← België

Arrest 156446 - - 16/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.446 Rolnummer: A. 166248/VII-34620 Zaak: Arrest 156446 - - 16/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-27 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 13:59 Fiche Arrest nr 156.446 van 16 maart 2006 - Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.446 van 16 maart 2006 in de zaak A. 166.248/VII-34.

  1. In zake : Hadewig DE CORTE, die woonplaats kiest bij advocaten E. VAN DER MUSSELE en Y. VANDEN BOSCH, kantoor houdende te ANTWERPEN, Justitiestraat 18 A tegen : KIND & GEZIN, dat woonplaats kiest bij advocaat S. VERBOUWE, kantoor houdende te BRUSSEL, Tervurenlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Hadewig DE CORTE op 22 september 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van : “1/ het gezinsrapport met het niet bindend negatief advies van het evaluatie- team van CAW Mozaïek dd/ 17-2-05, (...); 2/ het negatief advies 2005/48 (... 29-6-05) van de adviescommissie van de Vlaamse regering (...); 3/ de definitieve weigeringsbeslissing tot niet aflevering van een beginseltoe- stemming op 26-7- 2005 (...) van Kind en Gezin (...)”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 januari 2006; VII-34.620-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. VAN DER MUSSELE, die verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat St. VERBOUWE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak zich in de huidige stand van het geding als volgt aandienen : 1.
  4. Op 10 oktober 2003 dient de verzoekster een aanvraag in ter verkrijging van een beginseltoestemming voor een interlandelijke adoptie. 1.
  5. Op 17 februari 2005 verleent het evaluatieteam van het Centrum Algemeen Welzijnswerk Mozaïek, "na afweging van de protectieve factoren en de risicofactoren" in het kader van een gezinsonderzoek een negatief advies, omdat "teveel risicofactoren aanwezig zijn om een positief advies toe te kennen aan de kandidate". Dit is de eerste bestreden akte. 1.
  6. De verzoekster reageert hiertegen met een schrijven van 28 februari
  7. Zij verwerpt het advies en formuleert haar opmerkingen ten aanzien van de bezwaren van het evaluatieteam. 1.
  8. Op 15 maart 2005 deelt de verwerende partij mee dat zij het voornemen heeft geen beginseltoestemming te verlenen. 1.
  9. De verzoekster dient op 14 april 2005 een verzoek tot heroverwe- ging in, waarin zij nogmaals ingaat op het advies van 17 februari
  10. VII-34.620-2/7 1.
  11. Op 29 juni 2005 verstrekt de adviescommissie inzake het verlenen van een beginseltoestemming tot interlandelijke adoptie het volgende advies : "- De commissie herkent en erkent een aantal overwegingen en risicofactoren, zoals geformuleerd in het gezinsrapport van 17 februari 2005 opgesteld door CAW De Hallen. - De commissie is van mening dat er weliswaar protectieve factoren aanwezig zijn, maar dat deze niet voldoende opwegen tegen de risicofactoren : • De gezinssituatie van Mevrouw als alleenstaande heeft op dit ogenblik nog geen definitief karakter. Bij de eventuele komst van een partner, al dan niet met eigen kinderen, zou de situatie voor het adoptiekind drastisch wijzigen en de positie, de beleving en de aanpassing voor dit kind ernstig in het gedrang kunnen brengen. Problemen met eventuele kinderen van een partner zijn zeker niet denkbeeldig. Hoewel het duidelijk is dat Mevrouw hierbij het voor het adoptiekind zal blijven opnemen, zijn de effecten op het adoptiekind hiervan niet te onderschatten. • Mevrouw De Corte wenst duidelijk de mogelijkheid van een nieuwe partnerrelatie open te houden. • Mevrouw doet een ernstige inspanning om zich in te leven in de situatie van het adoptiekind, maar heeft het toch moeilijk om dit in al zijn consequenties onder ogen te zien. • Mevrouw De Corte heeft een zeer groot enthousiasme, gaat er 100 % voor en heeft veel dynamisme en daadkracht. In het onderkennen en aanpakken van probleemsituaties zijn deze kwaliteiten zeer belangrijk maar niet voldoende. - De commissie is evenwel van oordeel dat er voor mevrouw De Corte nog veel mogelijkheden open liggen om haar grote en oprechte kinderwens in te vullen. Gelet op deze overwegingen adviseert de commissie het negatief advies van het evaluatieteam te volgen en geen beginseltoestemming te verlenen aan mevrouw Hadewig De Corte"; Dit is de tweede bestreden akte. 1.
