← België

Arrest 156449 - - 16/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.449 Rolnummer: A. 163065/VII-34109 Zaak: Arrest 156449 - - 16/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-21 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 14:01 Fiche Arrest nr 156.449 van 16 maart 2006 - Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.449 van 16 maart 2006 in de zaak A. 163.065/VII-34.

  1. In zake :
  2. Dirk BLOMME,
  3. Viviane FILLIERS, die woonplaats kiezen bij Advocaat K. ROELANDT, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat
  4. tussenkomende partij : de n.v. DOSSCHE MILLS & BAKERY, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DEKETELAERE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Meir
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Dirk BLOMME en Viviane FILLIERS op 3 juni 2005 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 4 april 2005 waarbij na een vergunning op proef aan de n.v. DOSSCHE MILLS & BAKERY definitief de vergunning wordt verleend om een vergunde graanmaalderij, gelegen te 9800 Deinze, Tolpoortstraat 40, verder te exploiteren en te veranderen door wijziging en uitbreiding; Gelet op het arrest nr. 150.151 van 13 oktober 2005 waarbij het verzoek tot tussenkomst van de n.v. DOSSCHE MILLS & BAKERY wordt ingewilligd, het annulatieberoep niet kennelijk gegrond wordt bevonden, de debatten worden heropend en het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek van de vordering tot schorsing; VII-34.109-1/10 Gezien het aanvullend verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 23 januari 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 23 februari 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. ROELANDT, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat J. BERGÉ, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat M. DE KETELAERE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad van State de gegevens van de zaak als volgt beoordeelt:
  6. Feiten De feiten werden reeds weergegeven in het arrest nr. 150.151 van 13 oktober
  7. In rechte 2.
  8. De schorsingsvoorwaarden Op grond van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat VII-34.109-2/10 de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.1.
  9. De ernst van het middel De uiteenzetting van het eerste middel en de standpunten van de partijen met betrekking tot dit middel werden eveneens reeds weergegeven in het arrest nr. 150.151 van 13 oktober
  10. Op het eerste gezicht blijkt dat de proefvergunning wel degelijk bepaalde dat de gehele inrichting moest voldoen aan de voorwaarden van afdeling 4.5.3 van Vlarem II. In de motivering kwam immers het volgende voor : "Overwegende dat, gelet op de omringing van de inrichting door dichtbe- bouwd woongebied met stiltebehoevende instellingen zoals scholen, alsook op de vigerende geluidsnormen vervat in (afdeling) 4.5.
  11. van titel II van het Vlarem, het aangewezen én verplicht is dat voor de ganse inrichting de richtwaarden van titel II van het Vlarem steeds gerespecteerd worden (...)". In haar annulatieberoep tegen de proefvergunning heeft de tussenkomende partij onder meer aangevoerd dat de bewuste geluidsnormen niet mochten worden opgelegd voor de gehele inrichting. Dit middelonderdeel werd verworpen in het arrest nr. 137.643 van 25 november
  12. De proefvergunning lijkt er tevens van uit te gaan dat de inrichting moest worden beoordeeld als een nieuwe inrichting, zodat het oorspronkelijk omgevingsgeluid het geluid is zonder enige inbreng van de inrichting. Wanneer het gaat om de verandering van een bestaande inrichting, is in het oorspronkelijk omgevingsgeluid het geluid van de inrichting vóór verandering begrepen. De proefvergunning is op grond van de gegevens van het bij de vergunningsaanvraag gevoegde saneringsplan tot de conclusie gekomen dat de strengere paragraaf 3 van artikel 4.5.3.1 van toepassing is. Het is dan ook niet voor de hand liggend dat de verwerende partij, op grond van de door de tussenkomende partij aan de Gewestelijke Milieuvergun- ningscommissie verschafte gegevens, heeft geoordeeld dat thans voldaan is aan de voorwaarden van de proefvergunning. Het middel is ernstig. VII-34.109-3/10 2.1.
  13. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 2.1.2.
