevolge het in werking treden van Vlarem I op 1 september 1991 zijn de inrichtingen klasse 2 geworden. Op 20 juli 1994 wordt door het college van burgemeester en schepenen akte verleend van de gemelde verandering, namelijk het lozen van normaal huishoudelijk afvalwater in de riool, de opslag van 375 liter gassen in verplaatsbare recipiënten, het vergroten van de opslagruimte voor gevaarlijke stoffen om te voldoen VII-17.087-2/25 aan Vlarem I, zonder wijziging van de hoeveelheid, dit voor een termijn verstrijkend op 29 januari
  8. 1.
  9. Op 5 december 1996 richt de afdeling Milieu-Inspectie een schrijven aan de burgemeester van de stad Tielt, met afschrift aan de gouverneur, waarin zij hem verzoekt om met toepassing van artikel 65 van Vlarem I de onmiddellijke stopzetting van de activiteiten te bevelen en de onmiddellijke sluiting op te leggen. Wat de aanwezige afvalstoffen betreft wordt gevraagd dat de verwijdering zou bevolen worden. Deze dwangmaatregelen worden gebaseerd op o.m volgende vaststellingen : "Gelet op onze controles op het terrein van de N.V. Servi-Lab van 29 november en 2 en 3 december 1996 waarbij vastgesteld werd dat : - het bedrijf (klasse 2 vergund) activiteiten uitvoert waarvoor het niet vergund is en waarvoor een milieuvergunning klasse 1 noodzakelijk is. Het betreft meer bepaald het opslaan en sortering van gevaarlijke afvalstoffen. - er zowel binnen als buiten het bedrijf een grote hoeveelheid producten aanwezig zijn die als chemisch afval moeten beschouwd worden. Het betreft onder meer zeer giftige, giftige, brandbare en explosiegevaarlijke stoffen. - er radioactieve stoffen werden aangetroffen. - de wijze waarop de afvalstoffen gestapeld en verpakt zijn een dreigend en ernstig gevaar inhoudt voor de leefomgeving". 1.
  10. De burgemeester geeft aan dit verzoek geen gevolg. Op 17 februari1998 richt de afdeling Milieu-Inspectie een nieuw schrijven aan de burgemeester, hetgeen er toe leidt dat het college van burgemeester en schepenen op 1 april 1998 beslist tot een ambtshalve wijziging van de vergunningsvoorwaarden. Deze wijziging komt er in hoofdzaak op neer dat de in de inrichting opgestelde installatie voor de behandeling (neutralisering) van alkylverbindingen, wordt geacht niet vergund te zijn, omdat deze behandeling tot gevolg heeft dat deze stoffen afvalstoffen worden waarvoor een klasse 1-vergunning vereist is en dat deze installatie moet ontmanteld worden binnen een termijn van een maand. Verder worden alle activiteiten die in combinatie met de opslag van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen explosie- of brandgevaar opleveren, alsook alle activiteiten die meldingsplichtig zijn volgens een andere rubriek van Bijlage I van Vlarem I, als niet vergund beschouwd. 1.
  11. Tegen deze beslissing tekent de verzoekende partij op 2 mei 1998 beroep aan. In dit beroep worden in essentie de volgende argumenten aangehaald : - alkylverbindingen zijn niet sowieso afvalstoffen; VII-17.087-3/25 - de gevaarlijke producten staan niet in dezelfde compartimentering als de te behandelen alkylen; - de activiteit van de n.v. SERVI-LAB valt volledig onder de normering "eenvoudige proeven". 1.
  12. Naar aanleiding van dit beroep worden de volgende adviezen gegeven : - OVAM op 16 juni1998 : ongunstig voor het beroep. Er worden nog een aantal bijkomende wijzigingen en aanvullingen van de vergunningsvoorwaarden voorgesteld; - de afdeling Milieuvergunningen op 11 juni 1998 : ongunstig voor het beroep. Er wordt voorgesteld de beslissing in eerste aanleg te bevestigen, mits vervanging van de zinsnede in artikel 2 "De installatie voor het behandelen van alkylverbindingen" door de zinsnede "De installatie voor het vernietigen van alkylverbindingen door hydrolyse tot stabiele residu's"; - de administratie Gezondheidszorg op 22 mei 1998 : voorwaardelijk gunstig. De administratie is onder meer van oordeel dat de kleine installatie voor neutralisatie en chemische behandeling van geringe hoeveelheden op zich geen afvalverwerking is. 1.
  13. Op 2 juli 1998 beslist de verwerende partij het administratief beroep van de verzoekende partij af te wijzen en de beslissing in eerste aanleg te bevestigen en aan te passen op de volgende punten : - het hierboven vermelde voorstel van de afdeling Milieuvergunningen wordt aangenomen: in artikel 2 wordt de "installatie voor het behandelen van alkylverbindingen vervangen door de installatie voor het vernietigen van alkylverbindingen door hydrolyse tot stabiele residu's"; - er wordt een bijzondere voorwaarde toegevoegd : de zonder vergunning opgeslagen afvalstoffen, namelijk de aangebroken recipiënten van labochemicaliën afkomstig van derden, moeten verwijderd worden en de verzoekende partij dient binnen de twee maanden na de bekendmaking van dit besluit de ophaalattesten afgeleverd door een hiertoe erkend bedrijf aan OVAM voor te leggen. Dit is de bestreden beslissing. Volgende motieven liggen aan de basis ervan : "(...) Overwegende dat in het beroepschrift het volgende aangevoerd wordt : * eerste aangevochten bewering : alkyl-verbindingen zijn organische afvalstoffen die risicodragend zijn op het vlak van explosie- en brandveiligheid. VII-17.087-4/25 - alkyl-verbindingen zijn niet per definitie afvalstoffen; de alkyl-verbindingen die Servi-Lab behandelt zijn kleine recipiënten van 100 ml tot 1 l, specifiek voor labo-gebruik; het zijn gewone labo-handelsreagentia die SERVI-LAB ook verkoopt; ze komen in verschillen(de) catalogen van labo-reagentia-producenten voor; SERVI-LAB bouwde in samenwerking met DEPAUW-STOKOE van Antwerpen en Solvay van Brussel een eenvoudige experimentele behandelingsinstallatie op labo-schaal. * tweede aangevochten bewering : het risicodragend karakter van deze aktiviteit is -gelet op de volksgezondheid- onverenigbaar met de stockage van grote hoeveelheden gevaarlijke en giftige produkten in het zelfde gebouw - de gevaarlijke produkten staan niet in dezelfde compartimentering als de te behandelen alkylen : tussen de alkyl-installatie en de brandbare produkten zijn er 2 automatisch sluitende branddeuren, de brandbare produkten liggen volledig in in beton afgewerkte inkuipingen en de alkyl-installatie bestaat volledig in inox en is bewaakt door een automatisch blussysteem. * derde aangevochten bewering : alle activiteiten die in combinatie met de opslag van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen explosie- of brandgevaar kunnen opleveren alsook alle activiteiten die melding- of vergunningsplichtig zijn volgens een andere rubriek van bijlage 1 van Vlarem I worden als niet-vergund beschouwd. - hiermee is Servi-Lab niet akkoord. De activiteit van de inrichting valt volledig onder de norm 'eenvoudige proeven'. Nooit werd een industriële behandeling van deze produkten voorgesteld. (...) Overwegende dat t.a.v. de eerste aangevochten bewering het volgende kan gesteld worden : Overwegende dat labochemicaliën afvalstoffen worden wanneer de houder er zich van ontdoet; dat OVAM in dit opzicht verwijst naar het feit dat zij in het bezit is van een schriftelijk document waaruit blijkt dat de alkylverbindingen die Servi-lab behandelde wel afvalstoffen waren; dat OVAM verder verwijst naar het bestaan van een dossier verwijdering van afvalstoffen, waaruit blijkt dat er in december 1996 aanvoer van afvalstoffen is geweest. Overwegende dat de producten die door exploitant verwerkt worden aluminiumalkylen kunnen genoemd worden; dat deze afkomstig zijn van diverse labo's; dat het doel van de verwerking bestaat in het vernietigen van de aluminiumalkylen door hydrolyse tot stabiele residu's; dat dit geen bruikbaar product oplevert en aldus dient bekeken te worden als een eerste stap in de vernietiging van afvalproducten; dat derhalve de klasse 1 rubriek 2.3.2.f. van Vlarem I van toepassing is