  12. Met de derde bestreden akte van 26 juli 2005 wordt "op basis van het ganse dossier" en van het advies van 29 juni 2005 van de adviescommissie, dat als bijlage bij de beslissing is gevoegd, de beginseltoestemming door de verwerende partij geweigerd;
  13. Ontvankelijkheid 2.1.
  14. Overwegende dat de verwerende partij in een eerste exceptie opwerpt dat de verzoekster geen actueel belang meer heeft bij haar vordering, omdat, gelet op de gewijzigde regelgeving, het vanaf 1 september 2005 niet meer aan de verwerende partij toekomt te oordelen over de geschiktheid tot adoptie, doch wel aan de jeugdrechter; VII-34.620-3/7 2.1.
  15. Overwegende dat de verwerende partij niet aanvoert dat de aanvraag van de verzoekster helemaal niet meer kan gehonoreerd worden na een eventuele vernietiging van de bestreden weigeringsbeslissing; dat de mogelijkheid dat alsdan een andere instantie dan de verwerende partij de aanvraag van de verzoekster zou moeten beoordelen, op zichzelf niet volstaat om aan de verzoekster thans haar belang bij de vernietiging, en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden weigering, te ontzeggen; dat de exceptie niet opgaat; 2.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in een tweede exceptie op goede gronden doet gelden dat de eerste en de tweede bestreden akten, in de huidige stand van de rechtspleging, voorkomen als niet bindende adviezen, die niet vatbaar zijn voor vernietiging, en derhalve ook niet voor schorsing; dat de overheid die na schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden weigeringsbeslissing opnieuw over de aanvraag zou oordelen, uiteraard, met die adviezen geen rekening mag houden in de mate dat de inhoud ervan strijdig is met de met het dictum van dit arrest onlosmakelijk verbonden overwegingen; dat de tweede exceptie gegrond is;
  17. Ten gronde Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  18. Ernstig middel 3.1.
  19. Standpunten van de partijen 3.1.1.
  20. Overwegende dat de verzoekster onder meer aanvoert dat de motieven waarop de bestreden beslissing rust niet draagkrachtig zijn, omdat zij niet pertinent zijn, en niet ter zake dienend; dat zij ook aanvoert dat het onredelijk en discriminatoir is als motieven te weerhouden dat de gezinsrelatie van de verzoekster als alleenstaande "op dit moment nog geen definitief karakter heeft" en dat de verzoekster "de mogelijkheid van een nieuwe partnerrelatie ... open houdt"; dat zij ook nog doet gelden dat die motieven niet relevant zijn, omdat "twee-oudergezinnen VII-34.620-4/7 soms uit elkaar vallen, nieuwe gezinnen ontstaan, en vanzelfsprekend alleenstaanden vaak een loyale partner ontmoeten, die positief staat tegen verzoekster en haar (adoptie)kind"; 3.1.1.
  21. Overwegende dat de verwerende partij in essentie repliceert dat de motieven van de bestreden beslissing pertinent zijn, en niet kennelijk onredelijk; 3.1.
  22. Bespreking 3.1.2.
  23. Overwegende dat de bestreden beslissing verwijst naar het advies van 29 juni 2005 van de adviescommissie, dat als bijlage bij de beslissing is gevoegd; dat de bestreden beslissing aldus de motieven van de adviescommissie tot de hare maakt ; dat die motieven hierboven onder punt 1.6 worden weergegeven; dat uiteraard een verwijzing naar "het ganse dossier" geen afdoende formele motivering inhoudt; dat op het eerste gezicht dan ook geen rekening kan worden gehouden met het advies van 17 februari 2005, nu het advies van 29 juni 2005 zelf zeer vaag stelt dat de commissie "een aantal overwegingen en risicofactoren, zoals geformuleerd in het gezinsrapport van 17 februari 2005 ..." "herkent en erkent", zonder evenwel nader te specifiëren welke overwegingen en risicofactoren dit wel mogen zijn; dat de wettigheid van de bestreden beslissing uit het oogpunt van de formele motiverings- verplichting dus enkel kan worden onderzocht rekening houdend met de hierboven vermelde conclusie van de adviescommissie; 3.1.2.