  14. Met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zetten de verzoekende partijen het volgende uiteen : "
  15. In het arrest van 4 juni 2003 oordeelde de Raad van State dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van eerste verzoekende partij aannemelijk was om volgende redenen : 'Overwegende dat de ernst van het nadeel niet wordt ontkracht omdat de vordering op het einde van de beroepstermijn zou zijn ingesteld; dat verzoeker, van wie bij het instellen van zijn vordering tot schorsing wordt verwacht dat hij ernstige middelen en een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in zijn verzoekschrift ontwikkelt, en die in beginsel geen nieuwe gegevens tijdens het verdere verloop van de rechtspleging mag aanbrengen, dan ook over de volledige wettelijk vergunde termijn moet beschikken zodat hij zijn vordering zo accuraat mogelijk kan formuleren; dat verzoeker er bij het verlenen van de vergunning na het verstrijken van de proefperiode mocht op vertrouwen dat de vigerende wetgeving en de door de vergunning op proef opgelegde voorwaarden zullen gerespecteerd worden, en dat de inrichting geen nieuwe vergunning zal bekomen wanneer dit decretaal of reglementair niet is toegelaten; dat verzoeker zich dan ook bij het verlenen van dergelijke nieuwe vergunning kan beroepen op nadelen die uit die vergunning voortvloeien, zelfs al heeft hij die nadelen ook reeds in het verleden ondervonden; dat in de bestreden beslissing zelf wordt vermeld dat het verslag van het volledig akoestisch onderzoek van juni 2001 concludeerde dat 'de overschrijding van de geluidsvoorwaarden van titel II van het Vlarem vrij drastisch zijn, voor zowel de basisactiviteit op continue basis als voor laad- en los-verrichtingen die niet plaatsvinden 's nachts noch tijdens het weekend (...)'; dat aangezien het gaat om geluidshinder die dag en nacht doorgaat, ook in de weekends, en het bedrijf midden in druk bewoond woongebied is gevestigd, de hinder geredelijk als een ernstig nadeel kan worden beschouwd; dat dergelijke voortdurende verstoring van het woonklimaat duidelijk niet achteraf herstelbaar is; dat uit het neergelegde verslag blijkt dat de geldende geluidsnormen nog steeds niet worden gehaald en dat er nog overschrijdingen zijn van de richtwaarden' (R.v.St., 4 juni 2003, BLOMME, nr. 120.126). Reeds hoger werd aangetoond dat de vergunningverlenende overheid uitgaat van de verkeerde richtwaarden (die voor bestaande inrichtingen) en in casu de richtwaarden, opgelegd door de vigerende wetgeving (artikel 4.5.3 van titel II van Vlarem) en de proefvergunning, nog steeds niet worden gehaald. In die omstandigheden is de geluidshinder die voortkomt van de inrichting zonder meer 'ernstig'. In het licht van de beoordeling van de aantasting van het woonklimaat van verzoekende partijen, kan bovendien verwezen worden naar het evaluatieverslag van de Afdeling Milieu-inspectie d.d. 12 januari 2005 : 'De eindbeoordeling van de geluidssanering is te vinden in het verslag 'opvolging saneringsplan - deel 2' van datum 16.2.
  16. Hierbij had een ambulante meting plaats in een meetpunt representatief voor de buur/klager Tolpoortstraat 64, ter hoogte van het slaapkamerniveau. Volgens de conclusie bedraagt het specifiek geluid in dit meetpunt 45 dB(A) voor de nachtperiode hetgeen gelijk is aan de richtwaarde voor bestaande inrichtingen. Dat het bedrijfsgeluid nog steeds het geluidsklimaat in de omgeving van de woning beheerst, volgt uit de meetresultaten gegeven in figuur 7-
  17. Dit valt af te leiden uit het quasi-stabiel verloop van VII-34.109-4/10 de Laeq, lsec-waarden en uit de spectrale gegevens welke duiden op het belang van laagfrequent-industriegeluid (tevens tonaal volgens smalbandanalyse). Een stabiel en constant geluidsdrukniveau van 45 dB A veroorzaakt door industrielawaai en gemeten op slaapkamerniveau is niet van aard een aanvaardbare kwaliteit van de woonomgeving te waarborgen'(...). Tweede verzoekende partij is woonachtig te Tolpoortstraat 44 en bevindt zich nog dichter bij de inrichting dan eerste verzoekende partij, zodat de geluidshinder niet enkel eerste verzoekende partij treft, doch zeker ook tweede verzoekende partij.