op deze activiteit; dat dit wordt afgevoerd door een erkend ophaler voor definitieve vernietiging; dat de bewering in het advies van Gezondheidsinspectie dat een kleine installatie voor geringe hoeveelheden op zich geen afvalverwerking is geen steun vindt in de huidige wetgeving; dat gelet op de aard van de activiteit en de stoffen het bedrijf thans wel degelijk onvergunde klasse 1-activiteiten uitoefent; Overwegende dat t.a.v. de tweede aangevochten bewering het volgende kan gesteld worden : Overwegende dat het compartiment waar de brandbare chemicaliën worden opgeslagen inderdaad degelijk uitgerust is; dat de opslag van niet-brandbare producten op een onverantwoorde manier gebeurt (de rekken liggen overvol, er bevinden zich talrijke recipiënten tussen de rekken op de grond); dat het feit dat ze niet-brandbaar zijn niet inhoudt dat ze niet gevaarlijk zijn (ze kunnen giftig, corrosief irriterend, ... zijn); dat het feit dat de alkyl-installatie goed uitgerust is niet betekent dat het geen toestel is voor het behandelen van afvalstoffen; Overwegende dat tijdens een plaatsbezoek door OVAM werd vastgesteld dat in de compartimenten voor brandbare en andere labochemicaliën er zich talrijke VII-17.087-5/25 aangebroken recipiënten bevonden; dat zij roestig of van een verouderd model waren; dat er ook geen inventaris aanwezig is van al deze chemicaliën; Overwegende dat deze aangebroken recipiënten van labochemicaliën, waarvan de houder zich ontdoet, ingevolge Vlarea (in werking getreden 1/6/1998) als gevaarlijke afvalstoffen beschouwd worden; dat conform de huidige indelingslijst van Vlarem I de rubriek 2.2.1.e. van toepassing is; dat de thans illegaal opgeslagen producten zo spoedig mogelijk moeten verwijderd worden en dat hiervoor een aanvullende bijzondere voorwaarde wordt voorzien; Overwegende dat t.a.v. de derde aangevochten bewering het volgende kan gesteld worden : Overwegende dat zoals hierboven reeds aangehaald zelfs kleinschalige installaties voor de chemische behandeling van afvalstoffen (ook van niet-industriële oorsprong) moeten opgenomen worden in de rubriek 2.3.2,f.; dat vergund zijn voor het uitvoeren van eenvoudige proeven als controle op zelf aangemaakte producten niet inhoudt dat er ook (zij het op kleine schaal) onderzoek mag worden gedaan naar verwerkingsmogelijkheden voor en op afvalstoffen van derden; Overwegende dat het vernietigen van aluminium-alkylen door hydrolyse tot stabiele residu’s duidelijk geen laboactiviteit is; dat het hier ook geen aanmaak van scheikundige produkten betreft; dat het dus een niet-vergunde activiteit betreft; dat het aangewezen is om dit in voorliggend geval omwille van de duidelijkheid uitdrukkelijk te verbieden; dat door het College van Burgemeester en Schepenen hiervoor reeds voorziene voorwaarde wordt aangepast, rekening houdend met hetgeen hierboven wordt gesteld; Overwegende dat de inhoud van de reactor ca. 10 l bedraagt; dat dit in strijd is met de vergunning gezien dit niet meer kan beschouwd worden als een activiteit op labo-schaal; Overwegende dat er een belangrijk brand- en ontploffingsrisico is en dat een dimensioneringsstudie op vlak van koeling (de huidige manuele regeling is onvoldoende) ontbreekt; Overwegende dat de reactor in de hoek van het labo staat en niet geïsoleerd is door andere activiteiten; overwegende dat het koelwater geloosd wordt in de openbare riolering; dat de exploitant over geen lozingsvergunning beschikt en dat het bovendien verboden is om koelwater te lozen in openbare riolering (artikel 4.2.1.
  14. § 3 van Vlarem II); (...) Gelet op de elementen aangebracht door de aanvrager in de hoorzitting dd. 24/6/1998 : 'Het labo-onderzoek heeft betrekking op alkylen. Het betreft produkten die courant in labo’s worden gebruikt. Het zijn geen afvalstoffen. Het verdelen van produkten voor labo-onderzoek betreft altijd kleine verpakkingen. Er worden door de inrichting produkten aangemaakt voor verkoop. De proefinstallatie wordt in het labo aangewend voor chemisch onderzoek. Het is een klein bedrijf, dat weinig vergelijkbare inrichtingen in Vlaanderen kent. Er is een verschil met een technisch verwerkend bedrijf. Wat de alkylen betreft is er een patent o.a. met Solvay te Brussel. Research gebeurt met het oog op het op punt stellen van het systeem voor neutralisatie. Hydrolyse en neutralisatie komt erbij. Volgens Milieu-inspectie moet de inrichting bijgevolg klasse 1 zijn maar daarmee ga ik niet akkoord. Er is een onderscheid tussen laboniveau en industriële activiteit. Het is nooit de bedoeling geweest de inrichting op industrieel niveau te exploiteren. We hebben de beslissing inderdaad pas eind april voor de eerste keer ontvangen en de schuld hiervoor ligt zeker niet bij ons, zoals ook blijkt uit de nagestuurde documenten'. VII-17.087-6/25 Overwegende dat deze elementen niets afdoen van de hierboven gedane overwegingen en vaststellingen, inzonderheid de vaststelling dat een klasse 1-aanvraag nodig is voor de thans uitgevoerde activiteiten; (...)";
  15. De gegrondheid van het beroep 2.
  16. Overwegende dat, aangezien de verwerende partij een globale repliek geeft op de eerste drie middelen en aangezien deze middelen inderdaad een zodanige samenhang vertonen dat zij beschouwd zouden kunnen worden als een middel met verschillende onderdelen, deze middelen gezamenlijk zullen worden onderzocht; 2.1.
  17. Overwegende dat in het eerste middel wordt aangevoerd dat alkylverbindingen geen afvalstoffen zijn, en dat de bestreden beslissing aldus strijdig is met het Afvalstoffendecreet van 2 juli 1981, met Richtlijn 75/442/EEG van 15 juli 1975 betreffende de afvalstoffen, gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG van 18 maart 1991, en met het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 1997 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming- en beheer (Vlarea); dat in het tweede middel wordt aangevoerd dat het behandelen van aluminiumalkylen door hydrolyse tot stabiele residu’s, een eenvoudige proef is en geen afvalverwerking en dat de bestreden beslissing aldus strijdig is met het Afvalstoffendecreet en met het Vlarea; dat in het derde middel wordt aangevoerd dat de activiteiten van de verzoekende partij geen klasse 1 activiteiten zijn, maar dat deze vallen onder de bestaande klasse 2- vergunning en dat de bestreden beslissing aldus strijdig is met Vlarem I van 6 februari 1991 en met het Vlarea; dat deze middelen in het verzoekschrift als volgt worden toegelicht : "
  18. Ten gronde : 4.1 Alkyl-verbindingen zijn geen afvalstoffen : schending van het Afvalstoffendecreet van 2 juli 1981; EEG-Richtlijn 75/442/EEG van 15 juli 1975 betreffende de afvalstoffen, gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG van 18 maart 1991; en Besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997/15 tot vaststelling van het Vlaams Reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA) De overweging van de bestreden beslissing dat de alkyl-verbindingen, die middels de kwestieuze installatie geneutraliseerd worden, afvalstoffen zijn, is noch in feite, noch in rechte, correct.
  19. In feite zijn desbetreffende alkylverbindingen gewone laboreagentia, die als dusdanig in de catalogi van diverse laboreagentia-producenten voorkomen. Zowel ALDRYCH EUROPE (ondermeer diethylaluminium chloride, diethylaluminium cyanide, diethylaluminium ethoxide, diethylaluminium iodide, diethylzinc, triethylaluminium), MERCK DARMSTADT-D (ondermeer diethylaluminium hydride, diethylaluminium iodide, VII-17.087-7/25 diethylaluminium chloride, triethylaluminium), als FLUKASCHWEIZ (ondermeer diethylaluminium chloride, diethylaluminium cyanide, diethylaluminium hydride, diethylzinc, triethylaluminium) bieden ze aan. (stuk 9) Deze producten worden courant verhandeld tussen producenten en de laboratoria.
