id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.445 Rolnummer: A. 165811/VII-34566 Zaak: Arrest 156445 - - 16/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-20 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 13:58 Fiche Arrest nr 156.445 van 16 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.445 van 16 maart 2006 in de zaak A. 165.811/VII-34.
- In zake : Laurentius VAN EEKERT, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEGERS kantoor houdende te BERINGEN, Hasseltsesteenweg 136 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE, J. COLPAERT en I. DE TANDT, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Laurentius VAN EEKERT op 6 september 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerleg- ging van het besluit van 14 juli 2005 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij het beroep dat hij had ingesteld tegen het besluit van 13 januari 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg houdende weigering van de vergunning voor de uitbreiding van zijn landbouwbedrijf met een grondwaterwinning met een maximumdebiet van 33.000 m3/jaar, gelegen aan de Schoterweg 96 te Tessenderlo, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 januari 2006; VII-34.566-1/6 Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. SUFFELEERS die, loco advocaat H. SEGERS verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat I. TANDT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende dat de verzoeker zijn moeilijk te herstellen ernstig nadeel uiteenzet als volgt : "Het is aan verzoeker in het kader van deze procedure aan te tonen dat de getroffen beslissing leidt tot het nadeel dat moeilijk, zelfs niet meer te herstellen is. - Het wordt niet betwist dat verzoeker een landbouwbedrijf exploiteert met een oppervlakte van 40 ha. - Het wordt evenmin betwist dat verzoeker een uitbatingsvergunning voor voormeld bedrijf heeft bekomen op 16 augustus 1991 (stuk 6) die afloopt op 3 april
- - Dat het evenmin kan ontkend worden dat de hoofdactiviteit op dit landbouwbedrijf bestaat uit de exploitatie van gronden voor het innen van maïs, aardappelen en groenten, waarvoor een beregeningsinstallatie noodzakelijk is. Dat trouwens uit de aanvragen op de ingediende staten voor het bekomen van premies (stuk 12 en volgende) over de periode van 1997 tot 2005 telkenmale kan worden vastgesteld dat een groot gedeelte van de exploitatie bestaat uit het winnen van aardappelen en maïs. - Dat verzoeker jaarlijks het maximaal toegestane m³ water volledig gebruikt, zijnde 33.000 m³ /jaar omdat dit noodzakelijk is voor de beregening van zijn gewassen. Dat deze waterexploitatie des te meer noodzakelijk was gezien België de laatste jaren gekampt heeft met grote droogte zodat zonder deze beregening sowieso er geen gewassen zouden zijn. - Dat het bedrijf van verzoeker gelegen is in waardevol agrarisch gebied met beschermd dorpsgezicht. Dat deze inplanting uitdrukkelijk verbiedt dat er constructies worden opgericht om hemelwater op te vangen en vergaarbakken aan te leggen. VII-34.566-2/6 Dat trouwens verzoeker niet goed inziet hoe hij dergelijke constructies zou kunnen maken op een terrein van 40 ha landbouwgrond. Dat de enige mogelijkheid zou kunnen bestaan uit reliëfwijziging, namelijk door het aanleggen van opvangvijvers, doch dat dit in het beschermd dorpsge- zicht absoluut verboden is. - Dat zelfs met het opvangen van hemelwater, in het onmogelijke geval dat het toch zou kunnen, dit voor een bedrijf niet doelmatig is gezien het verboden is het land te beregenen met oppervlaktewateren, daar waar aardappelen worden gekweekt omwille van het 'bruinrot'. Dat blijkbaar dit hemelwater heel wat infectiebacteriën bevat die de aardappel aantast, ziekte verspreiden en iedere consumptie onmogelijk maken. Dat zoals hoger uiteengezet een groot gedeelte van het bedrijf enkel en alleen al bestaat uit de exploitatie van aardappelen. - Dat uit de vaststellingen die werden gedaan op 14 april 2005 (stuk 5) door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Milieu-inspectie (Buitendienst Limburg) het duidelijk de bedoeling is iedere exploitatie van het gebruik van grondwaterwinning te stoppen en dat verzoeker ertoe wordt aangemaand hieraan gevolg te geven! Verzoeker is dan ook terecht van oordeel dat zich de schorsing opdringt. Dat immers, indien de annulatieprocedure ten gronde dient afgewacht te worden, het voor de hand ligt dat het landbouwbedrijf van verzoeker ten dode is opgeschreven en hij gedwongen wordt iedere activiteit te staken, wat aanleiding geeft tot broodroof en economische ondergang van het bedrijf en de financiële dood van verzoeker. Dat hij immers zonder beregening geen gewassen heeft of tot gewassen komt die economisch niets meer voorstellen, onverkoopbaar zijn terwijl verzoeker vaste jaarlijkse investeringen dient te doen die hij alsdan niet kan recupereren wegens niet-verkoopbare opbrengsten. Dat verzoeker erop wijst dat deze beregeningsinstallatie reeds noodzakelijk was in het verleden, waarvoor hem ook de vergunning werd afgeleverd en dat tot op heden geen enkele dienst van het Ministerie van de Vlaamse Gemeen- schap enige aan- of opmerking heeft kunnen maken omtrent de exploitatie van deze beregening, noch over eventueel niet bewezen schadelijke gevolgen. Dat derhalve dan ook buiten het moeilijk te herstellen en ernstig nadeel er bij de inwilliging van de schorsing evenmin een nadeel kan aangetoond worden tegenover het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Milieuvergun- ning, en dit in afwachting van de procedure ten gronde"; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota repliceert als volgt : "