  18. In het besluit van de Bestendige Deputatie d.d. 24 augustus 2000 (stuk 5) wordt overwogen : 'dat volgens de exploitant gemiddeld 50 transportbewegingen van vrachtwagens van en naar het bedrijf plaatshebben via de Tolpoortstraat; dat deze gebeuren met opleggers van 25 of 44 ton; dat om de verkeershinder in de drukke Tolpoortstraat te beperken, de chauffeurs verplicht worden om bij het buitenrijden van het bedrijf rechts af te slaan, zodat zij de verkeersstroom niet moeten dwarsen; dat om te vermijden dat wachtende vrachtwagens het verkeer in de Tolpoortstraat hinderen, bedrijfsvreemde vrachtwagens wel op het terrein worden toegelaten; (...) Overwegende dat, wat de aangeklaagde verkeershinder betreft, uit het dossier blijkt dat het bedrijf maximale inspanningen doet om deze vorm van hinder te voorkomen; dat de verkeersproblemen in de Tolpoortstraat niet enkel toe te schrijven zijn aan de aanwezigheid van het bedrijf dat daar sinds 1875 gevestigd is; dat de aanwezigheid van 4 scholen en de concentratie aan winkels in de onmiddellijke buurt ook bijdragen tot de verkeershinder; dat vermits de Tolpoortstraat een gemeenteweg is, het stadsbestuur bevoegd is om de verkeersproblematiek te onderzoeken en eventueel oplossingen aan te reiken'. Uit de talrijk ingediende bezwaarschriften (stuk 12) en bijgevoegd fotomateriaal (stuk 14) blijkt wel degelijk dat het vrachtverkeer dat afkomstig is van de inrichting ernstige hinder veroorzaakt. De circulatieruimte wordt door het zware vrachtverkeer op zodanige wijze teruggedrongen, dat het verkeer geen gewone doorgang meer kent. Dit is uiteraard niet te wijten aan de aanwezigheid van scholen of winkels. Het hoeft bovendien geen betoog dat het verkeer van gemiddeld 50 vrachtwagens met opleggers van 25 of 44 ton doorheen een winkelstraat, de woonkwaliteit van de inwoners van de Tolpoortstraat, en in het bijzonder van verzoekende partijen als onmiddellijk omwonenden van het bedrijf, ernstig en onherstelbaar aantasten. Het vrachtverkeer zal na de uitbreiding (55%) per evidentie nog hoger liggen dan een gemiddelde van 50 vrachtwagens. Bovendien blijkt uit het bijgevoegd fotomateriaal dat de maatregel dat de vrachtwagens bij het buiten rijden rechts moeten afslaan, helemaal geen afbreuk doet aan de hinderlijkheid van het vrachtverkeer. Bovendien kan niet voorbijgegaan worden aan het feit dat tweede verzoekende partij vlakbij de uitgang van het bedrijf woont en dus continu wordt geconfronteerd met afremmende vrachtwagens die in- of uitrijden. Het afremmen en optrekken van vrachtwagens gaat gepaard met ernstige geluidshinder, zodat het woonklimaat van tweede verzoekende partij ernstig wordt aangetast. Onderhavige inrichting is een graanmaalderij met ernstige stofverspreiding tot gevolg (zie stuk 12, met klachten van de omwonenden). De bijgevoegde foto’s werden genomen van op het terras van tweede verzoekende partij. Tweede verzoekende partij wordt dan ook dagelijks blootgesteld aan stofhinder. Verzoekende partij is verplicht om de ramen aan de kant van het bedrijf continu toe te houden, zoniet ligt het interieur van tweede verzoekende partij volkomen onder het stof (meel) (stuk 15). VII-34.109-5/10 Voormelde ernstige nadelen vloeien ontegensprekelijk voort uit het bestreden besluit aangezien met het bestreden besluit een vergunning wordt afgeleverd voor het verder exploiteren en uitbreiden van het bedrijf". 2.1.2.