  20. De feiten dienen getoetst te worden aan de juridische definitie van een 'afvalstof' in het Afvalstoffendecreet en de Europese richtlijnen. Een stof is te beschouwen als een afvalstof indien (DE BRUYCKER P.; MORRENS P. 'Het begrip afvalstof in de Europese Unie' T. Milieurecht, 1994, 76) : - de houder zich moet ontdoen van die stoffen die in de bestaande richtlijnen expliciet als afvalstof worden gedefinieerd (objectief element) - de houder zich ontdoet van de stof of voornemens is zich van de stof te ontdoen omdat hij

(1)geen legale aanwending ter beschikking heeft;
(2)niet tot de aanwending als product of grondstof wenst over te gaan. 1. Door de Vlaamse Regering werd een Afvalstoffencatalogus opgesteld, in bijlage bij het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997/15 tot vaststelling van het Vlaams Reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA). Kwestieuze producten figureren niet in de catalogus. De bestreden beslissing geeft niet aan onder welke categorie van de Afvalstoffencatalogus desbetreffende producten zouden ressorteren. Derhalve zijn alkylverbindingen geen afvalstoffen volgens het 'objectieve' afvalstoffenbegrip. 2. Overeenkomstig het Afvalstoffendecreet is afvalstof elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet of voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Essentieel in de definitie van 'afvalstof' is het begrip 'zich ontdoen'. Het begrip dient begrepen te worden als het 'zich ontlasten' of het 'zich bevrijden' van een stof of van een voorwerp. Gelet op het feit dat verzoekster producent en leverancier van labo-reagentia is, en kwestieuze producten als dusdanig te kwalificeren vallen, heeft zij geenszins intentie zich er van te ontdoen als afvalstof. Zij kan deze alkylverbindingen verhandelen gezien deze producten courant voorkomen in de catalogi van labo-leveranciers. Zij heeft een legale aanwending voor deze laboproducten, die volledig valt onder haar bestaande vergunningen. Zij kan deze producten rechtstreeks aanwenden. Wat ook de herkomst van deze producten, zij kunnen niet als afvalstoffen gekwalificeerd worden. Indien een bijstroom van bedrijf X rechtstreeks kan worden aangewend in het productieproces van bedrijf Y, dan betreft het geen afvalstof, doch een product, op voorwaarde dat de betreffende stof binnen de geldende voorschriften en binnen de voorschriften van de geldende vergunningen van het bedrijf Y op een volledig legale wijze als grondstof of product in het productieproces worden aangewend (DE BRUYCKER & MORRENS I.c. 77) 4.2 Het behandelen van aluminiumalkylen door hydrolyse tot stabiele residu's is een eenvoudige proef en geen afvalverwerking : schending van het Afvalstoffendecreet van 2 juli 1981; het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997/15 tot vaststelling van het Vlaams Reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA) Ten onrechte wordt de installatie voor het behandelen van aluminiumalkylen door hydrolyse door de bestreden beslissing gekwalificeerd als een installatie voor vernietiging van afvalstoffen. Ook deze overweging is noch in feite, noch in rechte, correct. VII-17.087-8/25 1. In casu betreft het een neutralisatieeenheid-proefopstelling in ontwikkelingsfaze voor alkylen. 1. Het betreft een labo-experiment. De proefopstelling werd opgezet in samenwerking met DEPAUW-STOCKOU (Antwerpen) en SOLVAY (Brussel), gezien verzoekster niet over de middelen beschikt om desgevallend tot octrooiering over te gaan. 2. Het is een kleinschalige installatie. Er is geen sprake van een industrieel proces, noch van commercialisatie van het procédé in de huidige stand van zaken. De alkylverbindingen die behandeld worden betreffen kleine recipiënten van l00 ml tot 1 l. Terecht heeft de Gezondheidsinspectie in haar advies dan ook gesteld dat een kleine installatie voor geringe hoeveelheden op zichzelf geen afvalverwerking is. 2. Inzoverre aangenomen zou worden dat de te behandelen aluminiumalkylen afvalstoffen zouden zijn (quod certe non), dan nog betreft het geen vernietiging van afvalstoffen. De beslissing dd 1.4.1998 van het College van Burgemeester en Schepenen van Tielt maakt nog gewag van 'een installatie voor het behandelen van alkyl-verbindingen'. Het dispositief van de bestreden beslissing van de Bestendige Deputatie kwalificeert de installatie als een installatie voor het vernietigen van alkyl-verbindingen. Hiermede wil men de beslissing een schijn van recht geven die niet geschraagd wordt door de feiten. Het Afvalstoffendecreet verstaat onder 'verwijdering van afvalstoffen', de vernietiging en definitieve opslag op of in de bodem van afvalstoffen en de hierop gerichte handelingen, evenals de handelingen die als dusdanig worden bepaald door de Vlaamse Regering overeenkomstig de geldende Europese voorschriften (art.2, 6/). De verwijderingshandelingen maakten het voorwerp uit van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 1994 houdende nadere omschrijving van de begrippen verwijdering en nuttige toepassing van afvalstoffen en zijn letterlijk overgenomen uit de bijlage II, A van de Europese kaderrichtlijn inzake afvalstoffen. Thans worden verwijderingshandelingen omschreven in art. 1.3.1 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997/15 tot vaststelling van het Vlaams Reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA). In casu gaat het om een eenvoudige proeflaboratoriumopstelling. Er is geen sprake van vernietiging in de zin van het Afvalstoffendecreet. Het gaat om een eenvoudige proef. Verwijderingshandelingen zijn typische, met de eliminatie van afvalstoffen verband houdende activiteiten, zoals storten of verbranden. (ROEF A.; LANGENS J. 'Product of afval ?' T. Milieurecht 1997 424). Hier is geen sprake van. Bovendien kan geen abstractie gemaakt worden van tijd, plaats én volume. (DE BRUYCKER & MORRENS I.c. 76) Ten onrechte stelt de bestreden beslissing dan ook dat de bewering in het advies van de Gezondheidsinspectie dat een kleine installatie voor geringe hoeveelheden op zich geen afvalverwerking is, geen steun vindt in de huidige wetgeving. 4.3 De activiteiten van verzoekster zijn geen klasse 1 activiteiten doch vallen onder de bestaande klasse 2 vergunning : schending van het Besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 (VLAREM I); Besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997/15 tot vaststelling van het Vlaams Reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA). VII-17.087-9/25 Het bestreden besluit overweegt dat de proefopstelling voor neutralisatie van alkylen een activiteit is, die ressorteert onder rubriek 2.3.2 bijlage 1 VLAREM I. Gelet op de voorgaande middelen, is de beslissing niet naar rechte gemotiveerd. 1. Voor de toepassing van rubriek 2.3.2 is verondersteld dat het gevaarlijke afvalstoffen betreft die niet ressorteren onder 2.3.2 a tot e. Alkylverbindingen zoals geproduceerd voor laboratoriumtoepassingen in kleine hoeveelheden zijn geen afvalstoffen en noch minder gevaarlijke afvalstoffen. Zij worden courant verhandeld naar laboratoria toe. Door de Vlaamse Regering werd Lijst van Gevaarlijke Afvalstoffen opgesteld, in bijlage bij het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997/15 tot vaststelling van het Vlaams Reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA). Kwestieuze producten figureren niet in de catalogus. De bestreden beslissing geeft niet aan onder welke categorie van de lijst desbetreffende producten zouden ressorteren. 2. Voor de toepassing van rubriek 2.3.2 is verondersteld dat de afvalstoffen (quod non) vernietigd worden. In casus is er geen sprake van vernietiging in de zin van het Afvalstoffendecreet. 3. De activiteit ressorteert integendeel volledig onder rubriek 24.4, en is bijgevolg vergund. Voor toepassing van rubriek 24.4 volstaat een klasse 2-vergunning -vergunning waarover verzoekster beschikt-, en géén klasse 1-vergunning zoals de bestreden beslissing voorhoudt"; 2.1.2.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord opmerkt dat de eerste drie middelen inhoudelijk nauwelijks verschillen van de argumenten die de verzoekende partij naar voren bracht in haar beroepschrift naar aanleiding van het administratief beroep; dat zij daaruit afleidt dat de verzoekende partij aan de Raad van State vraagt de zaak inhoudelijk nogmaals te willen onderzoeken; dat zij stelt dat de Raad van State daartoe niet bevoegd is; 2.1.2.2. Overwegende, wat de gegrondheid van die middelen betreft, dat de verwerende partij doet gelden wat volgt : "I. EERSTE, TWEEDE en DERDE MIDDEL In essentie komt het betoog van verzoekster erop neer dat alkyl-verbindingen geen afvalstoffen zijn, dat het behandelen van aluminiumalkylen geen afvalverwerking is en dat de activiteiten van verzoekster derhalve geen klasse 1 activiteiten zijn. a. Labochemicaliën worden ontegensprekelijk afvalstoffen wanneer de houder er zich van ontdoet. Onderaan p.2 van hun advies verwijst OVAM naar een schriftelijk document waaruit blijkt dat de alkylverbindingen die Servi-Lab behandelde wel degelijk afvalstoffen waren. Gelet op de lopende gerechtelijke procedures geeft OVAM dit vertrouwelijk document niet vrij. Verzoekster betwist trouwens thans geenszins de verwijzing in het bestreden besluit naar dit bewuste document. VII-17.087-10/25 b. De producten die door de exploitant worden verwerkt worden gemakshalve aluminiumalkylen genoemd. Deze zijn afkomstig van diverse labo’s. Aluminium-alkylen zijn reactieve stoffen, waarvan vele spontaan ontbranden in contact met lucht. Het doel van de verwerking bestaat in het vernietigen van de aluminium-alkylen tot stabiele residu’s. In tegenstelling tot wat verzoekster beweert levert dit geen bruikbaar product op, maar dient dit bekeken als een eerste stap in de vernietiging van afvalproducten (zie ook p. 6 onderaan advies Afdeling Milieuvergunningen). c. De residu’s waarvan sprake in
  1. b)worden door een erkend ophaler afgehaald en getransporteerd naar Indaver voor definitieve vernietiging : dit blijkt uit p. 6 advies BMV en p. 3 OVAM. Bij OVAM bestaat een dossier verwijdering afvalstoffen, waaruit blijkt dat er in december 1996 illegale afvoer van afvalstoffen (meer bepaald van labochemicaliën) is geweest door erkende ophalers van afvalstoffen, op het bedrijfsterrein van Servi-Lab. In het bestreden besluit wordt hier naar verwezen; verzoekster betwist ook deze verwijzing niet. d. Verzoekster stelt dat het behandelen van aluminiumalkylen door hydrolyse tot een stabiel residu een eenvoudige proef is en geen afvalverwerking. Volgens de exploitant (daarin bijgetreden door de Gezondheidsinspectie) is een dergelijke kleine installatie per definitie geen afvalverwerking. Het feit dat het hier om een kleinschalige installatie gaat belet niet dat de rubriek 2.3.2.f. Vlarem I wel van toepassing is : in de huidige indelingslijst van Vlarem I is voor de chemische behandeling van afvalstoffen (ook van niet-industriële oorsprong) - ongeacht de behandelde hoeveelheid -steeds een klasse 1-vergunning nodig. In het bestreden besluit is voldoende aangegeven dat de stelling van de exploitant dan ook geen enkele steun vindt in de huidige wetgeving.