  24. Overwegende dat dergelijke motivering tot gevolg lijkt te hebben dat in principe een alleenstaande persoon die de mogelijkheid openlaat een nieuwe partnerrelatie aan te gaan geen beginseltoestemming tot interlandelijke adoptie kan verkrijgen; dat de toepasselijke regelgeving nochtans geen dergelijke algemene regel lijkt te bevatten; dat de argumenten die de bestreden beslissing hanteert om die gedragslijn te motiveren in de huidige stand van het geding in rechte niet overtuigen, vermits ze op het eerste gezicht ook gelden voor twee-oudergezinnen, die immers kunnen uiteenvallen, waarna de geschetste problemen ook voor adoptiekinderen van dergelijk ouderpaar evenzeer "niet denkbeeldig" lijken ; dat het ander weigeringsmo- tief, nl. dat ondanks het feit dat de verzoekster "een ernstige inspanning doet om zich in te leven in de situatie van het adoptiekind", "zij het toch moeilijk heeft om dit in al zijn consequenties onder ogen te zien" duister is, nu het niet vermeldt welke de consequenties zijn die de verzoekster niet onder ogen zou zien, en waarom dit tot een negatieve beslissing moet leiden; dat dit des te meer klemt nu de verzoekster volgens VII-34.620-5/7 de bestreden beslissing zelf toch getuigt van "een zeer groot enthousiasme", "er voor 100 % voor gaat", en "veel dynamisme en daadkracht heeft", welke "kwaliteiten in het onderkennen en aanpakken van probleemsituaties" "zeer belangrijk zijn"; dat de motieven waarop de bestreden beslissing rust derhalve in de huidige stand van het geding deels niet pertinent lijken, en voor het overige onvoldoende duidelijk zijn geformuleerd; dat het middel in die mate ernstig is; 3.
  25. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel 3.2.
  26. Standpunten van de partijen 3.2.1.
  27. Overwegende dat de verzoekster in essentie stelt dat het ernstig nadeel, gelegen in het feit dat zij haar recht om als alleenstaande een gezin te vormen niet kan laten gelden nu zij door het niet verlenen van de beginseltoestemming niet kan overgaan tot adoptie, ook moeilijk te herstellen is omdat elke vertraging “het voor verzoekster die nu 32 jaar oud is altijd moeilijker (zal) maken om opnieuw een beginselverklaring te bekomen”, en het tijdsverloop voor onomkeerbare problemen zorgt, zowel wat haar zelf betreft als wat betreft de adoptiekinderen; 3.2.1.
  28. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota repliceert dat de verzoekster niet op een afdoende manier aantoont dat haar nadeel moeilijk te herstellen is en “in het licht van de nieuwe federale en gemeenschapswetgeving (...) het niet duidelijk (is) wel moeilijk te herstellen ernstig nadeel mevrouw De Corte wenst te vermijden door de ingestelde schorsingsvordering, nu Kind & Gezin niet langer de bevoegdheid heeft om een beginseltoestemming tot adoptie af te leveren”; 3.2.
  29. Bespreking 3.2.2.
  30. Overwegende dat, wat de verwijzing door de verwerende partij naar de gewijzigde reglementering betreft, kan worden verwezen naar hetgeen onder punt 2.1.2 werd gesteld; dat voorts de verzoekster op een afdoende wijze aanneme- lijk maakt dat zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te lijden door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing; 3.2.2.
  31. Overwegende dat voldaan is aan de beide voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zodat de VII-34.620-6/7 schorsing van de tenuitvoerlegging van de derde bestreden beslissing kan worden bevolen, BESLUIT: Artikel
  32. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 26 juli 2005 van Kind en Gezin houdende het niet verlenen aan Hadewig DE CORTE van de beginseltoestemming tot interlandelijke adoptie . Artikel
  33. De vordering tot schorsing wordt voor het overige verworpen. Artikel
  34. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart tweeduizend en zes, door : de H. R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. R. STEVENS. VII-34.620-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.446 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.597 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.