  19. De verwerende partij stelt daar het volgende tegenover : "
  20. De verzoekende partijen beweren ernstige en moeilijk te herstellen geluidshinder te ondervinden uit oorzaak van de werking van het bedrijf zelf, en uit oorzaak van het verkeer van vrachtwagens in de Tolpoortstraat. De tweede verzoekende partij klaagt daarenboven (dat) die vanuit de maalderij haar woning binnendringt.
  21. Wat de geluidshinder uit oorzaak van de exploitatie zelf betreft verwijzen de verzoekende partijen naar uw schorsingsarrest nr 120.126 van 04 juni
  22. Hun toelichting met betrekking tot het beweerde MTHEN is beknopt, en verwijst naar het akoestische onderzoek van juni 2001, dat vrij drastische overschrijding van de geluidsvoorwaarden vaststelde. Uw Raad noemde de hinder ernstig omdat hij dag en nacht, ook tijdens het week-end in het aanpalende woongebied wordt ervaren, en moeilijk herstelbaar wegens het voortdurende karakter van de verstoring van het woonklimaat. Er is niet de minste discussie over het feit dat het bedrijf op het vlak van de geluidshinder sinds juni 2001 op een ingrijpende wijze werd gesaneerd (cfr supra en de stukken 11 tem 14). De situatie is op vandaag niet meer te vergelijken met deze van vier jaar geleden. De verwerende partij verwijst naar de metingen op MP4, dit is in de slaapkamer van de eerste verzoekende partij op 08 februari 2004 (stuk 12, p. 14/20), waarvan de resultaten herbecijferd zijn in het verslag van 15 februari 2005 (stuk 14). Een objectieve vaststelling is dat de metingen in 2004 geen overschrijding meer vaststellen van de richtwaarden, die in 2001 nog drastisch werden overschreden. De verzoekende partijen betwisten de juistheid van de richtwaarden waaraan de metingen worden getoetst, tevergeefs (cfr supra, nrs 8 en 9). De substantiële verbetering van het geluidsklimaat ten opzichte van de situatie waarover uw Raad heeft geoordeeld in het schorsingsarrest van 04 juni 2003 heeft niet alleen tot gevolg dat het arrest niet als precedent kan gelden. Het moet in eerste orde worden vastgesteld dat de bestreden beslissing niet de oorzaak kan zijn van de geluidshinder die de verzoekende partijen beweren te ondervinden, vermits de beslissing een verbeterde situatie vaststelt en daarenboven voor de toekomst vastlegt. In tweede orde noopt de objectieve verbetering de verzoekende partijen tot een concrete toelichting van de hinder die zij nu nog ondervinden. Uw Raad heeft altijd een bijzonder belang gehecht aan de concrete invulling van het ernstige en moeilijk te herstellen karakter van de beweerde grieven. Nu de verzoekende partijen zich niet meer kunnen steunen op objectieve overschrijdingen van richtwaarden voor het geluid bij nacht -over de overschrijding bij dag en ‘s avonds wordt niet geklaagd- is het uitgangspunt dat de hinder in principe tot een aanvaardbaar niveau is herleid, en niet van die aard is dat hij ernstig en moeilijk te herstellen is. Zelfs een lichte overschrijding van richtwaarden zou niet ipso facto tot de vaststelling van een ernstige hinder kunnen leiden. De metingen die op MP4 in de slaapkamer van de eerste verzoekende partij werden gedaan gebeurden met open raam. Zelfs al mag men veronderstellen dat men gedurende bepaalde seizoenen met het raam open slaapt, dan nog moet het niet worden aangenomen dat het slapen met open vensters de regel is. Het gewone geluidsisolerende effect van een gesloten venster doet met zekerheid vaststellen dat er geen slaapverstorende geluidshinder kan zijn. De waarneming VII-34.109-6/10 van de in het station van Deinze passerende treinen in de metingen, gedaan bij open raam, bevestigen dit. De brief van de afdeling Milieuinspectie van 12 januari 2005 wordt verkeerd gelezen. Hij stelt een specifiek geluid in het meetpunt MP4 van 45 dB(A) vast voor de nachtperiode -wat wordt beschouwd als gelijk aan de richtwaarde voor bestaande inrichting-, maar specifieert niet dat de metingen met open venster gebeurden. Het kan niet worden aanvaard, en het is minstens zeer ongenuanceerd, om te stellen dat het met open venster gemeten geluidsniveau geen aanvaardbare kwaliteit van de woonomgeving waarborgt. De meting laat niet toe om duidelijk te weten hoe de leefkwaliteit is binnen de woning, wetende dat de vensters meestal gesloten zijn. De uiteenzetting van de verzoekende partijen over het MTHEN is in hoofdorde gesteund op informatie die haar actualiteit heeft verloren, is op geen enkele wijze concreet en wordt al te faciel gesteund op het niet meer bruikbare precedent van het arrest nr 120.