  2. e)Verzoekster stelt verder dat zelfs indien zou aangenomen worden dat de te behandelen aluminiumalkylen afvalstoffen zouden zijn, dat het dan nog geen vernietiging van afvalstoffen betreft. De Bestendige Deputatie heeft nooit ontkend dat het om een eenvoudige proeflaboratoriumopstelling gaat. Uit de adviezen van OVAM en Afdeling Milieuvergunningen blijkt evenwel onomstotelijk dat deze proef geen bruikbaar product oplevert. Dit product wordt bovendien dan nog opgehaald voor definitieve vernietiging. Het dient dus bekeken te worden als een eerste stap in de vernietiging van afvalproducten.
  3. f)Hierboven is reeds aangetoond dat rubriek 2.3.2.f. van toepassing is. Op p.6 van het advies van Afdeling Milieuvergunningen worden de stoffen opgesomd die door de exploitant worden verwerkt. Deze worden door Afdeling Milieuvergunningen bestempeld als reactieve stoffen, waarvan velen spontaan ontbranden in contact met lucht. Voor een aantal van de stoffen worden volledigheidshalve de veiligheidsfiches bijgevoegd (bijl. 12); de met geel gekleurde eigenschappen maken voldoende duidelijk dat het hier gevaarlijke stoffen bevat.
  4. g)De stelling van verzoekster (dat) de activiteit volledig ressorteert onder de reeds vergunde rubriek 24.4 gaat niet op : het vernietigen van aluminium-alkylen door hydrolyse tot stabiele residu’s is duidelijk geen labo-activiteit. Het betreft hier evenmin de aanmaak van scheikundige producten. Bijgevolg is de door de exploitant uitgeoefende activiteit geenszins als vergund te beschouwen en dient de exploitant wel degelijk een bijkomende klasse 1-vergunning aan te vragen. De ingeroepen middelen moeten dan ook als totaal ongegrond worden afgewezen"; VII-17.087-11/25 2.1.3.1. Overwegende, wat de door de verwerende partij opgeworpen exceptie betreft, dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat in de eerste drie middelen wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing de wet schendt doordat ze stoffen als afvalstoffen kwalificeert en bijgevolg exploitatievoorwaarden oplegt die op grond van de wet niet van toepassing kunnen zijn op haar inrichting; 2.1.3.2. Overwegende dat, wat de gegrondheid van de middelen betreft, de verzoekende partij als volgt repliceert op het verweer van de verwerende partij : "4.1. eerste, tweede en derde middel : 4.1.1. Verweerster beweert dat Milieuinspectie, OVAM en College van Burgemeester en Schepenen stellen dat de rubriek 2.3.2f Vlarem I van toepassing is. Door dit te stellen schenden zij precies de wet. De Raad van State wordt niet gevraagd de feiten als dusdanig wetenschappelijk te gaan onderzoeken. De gegevens zijn gekend en voorhanden. De Raad van State dient enkel te onderzoeken of de administratieve overheid deze feiten juridisch juist kwalificeert. Nu zij dit niet doet schendt zij de wet. De Raad van State treedt hier niet op als rechter in hoger beroep die de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen doch als instantie die onderzoekt of de wet al of niet geschonden is bij de kwalificatie der feiten en de daaruit voortvloeiende exploitatievoorwaarden en exploitatiebeperkingen. In een 'geheim document' zou volgens OVAM alkylverbindingen afvalstoffen zijn. In tegenstelling tot wat verweerster beweert betwist eiseres met de meeste klem de verwijzing naar 'geheime' documenten. Vooreerst is er geen enkele reden om dit document niet voor te leggen. Ten tweede hebben 'geheime documenten' geen enkele bewijswaarde. Ten derde is het niet omdat OVAM beweert dat het om afvalstoffen zou gaan dat het afvalstoffen zijn. Een dergelijk gezagsargument heeft vanzelfsprekend geen enkele waarde. Dit klemt des te meer daar waar OVAM zelf signaleert dat de produkten bewerkt door SERVILAB geen afval zijn. De Milieu-inspectie van haar kant is ook niet zeker van haar stuk. Er is een gerechtelijk onderzoek lopende tegen eiseres naar aanleiding van een incident met een aanpalend bedrijf (Onderzoeksrechter POTTIEZ Brugge. dos. nr 11/95 notnr. 62 98 2397/95) Eiseres heeft in het kader van 'de wet Franchimont' inzage mogen nemen van het dossier (zie stuk 11). Hij noteerde volgende verklaringen : 1. 'Bovendien mag worden verwacht dat er op juridisch vlak steeds betwisting zal bestaan omtrent de beschrijving van het begrip 'afvalstof'' (telefax 16.06.1997 VANLANDSCHOOT Milieuinspectie) 2. 'Tenslotte kan ik U ook nog mededelen dat de erkenning van Serveco niet werd ingetrokken en dat op basis van volgende overwegingen : 1. Uit de inventarisatie van de afvalstoffen die werden aangetroffen bij Servi-Lab is gebleken dat Serveco uitsluitend herbruikbare stoffen VII-17.087-12/25 heeft aangewend die bekomen werden door het sorteren van labo-afvalstoffen in het vergunde centrum van Serveco te Jumet. 2. De ter zake bevoegde autoriteit van het Waalse gewest heeft thans Serveco een toelating gegeven dergelijke stoffen af te voeren naar bedrijven die niet beschikken over een vergunning voor de verwerking van afval ...' (brief van OVAM aan Onderzoeksrechter POTTIEZ 4.02.1997 bundel allerlei). De behandeling van alkylverbindingen waren in dit geval geen verwerking van afvalstoffen. Het ging over een labo-experiment. Er werden proefmonsters behandeld en geen grote hoeveelheden. De bedoeling van het experiment was het nagaan of er mogelijk hergebruik was. De bedoeling was na te gaan of na behandeling het product zou kunnen gebruikt worden als secundaire grondstof. 4.1.2 Verweerster stelt : 'De producten die door de exploitant worden verwerkt worden gemakshalve aluminiumalkylen genoemd. Deze zijn afkomstig van diverse labo’s. Aluminiumalkylen zijn reactieve stoffen, waarvan vele spontaan ontbranden in contact met lucht. Het doel van de verwerking bestaat in het vernietigen van de aluminiumalkylen tot stabiele residu’s. In tegenstelling tot wat verzoekster beweert levert dit geen bruikbaar product op, maar dient dit bekeken als een eerste stap in de vernietiging van afvalproducten (zie ook p. 6 onderaan advies Afdeling Milieuvergunningen)'. Vooreerst is het onjuist te spreken over het vernietigen van 'aluminium-alkylen'. Het zijn hoegenaamd niet allemaal 'aluminium-alkylen'. Het gaat om 'alkylen' in het algemeen. Er zitten tal van andere alkylen tussen die geen aluminium-alkylen zijn. Eiseres was precies experimenteel aan het zoeken of er voor de residuen andere mogelijkheden waren. Deze mogelijkheden waren zeker geen vernietiging van afval maar het zoeken naar gebruik als secundaire grondstof. Er werd gezocht naar een mogelijk hergebruik van de actieve stof op zichzelf. Het zoeken naar hergebruik van de producten bij wijze van labo-experiment is zeker geen vernietiging van het product doch in tegendeel het zoeken naar hergebruik van het product. 4.1.3 Verweerster stelt : 'De residu’s waarvan sprake in