- In zijn verzoekschrift benadrukt verzoeker dat de onmiddellijke tenuitvoer- legging van het bestreden besluit hem een ernstig nadeel veroorzaakt, dat û moeilijk te herstellen is daar : zijn exploitatie -indien de annulatieprocedure dient afgewacht te worden- ten dode zal opgeschreven zijn en hij gedwongen zal worden iedere activiteit te staken, hetgeen de ondergang van zijn bedrijf zal teweeg brengen, alsook diens financiële dood. 1.1 Verweerder betwist dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een MTHEN zal meebrengen voor de verzoekende partij. De bestreden beslissing houdt immers niet in dat de exploitatie volledig onmogelijk wordt gemaakt, daar verzoeker verder kan exploiteren, zodat geenszins aannemelijk wordt gemaakt dat de tenuitvoerlegging van de bestreden VII-34.566-3/6 beslissing een imminent gevaar inhoudt voor het voortbestaan van de exploitatie, minstens wordt dit allerminst bewezen (zie infra) Verzoeker toont evenmin aan dat de beregeningsinstallatie noodzakelijk is voor de gehele uitbating van zijn exploitatie, alsook dat deze onmogelijk door een andere -milieuvriendelijke- installatie kan vervangen worden, noch dat hij de 33.000 m³/jaar gebruikt en ook effectief nodig heeft. Verzoeker aanziet het MTHN in essentie als een financieel nadeel, dat behoudens voldoende bewijs, puur hypothetisch is. Het verzoekschrift heeft het immers slechts over loutere beweringen. Verweerder komt bijgevolg tot de vaststelling dat het beweerde nadeel bovendien een louter financieel nadeel is dat wél herstelbaar is ! 1.2 Wat de rentabiliteit van het bedrijf betreft, blijkt uit geen enkel document dat de toekomst er rampzalig uit zal zien, noch dat de exploitatie van verzoeker zal dienen gesloten te worden ! Dit blijkt evenmin uit een financieel plan uitgaande van een ONAFHANKELIJKE accountant. De verzoekende partij legt geen enkele begrotende berekeningen neer en er worden geen onafhankelijke accountants- of revisorenverslagen voorgelegd die de ernst van het te lijden nadeel zelfs maar bij benadering schatten. Uit niets blijkt dat hij genoodzaakt zal zijn diens uitbating stop te zetten, hetgeen evenmin met enig stuk wordt bewezen ! Het moeilijk te herstellen karakter van het nadeel wordt door de verzoeker dus geenszins bewezen. 1.3 Bovendien mag verzoeker niet uit het oog verliezen dat de milieuvergunning dd. 22.07.1998, slechts een tijdelijke vergunning was, nl. voor ö 5 jaar, waarin daarenboven reeds werd vermeld dat: 'het gebruik van waardevol semi-freatisch grondwater voor het beregenen in open lucht een niet duurzame praktijk is die dient öö afgebouwd te worden (...) dat het gebruik van grondwater verder moet gerationaliseerd worden; dat de vergunninghouder de mogelijkheid moet onderzoeken om regenwater op te vangen (...)'. Daarnaast heeft de verzoekende partij voor het verstrijken van voormelde termijn geen aanvraag tot hervergunning aangevraagd. Uit het verzoekschrift van verzoekende partij blijkt dat een aanvraag tot hervergunning wél werd aangevraagd, doch daarvan heeft verweerder geen kennis gekregen. Bovendien werd voormelde aanvraag naar de verkeerde instantie overgemaakt, hetgeen verklaart waarom verweerder daar geen kennis van heeft gekregen. Lopende de aanvraag is gebleken dat de verzoekende partij geenszins de mogelijkheden onderzocht heeft om regenwater op te vangen, zodat verzoeker bijgevolg voorzichtig diende te zijn, zodat geenszins nu kan voorgehouden worden dat hij met een MTHEN te maken heeft, daar hij uit de voormelde vergunning de nodige conclusies had moeten trekken. De verschillende opties of stappen die verzoeker in tussentijd heeft ondernomen om af te stappen van de beregeningsinstallatie worden evenmin uiteengezet, noch onderbouwd, zodat verweerder zich vragen stelt naar de waarachtigheid ervan! De opmerking dat regenwater veel infectiebacteriën bevat gaat evenmin op, daar de nodige middelen bestaan om deze bacteriën te elimineren"; 2.
- Overwegende dat het betoog van de verzoeker in essentie erop neerkomt dat de betrokken grondwaterwinning noodzakelijk is voor het beregenen van zijn landbouwgrond waarop voornamelijk maïs en aardappelen geteeld worden VII-34.566-4/6 en dat hij zonder die installatie zijn landbouwactiviteiten noodgedwongen zou moeten stopzetten; dat een dergelijke installatie als nuttig doch niet noodzakelijk voor de activiteiten van de verzoeker voorkomt; dat er moet worden van uitgegaan dat de teelt van de landbouwgewassen waarop de verzoeker zich toelegt in principe mogelijk is door natuurlijke beregening; dat wanneer zou kunnen aangenomen worden dat het wegvallen van de beregening met grondwater leidt tot een minderopbrengst van de gewassen bij een uitzonderlijk tekort aan natuurlijke neerslag, het beweerde nadeel zich laat herleiden tot een puur financieel nadeel dat niet moeilijk te herstellen is in de zin van de Raad van State-wet; Overwegende dat bijgevolg aan de grondvoorwaarde met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet is voldaan, zodat de vordering moet worden afgewezen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. VII-34.566-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart tweeduizend en zes, door : de H. R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. R. STEVENS. VII-34.566-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.445 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.