  23. De hinder uit verkeer van vrachtwagens treft de tweede verzoekende partij, en niet de eerste. De hinder wordt toegelicht aan de hand van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 24 augustus 2000, en er wordt, alweer faciel, gezegd dat het vrachtverkeer na de uitbreiding van het bedrijf per evidentie hoger zal liggen dan een gemiddelde van 50 vrachtwagens per dag. De vermeerdering is niet evident, omdat al eerder aan het laden en lossen beperkingen werden opgelegd, concreet ‘s morgens, en het zakkentransport in de eerstkomende tijd wordt verhuisd. Daarenboven werd met betrekking tot het transport over het water en over de weg een haalbaarheidsstudie opgelegd. Er is geen verkeer tijdens de avond, de nacht, en het week-end. De vrachtwagens vermengen zich inderdaad met het gebruikelijke stedelijke verkeer, dat in de Tolpoortstraat sowieso druk is, omdat dit de belangrijkste winkelstraat van Deinze is, er scholen liggen, en het ondanks de winkelfunctie de belangrijkste interne verkeersas van de stad is. De vraag is dus of de verkeershinder uit oorzaak van het vrachtverkeer voor de exploitatie een zodanige verergering van de al aanwezige verkeershinder uitmaakt dat deze verergering op zichzelf als ernstig moet worden beschouwd. De tweede verzoekende partij geeft daarover geen enkele toelichting. Een niet-ernstige verergering is in geen geval moeilijk te herstellen.
  24. De tweede verzoekende partij - niet de eerste - ondervindt ook hinder uit oorzaak van stof. Dit probleem wordt voor het eerst aangemeld, en wordt in geen geval voldoende toegelicht. Foto’s bewijzen niets. Het is niet geweten wanneer ze zijn genomen, hoe lang de vensters open stonden, welke de invloed is van de windrichting (de tweede verzoekende partij woont in een gunstige richting, dit wil zeggen ten zuidwesten van het bedrijf), enz.. De ernst van de hinder kan in de gegeven omstandigheden niet worden aangenomen, en uiteraard is hij ook niet te beschouwen als moeilijk te herstellen". 2.1.2.
  25. De tussenkomende partij laat het volgende gelden : "De verzoekende partijen dienen overeenkomstig artikel 17, §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk en ernstig te herstellen nadeel kan berokkenen. Vooreerst moet vastgesteld worden dat verzoekende partijen bijna twee maanden hebben gewacht om een verzoekschrift tot schorsing van VII-34.109-7/10 tenuitvoerlegging in te dienen bij uw Raad van State. Een dergelijk lange periode is onverzoenbaar en onverenigbaar met de bewering van verzoekende partijen dat zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijden. Door zolang te dralen met het indienen van haar verzoekschrift tot schorsing relativeren verzoekende partijen meer bepaald zelf de ernst van het door hen beweerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Dit is in het bijzonder het geval voor eerste verzoekende partij, die reeds eerder het ministerieel vergunningsbesluit van 22 augustus 2002 heeft aangevochten voor uw Raad van State. In die omstandigheden kan uw Raad van State het door verzoekende partijen ingeroepen moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet ernstig nemen en dient derhalve het beroep van verzoekende partijen op de procedure van het administratief kort geding te worden afgewezen. Tevens mag daarbij ook nog worden opgemerkt dat geen van de verzoekende partijen een administratief beroep indiende tegen het eerdere besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Oost-Vlaanderen dd. 24 augustus 2000, waarbij aan verzoekster tot tussenkomst een vergunning voor twintig jaar werd verleend. Evenmin kwamen verzoekende partijen op tegen de vergunning op proef dd. 23 maart