  5. b)worden door een erkend ophaler afgehaald en getransporteerd naar Indaver voor definitieve vernietiging : dit blijkt uit p. 6 advies BMV en p. 3 OVAM. Bij OVAM bestaat een dossier verwijdering afvalstoffen, waaruit blijkt dat er in december 1996 illegale afvoer van afvalstoffen (meer bepaald van labochemicaliën) is geweest door erkende ophalers van afvalstoffen, op het bedrijfsterrein van Servi-Lab. In het bestreden besluit wordt hier naar verwezen. Verzoekster betwist ook deze verwijzing niet'. Vooreerst roept verweerster in dat volgens OVAM er illegale afvoer was van afvalstoffen. Eiseres betwist dit met klem. Eiseres betwist met de meeste klem de verwijzing naar een dossier van OVAM dat niet voorligt. Deze zaak is nog steeds in onderzoek. Zolang eiseres niet is veroordeeld wordt zij geacht onschuldig te zijn. (art. 6 EVRM) . Daarenboven zal eiseres, mocht de zaak ooit voor de correctionele rechtbank komen, de betichtingen o.m. van OVAM met de meeste klem betwisten .Eiseres is noch min noch VII-17.087-13/25 meer het slachtoffer van een hetze die tegen zijn bedrijf is op gang gebracht in de pers en door zekere instanties. OVAM zelf schrijft naar de Onderzoeksrechter dat er van illegale afvoer van afvalstoffen door Serveco geen sprake is (zie hoger 4.1.1. brief aan Onderzoeksrechter POTTIEZ). De firma Serveco die hier geviseerd wordt verklaart volmondig in het strafdossier dat OVAM steeds op de hoogte was van deze afvoer van producten (verhoorblad bijlage 1 PV 106.714/94 bundel afval Servi-Lab dossier 111.95 verklaring directeur Serveco DEMESSEMAKER). Ten derde, indien verweerster zich verder op dergelijke documenten van OVAM beroept moet zij deze voorleggen. Wie geen bewijzen voorlegt bewijst niets. 4.1.4 Verweerster stelt : 'Verzoekster stelt dat het behandelen van aluminiumalkylen door hydrolyse tot een stabiel residu een eenvoudige proef is en geen afvalverwerking. Volgens de exploitant (daarin bijgetreden door de Gezondheidsinspectie) is een dergelijke kleine installatie per definitie geen afvalverwerking. Het feit dat het hier om een kleinschalige installatie gaat belet niet dat de rubriek 2.3.2.f Vlarem I wel van toepassing is : in de huidige indelingslijst van Vlarem I is voor de chemische behandeling van afvalstoffen (ook van niet-industriële oorsprong) - ongeacht de behandelde hoeveelheid - steeds een klasse 1-vergunning nodig. In het bestreden besluit is voldoende aangegeven dat de stelling van de exploitant dan ook geen enkele steun vindt in de huidige wetgeving'. Eiseres moet vaststellen dat de gezondheidsinspectie inderdaad het standpunt van eiseres bijtreedt. Verweerster weerlegt het standpunt van de gezondheidsinspectie niet. Het is en blijft een labo-experiment. Door het feit dat het om een labo-experiment gaat is het geen afvalverwerking. Het is een zoeken naar een milieuvriendelijke oplossing voor het hergebruik van deze producten. 4.1.5 Verweerster roept in : 'Verzoekster stelt verder dat zelfs indien zou aangenomen worden dat de te behandelen aluminiumalkylen afvalstoffen zouden zijn, dat het dan nog geen vernietiging van afvalstoffen betreft. De Bestendige Deputatie heeft nooit ontkend dat het om een eenvoudige proeflaboratoriumopstelling gaat. Uit de adviezen van OVAM en Afdeling Milieuvergunningen blijkt evenwel onomstotelijk dat deze proef geen bruikbaar product oplevert. Dit product wordt bovendien dan nog opgehaald voor definitieve vernietiging. Het dient dus bekeken te worden als een eerste stap in de vernietiging van afvalproducten'. Er is geen enkel bewijs dat deze experimenten geen bruikbaar product zou opleveren. Het is precies het doel van het experiment van eiseres in zijn labo om na te gaan of er bruikbare producten uit komen. Noch OVAM noch afdeling Milieuvergunningen kunnen besluiten dat het onomstotelijk vast zou staan dat deze proef geen bruikbaar product zou opleveren. Zij steunen zich hiervoor op niets. Dit is een gratuïte bewering. Tot nader order is dit niet bewezen. Meer nog eiseres heeft door de experimenten een bruikbaar product bekomen namelijk aluminiumhydroxide. Dit produkt is bruikbaar als chemische basisstof. 4.1.6 'Hierboven is reeds aangetoond dat rubriek 2.3.2.f van toepassing is. Op p. 6 van het advies van Afdeling Milieuvergunningen worden de stoffen opgesomd die door de exploitant worden verwerkt. Deze worden door VII-17.087-14/25 Afdeling Milieuvergunningen bestempeld als reactieve stoffen, waarvan velen spontaan ontbranden in contact met lucht. Voor een aantal van de stoffen worden volledigheidshalve de veiligheidsfiches bijgevoegd (bijl. 12); de met geel gekleurde eigenschappen maken voldoende duidelijk dat het hier gevaarlijke stoffen bevat'. Het is niet omdat het ter zake om gevaarlijke stoffen gaat dat de activiteiten van eiseres onder categorie I zouden vallen. Er zijn talloze activiteiten met gevaarlijke stoffen die niet onder categorie I vallen maar wel onder categorie II. Alle labos die chemicaliën in voorraad hebben voor analyses vallen onder klasse II. 4.1.7 'De stelling van verzoekster (dat) de activiteit volledig ressorteert onder de reeds vergunde rubriek 24.4 gaat niet op : het vernietigen van aluminium-alkylen door hydrolyse tot stabiele residu’s is duidelijk geen labo-activiteit. Het betreft hier evenmin de aanmaak van scheikundige producten. Bijgevolg is de door de exploitant uitgeoefende activiteit geenszins als vergund te beschouwen en dient de exploitant wel degelijk een bijkomende klasse 1-vergunning aan te vragen'. De bewering van verweerster is volstrekt onjuist. In casu gaat het ontegensprekelijk om een labo-activiteit en niet om het vernietigen van afvalstoffen. Het gaat om een labo-activiteit gezien het om experimenteren gaat. Tot op het ogenblik dat eiseres zich op dit terrein begaf was er niemand die zocht naar een milieuvriendelijke hergebruik oplossing van deze alkylen. Eiseres ontving van de leverancier CGS uitgekozen stalen in zeer kleine hoeveelheid. Zij moesten representatief zijn. Zij wogen nauwelijks 100 g tot 1 kg. Eiseres legt de lijst van de stalen voor. Er werd gestreefd naar een representativiteit en diversiteit van 30 producten (zie stuk 12) Het feit dat er met stalen werd gewerkt en niet met grote hoeveelheden, het feit dat het om 30 verschillende soorten stalen gaat bewijst voldoende dat het hier niet om afvalverwerking gaat maar om labo-experimenten. CGS had ook grote recipiënten (30 kg à 35
  6. kg). Deze werden niet bewerkt en niet geleverd. Van vernietiging van afvalstoffen is geen sprake. Er is enkel sprake van een labo-experiment op zeer kleine hoeveelheden"; 2.1.4. Overwegende dat het louter gegeven dat de eerste drie middelen niet verschillen van de argumenten in het beroepschrift aangebracht, nog niet inhoudt dat aan de Raad van State wordt gevraagd dat hij de feitelijke gegevens van de zaak opnieuw gaat vaststellen; dat de middelen er op neerkomen dat de overheid bij het nemen van het bestreden besluit de feiten verkeerd heeft gekwalificeerd waardoor de "wet" geschonden wordt geacht; dat de Raad binnen de perken van zijn rechtmatigheidstoezicht blijft wanneer hij onderzoekt of de feitelijke gegevens waarop de bestreden beslissing is gebaseerd al dan niet verkeerd werden gekwalificeerd; dat de exceptie moet worden verworpen; 2.1.5.1. Overwegende, wat het eerste middel betreft, dat luidens artikel 2, 1/, van het afvalstoffendecreet van 2 juli 1981 het begrip afvalstof wordt VII-17.087-15/25 gedefinieerd als "elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen"; dat deze definitie overeenstemt met de definitie zoals opgenomen in artikel 1,
  7. a)van de Richtlijn 75/442/EEG betreffende afvalstoffen, zoals vervangen door de Richtlijn 91/156/EEG; dat bij deze richtlijn als bijlage 1 een lijst van categorieën van afvalstoffen is gevoegd; dat deze lijst is ingedeeld in de rubrieken Q1 tot en met Q16, waarbij deze rubriek Q16 vermeldt : "Alle stoffen, materialen of produkten die niet onder de hierboven vermelde categorieën vallen"; dat hieruit blijkt dat deze regelgeving uitgaat van een ruime benadering van het begrip afvalstof; dat dit ook wordt bevestigd in het arrest van het Hof van Justitie nr. C-129/96, van 18 december 1997, INTER-ENVIRONNEMENT WALONIE ASBL en Waals Gewest; 2.1.5.2. Overwegende dat in de definitie van artikel 2, 1/, van het afvalstoffendecreet volgende hypotheses te onderscheiden zijn : - de houder ontdoet zich van de stof of is voornemens zich ervan te ontdoen omdat hij er geen legale aanwending voor heeft; - de houder ontdoet zich van de stof of is voornemens zich ervan te ontdoen omdat hij ze niet als product of grondstof wenst te gebruiken; - de houder moet zich ontdoen van bepaalde stoffen. Het betreft dan stoffen die als dusdanig zijn vermeld in het afvalstoffendecreet; 2.1.5.3. Overwegende, waar de verzoekende partij aanvoert dat alkylverbindingen geen afvalstoffen zijn en dat aldus de bestreden beslissing onwettig is omdat zij deze alkylverbindingen wel als afvalstoffen kwalificeert, dat in het bestreden besluit niet wordt gesteld dat alkylverbindingen op zich beschouwd afvalstoffen zijn; dat, zich baserend op het advies van de afdeling Milieuvergunningen, in het bestreden besluit enkel wordt gesteld dat de verwerking van aluminiumalkylen in casu er in bestaat deze aluminiumalkylen te vernietigen door hydrolyse tot stabiele residu's, dat dit geen bruikbaar product oplevert en dus moet bekeken worden als een eerste stap in de vernietiging van afvalproducten; dat de conclusie dat het procédé van verwerking van de alkylverbindingen geen bruikbaar product oplevert impliciet wordt bevestigd door de verzoekende partij waar zij stelt dat het procédé niet meer is dan een labo- experiment, waarbij er gezocht werd naar een mogelijk hergebruik; dat de loutere bewering van de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord dat dit experiment alsnog geleid heeft tot het bekomen van een bruikbaar product, met name "aluminiumhydroxide" dat bruikbaar zou zijn als chemisch basisproduct, VII-17.087-16/25 daaraan geen afbreuk doet nu ten tijde van het bestreden besluit de labo- experimenten nog niet tot een bruikbaar product hadden geleid; dat de verzoekende partij met haar betoog niet aantoont dat de verwerende partij niet terecht heeft geoordeeld dat de residu's van de "proeven" als een eerste stap in de vernietiging van alkylverbindingen konden worden beschouwd vermits die residu's geen bruikbaar product opleverden en dat dienvolgens de verzoekende partij er zich diende van te ontdoen; dat aldus de verwerende partij ten tijde van het bestreden besluit de residu's terecht als afvalstoffen in de zin van artikel 2 van het afvalstoffendecreet heeft gekwalificeerd; dat daaraan geen afbreuk doet het gegeven dat de verwerking van de alkylverbindingen bedoeld is als labo- experiment; dat, tenslotte, het voor de kwalificatie van een stof als afvalstof niet relevant is dat de behandeling gebeurt met een kleinschalige installatie vermits artikel 2.3.2.
  8. f)van bijlage 1 bij Vlarem I de chemische behandeling van afvalstoffen als een klasse 1-activiteit indeelt, ongeacht de behandelde hoeveelheid en dat het ten aanzien van de indeling als een klasse 1-inrichting ook niet relevant is of in casu de behandelde stoffen al dan niet gevaarlijk zijn, vermits artikel 2.3.1. van bijlage 1 bij Vlarem I de behandeling van niet-gevaarlijke afvalstoffen eveneens als een klasse 1-inrichting kwalificeert; 2.1.5.4. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat de eerste drie middelen niet gegrond zijn; 2.2.1. Overwegende dat als vierde middel de schending wordt aangevoerd van "de formele motiveringsplicht"; dat in het verzoekschrift het middel als volgt wordt toegelicht : "4.4 De bestuurshandelingen van besturen moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd. De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn (Wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandeling dd. 29.07.1991). De bestuursbeslissingen moeten uitdrukkelijk in een bestuursdocument dat de akte uitmaken worden gemotiveerd (Decreet Openbaarheid van Bestuursdocumenten, 23.10.1991 art. 13 par 1). De juridische en feitelijke overwegingen die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen, zijn niet correct en niet afdoende. De argumentatie van de Bestendige Deputatie kan de beslissing niet schragen. 1. Wat betreft de vernietiging van de alkyl-installatie motiveert de Bestendige Deputatie haar besluit als volgt 1. Wat betreft het eerste argument van verzoekster : De bestreden beslissing stelt dat het product wordt afgevoerd door een erkend ophaler voor definitieve vernietiging. De overweging is feitelijk onjuist om reden dat geen enkele erkende ophaler alkylen aanvaardt om op te halen om verder te verwerken of te VII-17.087-17/25 verbranden. Er bestaat immers geen goed procédé om te hydrolyseren of te neutraliseren tot stabiele ongevaarlijke stoffen. Precies daarvoor bouwde verzoekster dit labo experimenteel toestel. 2. Wat betreft het tweede argument van verzoekster : De bestreden beslissing stelt vooreerst dat het compartiment waar de brandbare chemicaliën worden opgeslagen inderdaad degelijk uitgerust is. Zij stelt dat de opslag van niet-brandbare producten op een onverantwoorde manier gebeurt; dat het feit dat ze niet-brandbaar zijn niet inhoudt dat ze niet gevaarlijk zijn. De overweging is feitelijk onjuist. Verzoekster is het enige bedrijf dat zijn producten in 'blockhouses' zet met inkuipingen en automatische blusinstallaties en speciaal aangelegde citernes, met opvang van de producten in geval van sinister. 3. Wat betreft het derde argument van verzoekster De bestreden beslissing dat de inhoud van de reactor 10 l bedraagt en dat dit in strijd met de vergunning is gezien dit niet meer kan beschouwd worden als een activiteit op labo-schaal. De overweging is irrelevant. Verzoekster heeft voldoende andere kolven en reactoren van 10, 25, 100 en 250 liter voor haar labo-activiteiten. De bestreden beslissing voert verder aan dat er een belangrijk brand- en ontploffingsrisico is en dat een dimensioneringsstudie op vlak van koeling ontbreekt. Er is een dubbele wand voorzien met permanente temperatuurcontrole, waarbij bij plotse temperatuursverhoging onmiddellijk voor bijkomende koeling wordt gezorgd. De reactor is trouwens dubbelwandig. De beslissing stelt dat de reactor in de hoek van het labo staat en niet geïsoleerd is door andere activiteiten. Gans de neutralisatie-eenheid staat in een speciale afzuigkast, die volledig kan afgesloten worden met een kijkvenster, en is voorzien van een automatisch blussysteem met afzuiging naar buiten. De bestreden beslissing stelt dat het koelwater geloosd wordt, dat de exploitant over geen lozingsvergunning beschikt en dat lozing van koelwater verboden is in de openbare riool (art. 2.1.3. par 3 VLAREM II) Het huishoudelijk gebruik is wél toegelaten in de vergunning van verzoekster. In casu betreft het lozing van water dat niet vervuild is en waarvan de temperatuur 25 tot 30/ niet overschrijdt. Op het ogenblik dat het geloosd wordt in de riool, is het volledig afgekoeld tussen het reactievat en het openbaar rioleringsnet. Het betreft een geringe hoeveelheid, die geschat wordt op maximum 50 liter/kilo te verwerken product. 2. Wat betreft de opslag van gevaarlijke stoffen, voegt de Bestendige Deputatie volgende bijzondere voorwaarde bij : de zonder vergunning opgeslagen afvalstoffen (in casu aangebroken recipiënten van labochemicaliën afkomstig van derden) moeten worden verwijderd. Servilab dient uiterlijk 2 maanden na het bekendmaken van het beroepsbesluit, de ophaalattesten afgeleverd door een hiertoe erkend bedrijf, aan OVAM voor te leggen. De Bestendige Deputatie motiveert dit als volgt : Er bevinden zich talrijke aangebroken recipiënten; zij zijn roestig of van een verouderd model en er is ook geen inventaris. Ingevolge VLAREA dienen deze aangebroken recipiënten als gevaarlijke afvalstoffen beschouwd te worden. De rubriek 2.2.1.e VLAREM I is van toepassing en de producten dienen verwijderd te worden. Deze motivering is in feite en in rechte verkeerd. VII-17.087-18/25 Het is niet omdat het recipiënt aangebroken of roestig is, dat het product niet bruikbaar meer is. Het volstaat de producten in een nieuw recipiënt over te brengen. Het is niet correct dat er geen inventaris voorhanden is. Bovenaldien zijn de aangebroken recipiënten juridisch niet als gevaarlijke afvalstoffen aan te merken"; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert : "De juridische en feitelijke overwegingen die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen zijn volgens verzoekende partij niet correct en niet afdoende. a. Verzoekster beweert dat geen enkele erkende ophaler alkylen aanvaardt. Verzoekster heeft blijkbaar het bestreden besluit niet goed gelezen : in dit besluit wordt gesproken over een erkend ophaler voor het eindproduct van de hydrolyse (vloeibaar residu met aluminiumhydroxides, aluminiumcarbonaat,...) niet van de aluminium-alkylen zelf. Het is dit eindproduct dat afgehaald wordt voor definitieve vernietiging. b. Verzoekster beweert het enige bedrijf te zijn dat haar producten in 'blockhouses' zet. Bij plaatsbezoek heeft OVAM vastgesteld dat de opslag van de niet-brandbare chemicaliën op een onverantwoorde manier gebeurt. De rangschikking van de chemicaliën is weliswaar alfabetisch, doch de rekken liggen overvol, de recipiënten zijn slordig gestapeld in meerdere lagen boven elkaar en bovendien bevinden er zich talrijke recipiënten tussen de rekken op de grond. Verder is gebleken dat in de compartimenten voor brandbare en andere labochemicaliën er zich talrijke aangebroken recipiënten (roestig of van een verouderd model) bevinden. De Bestendige Deputatie heeft in haar bestreden besluit niets meer gedaan dan die vaststellingen van het bevoegde adviesverlenende overheidsorgaan overgenomen. Verzoekster toont geenszins met concrete elementen aan dat die bevindingen verkeerd zouden zijn. c. Verzoekster betwist verder de stellingen in het bestreden besluit inzake het brand- en ontploffingsrisico In het bestreden besluit wordt erop gewezen dat er een belangrijk brand- en ontploffingsrisico is. Hiervoor steunt de Bestendige Deputatie zich op de bevindingen van het bevoegde adviesverlenende overheidsorgaan, zijnde afdeling Milieuvergunningen (zie o.m. p.7 en 8 van het advies). Afdeling Milieuvergunningen stelt eveneens dat een dimensioneringsstudie op het vlak van koeling ontbreekt, dat de huidige manuele regeling onvoldoende is, dat de reactor in de hoek van het labo staat en niet geïsoleerd wordt door andere activiteiten. Gezien er geen duidelijkheid is over de dimensionering van de koeling kan niet met zekerheid nagegaan worden of de gasolie, wiens warmte-opnamevermogen totaal ontoereikend is, voldoende snel kan afgekoeld worden door de buitenste mantel gevuld met water. Ook die vaststellingen worden niet concreet weerlegd door verzoekster in voorliggend verzoekschrift. d. Koelwater : Het mag dan niet vervuild zijn, het feit blijft dat het niet kan aanzien worden als huishoudelijk afvalwater. In die omstandigheden is het onbetwistbaar zo dat conform art. 4.2.1.3. § 2 en 3 Vlarem II een lozingsverbod geldt. Verzoekster toont niet aan waarom dit verbod niet voor haar zou gelden. VII-17.087-19/25 e. Opslag van gevaarlijke stoffen : De argumentatie van verzoekster komt erop neer dat het niet is omdat het recipiënt is aangebroken dat het product niet bruikbaar meer is. Uit de bevindingen van OVAM blijkt dat deze aangebroken recipiënten (afgedankte labochemicaliën) voornamelijk afkomstig zijn van derden. Deze worden beschouwd als (gevaarlijke) afvalstoffen die in de huidige afvalstoffencatalogus van Vlarea opgenomen zijn onder rubriek 18.02.04 : afgedankte chemicaliën en onder rubriek 07.07.99 : niet eerder genoemde afval van de bereiding, formulering, levering en gebruik van fijnchemicaliën en niet eerder genoemde chemische producten. Vermits vele labochemicaliën één of meer gevaarseigenschappen hebben, vermeld in art. 2.1.1. § 1 van het Vlarea, volgt hieruit dat de meeste labochemicaliën in de afvalfase, gevaarlijke afvalstoffen zijn. Gemengde partijen van afgedankte labochemicaliën die naast ongevaarlijke producten ook gevaarlijke producten bevatten, dienen in hun geheel als gevaarlijk te worden beschouwd. De opslag van niet-bedrijfseigen afvalstoffen dient onbetwistbaar te worden vergund onder een afvalstoffenrubriek van Vlarem I. Het valt dan ook niet in te zien hoe verzoekster denkt haar vastgestelde activiteiten te kunnen verder uitoefenen zonder een bijkomende milieuvergunning klasse 1 aan te vragen (nl. voor rubriek 2.2.1e.). Het ingeroepen middel moet dan ook als totaal ongegrond worden afgewezen"; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij als volgt in haar memorie van wederantwoord reageert als volgt : "4.2 vierde middel : 4.2.1 Verweerster stelt : 'De juridische en feitelijke overwegingen die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen zijn volgens verzoekende partij niet correct en niet afdoende. a. Verzoekster beweert dat geen enkele erkende ophaler alkylen aanvaardt. Verzoekster heeft blijkbaar het bestreden besluit niet goed gelezen : in dit besluit wordt gesproken over een erkend ophaler voor het eindproduct van de hydrolyse (vloeibaar residu met aluminiumhydroxides, aluminiumcarbonaat ...) niet van de aluminium-alkylen zelf. Het is dit eindproduct dat afgehaald wordt voor definitieve vernietiging'. Eiseres had als prioritair doel zoeken bij wijze van experiment naar herbruik. Hij zocht niet naar een wijze om de afvalstoffen te vernietigen. Door te experimenteren vernietigde eiseres de stoffen niet. Er is geen sprake van dat het eindproduct zou worden afgehaald voor definitieve vernietiging. Verweerster heeft het hier dus volstrekt verkeerd voor. Het bruikbaar product zou niet worden afgehaald door de erkende ophaler. 4.2.2 Verweerster stelt : 'Verzoekster beweert het enige bedrijf te zijn dat haar producten in 'blockhouses' zet. Bij plaatsbezoek heeft OVAM vastgesteld dat de opslag van de niet-brandbare chemicaliën op een onverantwoorde manier gebeurt. De rangschikking van de chemicaliën is weliswaar alfabetisch, doch de rekken liggen overvol, de recipiënten zijn slordig VII-17.087-20/25 gestapeld in meerdere lagen boven elkaar en bovendien bevinden er zich talrijke recipiënten tussen de rekken op de grond. Verder is gebleken dat in de compartimenten voor brandbare en andere labochemicaliën er zich talrijke aangebroken recipiënten (roestig of van een verouderd model) bevinden. De Bestendige Deputatie heeft in haar bestreden besluit niets meer gedaan dan die vaststellingen van het bevoegde adviesverlenende overheidsorgaan overgenomen. Verzoekster toont geenszins met concrete elementen aan dat die bevindingen verkeerd zouden zijn'. Eiseres legt voor : fotoreportage van de opslag. De Raad van State zal er zich kunnen van vergewissen dat alles nieuw is en ordelijk gerangschikt. Eiseres legt een folder voor waaruit blijkt dat eiseres een ernstig bedrijf is. (zie stuk 13) Eiseres heeft enorme investeringen gedaan. Er zijn oude magazijnen en nieuwe magazijnen. Het plaatsbezoek van OVAM heeft duidelijk betrekking op een bezoek aan de oude magazijnen die trouwens volledig gesaneerd worden. Het verslag van OVAM ligt eens te meer niet voor. Evenmin geeft verweerster een datum weer van dit plaatsbezoek. Eens te meer wordt met 'geheime' niet medegedeelde documenten gewerkt. Deze hebben geen enkele bewijskracht in deze zaak. 4.2.3 Verweerster roept in : 'Verzoekster betwist verder de stellingen in het bestreden besluit inzake het brand- en ontploffingsrisico. In het bestreden besluit wordt erop gewezen dat er een belangrijk brand- en ontploffingsrisico is. Hiervoor steunt de Bestendige Deputatie zich op de bevindingen van het bevoegde adviesverlenende overheidsorgaan, zijnde afdeling Milieuvergunningen (zie om p. 7 en 8 van het advies). Afdeling Milieuvergunningen stelt eveneens dat een dimentioneringsstudie op het vlak van koeling ontbreekt, dat de huidige manuele regeling onvoldoende is, dat de reactor in de hoek van het labo staat en niet geïsoleerd wordt door andere activiteiten. Gezien er geen duidelijkheid is over de dimensionering van de koeling kan niet met zekerheid nagegaan worden of de gasolie, wiens warmte-opnamevermogen totaal ontoereikend is, voldoende snel kan afgekoeld worden door de buitenste mantel gevuld met water. Ook die vaststellingen worden niet correct weerlegd door verzoekster in voorliggend verzoekschrift'. Eiseres legt een fotoreportage voor stuk 14. Op foto 9, 10, 11, 12 en 13 is duidelijk de ruimte te zien met alle veiligheidsvoorzorgen. Het labo is volledig geneutraliseerd door brandblusinstallatie. De reactie-apparatuur was volledig in inox. Er is een automatisch blussysteem. Er is een speciale afzuigkast voorzien. WITCO, leverancier van alkylen, heeft een studie gemaakt stuk16. Eiseres heeft het toestel waarmee experimenten gebouwd volgens de waarden door WITCO opgesteld (massa water, gasoil). Er zijn 12 experimenten gebeurd op producten van 100 g tot 1 kg. Hierna werkte de installatie perfect. De studie van WITCO weerlegt dus duidelijk de beweringen van verweerster. Verweerster is duidelijk niet op de hoogte van de voorgeschiedenis met name de studie van WITCO leverancier van alkylen. 4.2.4 Verweerster roept in : 'd. koelwater : het mag dan niet vervuild zijn, het feit blijft dat het niet kan aanzien worden als huishoudelijk afvalwater. In die VII-17.087-21/25 omstandigheden is het onbetwistbaar zodat conform art. 4.2.1.3 §2 en 3 Vlarem II een lozingsverbod geldt. Verzoekster toont niet aan waarom dit verbod niet voor haar zou gelden'. Verweerster heeft het eens te meer verkeerd voor. Er wordt niet geloosd. Eiseres werkt met een volstrekt gesloten circuit. Het water wordt rondgepompt. Het water verlaat dit circuit niet. 4.2.5 Verweerster roept in : 'opslag van gevaarlijke stoffen : de argumentatie van verzoekster komt er op neer dat het niet is omdat het recipiënt is aangebroken dat het product niet bruikbaar meer is. Uit de bevindingen van OVAM blijkt dat deze aangebroken recipiënten (afgedankte labochemicaliën) voornamelijk afkomstig zijn van derden. Deze worden beschouwd als (gevaarlijke) afvalstoffen die in de huidige afvalstoffencatalogus van Vlarea opgenomen zijn onder rubriek 18.02.04 : afgedankte chemicaliën en onder rubriek 07.07.99 : niet eerder genoemde afval van de bereiding, formulering, levering en gebruik van fijnchemicaliën en niet eerder genoemde chemische producten. Vermits vele labochemicaliën één of meer gevaarseigenschappen hebben, vermeld in art. 2.1.1 §1 van het Vlarea, volgt hieruit dat de meeste labochemicaliën in de afvalfase, gevaarlijke afvalstoffen zijn. Gemengde partijen van afgedankte labochemicaliën die naast ongevaarlijke producten ook gevaarlijke producten bevatten, dienen in hun geheel als gevaarlijk te worden beschouwd. De opslag van niet-bedrijfseigen afvalstoffen dient onbetwistbaar te worden vergund onder een afvalstoffenrubriek van Vlarem I. Het valt dan ook niet in te zien hoe verzoekster denkt haar vastgestelde activiteiten te kunnen verder uitoefenen zonder een bijkomende milieuvergunning klasse 1 aan te vragen (nl. rubriek 2.2.l.e)'. Het is niet omdat een product eventjes gebruikt wordt en terug gezet wordt in de rekken dat het van dan af aan afval is. Het is niet omdat een verpakking in minder goede staat is dat het product dat er in steekt afval is. Deze producten zijn nog steeds bruikbaar. De chemicaliën zitten niet in de afvalfase. Het zijn geen afgedankte afvalchemicaliën. Eiseres vraagt geen bijkomende milieuvergunning klasse I aan heel eenvoudig omdat hij principieel geen klasse I nodig heeft"; 3.2.4.1. Overwegende dat uit de toelichting van het middel in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord blijkt dat de verzoekende partij vrijwel iedere considerans afzonderlijk bespreekt en weerlegt; dat evenwel de formele motivering van de bestreden beslissing moet beoordeeld worden op grond van wat er uiteindelijk beslist is, te weten : 1) de installatie voor de vernietiging van alkylverbindingen wordt als niet vergund beschouwd en dient ontmanteld te worden en 2) het bevel om de zonder vergunning opgeslagen afvalstoffen, namelijk aangebroken recipiënten van labochemicaliën afkomstig van derden, te verwijderen; dat het onderzoek van het middel dan ook tot die motieven wordt beperkt; VII-17.087-22/25 3.2.4.2. Overwegende, wat de niet-vergunde installatie voor verwerking van alkylverbindingen betreft, dat uit de bespreking van de eerste drie middelen afdoende is gebleken op grond van welke motieven de verwerende partij in alle redelijkheid tot de conclusie gekomen is dat de activiteiten met deze installatie leiden tot residu's die geen bruikbaar product opleveren; dat deze motieven ook in de bestreden beslissing uitdrukkelijk zijn weergegeven; dat deze motieven op zich volstaan om de beslissing in feite en in rechte te schragen in de mate dat ze de betrokken installatie als niet vergund beschouwt zodat ze moet ontmanteld worden; 3.2.4.3. Overwegende, wat betreft het bevel tot verwijderen van zonder vergunning opgeslagen afvalstoffen, dat dit onderdeel van de bestreden beslissing daarin als volgt wordt gemotiveerd : "Overwegende dat tijdens een plaatsbezoek door OVAM werd vastgesteld dat in de compartimenten voor brandbare en andere labochemicaliën er zich talrijke aangebroken recipiënten bevonden; dat zij roestig of van een verouderd model waren; dat er ook geen inventaris aanwezig is van al deze chemicaliën; Overwegende dat deze aangebroken recipiënten van labochemicaliën, waarvan de houder zich ontdoet, ingevolge Vlarea (in werking getreden 1/6/1998) als gevaarlijke afvalstoffen beschouwd worden; dat conform de huidige indelingslijst van Vlarem I de rubriek 2.2.1.e van toepassing is; dat de thans illegaal opgeslagen producten zo spoedig mogelijk moeten verwijderd worden en dat hiervoor een aanvullende bijzondere voorwaarde wordt voorzien". dat daaruit afdoende blijkt op grond van welke feitelijke en juridische overwegingen de verwerende partij tot haar besluit is gekomen, zodat van een schending van de formele motiveringsplicht geen sprake is; 3.2.4.4. Overwegende, voorts, dat uit haar toelichting in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord blijkt dat de verzoekende partij van oordeel is dat aan de feitelijke vaststellingen verkeerde conclusies geknoopt worden, daar naar haar oordeel het feit dat er chemicaliën in aangebroken en/of roestige en verouderde recipiënten zijn, deze chemicaliën nog niet tot afval maakt; dat, evenwel, gelet op de draagwijdte van het begrip afvalstof in het kader van de Europese en Vlaamse regelgeving, zoals hoger reeds besproken onder 2.1.5.1. en 2.1.5.2. de verwerende partij op grond van de vaststelling dat er zich chemicaliën bevonden in talrijke aangebroken en/of roestige en verouderde recipiënten in alle redelijkheid tot het besluit kon komen dat deze chemicaliën als afvalstoffen moesten gekwalificeerd worden; dat de door de verzoekende partij neergelegde fotoreportage dat besluit niet ontkracht vermits nergens uit blijkt dat het gaat om VII-17.087-23/25 foto's genomen vóór het bestreden besluit; dat, bovendien, tijdens een plaatsbezoek door OVAM werd vastgesteld dat er geen inventaris van de aanwezige chemicaliën voorhanden was; dat de verzoekende partij die vaststelling door OVAM wel ontkent, doch daarvan geen bewijzen neerlegt; dat in die omstandigheden er geen reden is om de vaststelling van een officiële instantie in twijfel te trekken; dat aldus de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat de verwerende partij de feitelijke vaststellingen verkeerd heeft geïnterpreteerd; 3.2.4.5. Overwegende dat het vierde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-17.087-24/25 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.087-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.437 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.