  26. Het is dan ook zonder meer bevreemdend dat verzoekende partijen precies nu beweren een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te zullen lijden, nadat verzoekster tot tussenkomst precies naar aanleiding van de eerdere vergunningsbesluiten van 24 augustus 2000 en 23 maart 2001 een omvangrijk saneringsprogramma heeft uitgevoerd, met onmiskenbaar gunstig resultaat in het verder terugdringen van de hinderaspecten en milieu-impact van haar exploitatie. Verzoekende partijen verwijzen ook ten onrechte naar het evaluatieverslag van de Afdeling Milieu-inspectie dd. 12 januari 2005 : '(...) Een stabiel en constant geluidsdrukniveau van 45 dB(A) veroorzaakt door industrielawaai en gemeten op slaapkamerniveau is niet van aard een aanvaardbare kwaliteit van de woonomgeving te waarborgen'. Deze interpretatie van de geluidsstudie 'Opvolging saneringsplan deel 2' dd. 16 februari 2004 is te vergaand en geenszins in overeenstemming met de eigenlijke inhoud en conclusies van de studie zelf op dit punt : '(...) dat het specifiek geluid gedurende de nachtperiode zodoende 45 db5A) bedraagt (inclusief tonale correctie,) hetgeen gelijk is met de richtwaarde; dat ook dient opgemerkt te worden dat auditieve waarnemingen in de kamer met gesloten ramen leidden tot het bepalen van een duidelijk hoorbare periodieke geluidsbron in de kamer die lange tijd aanhoudt en die binnen goed waarneembaar is; dat dit de passerende treinen door Deinze betreft die telkens gedurende enkele minuten het geluidsdrukniveau in de kamer doen stijgen'. De beweringen inzake geluidshinder van verzoekende partijen houden ook geenszins stand in het licht van het verslag van het recente -onaangekondigde- plaatsbezoek door de vertegenwoordiger van de Afdeling Milieuvergunningen (blz. 14 bestreden beslissing) : 'Overwegende dat tijdens het plaatsbezoek van een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen kon vastgesteld worden dat de inrichting, in volle exploitatie, buiten het bedrijfsterrein niet hoorbaar was; dat er wel geluid op te merken viel van de vrachtwagens, doch niet van de maalderij; dat achteraan op het terrein bij het lossen van de boot het geluid van de filter hoorbaar was, dat aan de overkant van de Leie (volgens de geluidsstudie het meest kritische punt) dit geluid niet kon opgemerkt worden'. Ook de ingeroepen beweerde ernstige hinder inzake vrachtverkeer is geenszins te beschouwen als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, VII-34.109-8/10 integendeel. De bestreden beslissing bevat dienaangaande op blz. 13 onder meer de volgende relevante overweging : 'Overwegende dat er door de exploitant een overzicht met uitgevoerde geluidsbeheersingsmaatregelen werd overhandigd; dat deze werd bijgewerkt op 2 februari 2005; dat het een document van 7 pagina's saneringsmaatregelen betreft; dat deze allen werden uitgevoerd; dat het Slingstation in oktober 2004 werd stilgelegd; dat tegen april 2005 ook de zakgoed verlading zal verplaatst worden naar de industriezone; dat dit laatste concreet betekent dat de vertrekuren zakkenwagens en het rijden van de vrachtwagens voor de verlading op de koer 's morgens vroeg nog zal wegvallen'. Deze verplaatsing van de zakgoed verlading is ondertussen een feit. Ook de beweringen van tweede verzoekende partij inzake dagelijkse blootstelling aan stofhinder (meel) overtuigen geenszins. Dergelijke hinder werd geenszins officieel vastgesteld (bijvoorbeeld via een PV). Ook de vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen heeft hierover geen opmerkingen gemaakt in het kader van zijn recente plaatsbezoek, terwijl nochtans op dat ogenblik de inrichting 'in volle exploitatie' was (blz. 14 bestreden beslissing). Verzoekende partijen tonen derhalve allerminst aan dat zij door de tenuitvoerlegging van de definitieve milieuvergunning dd. 4 april 2005 een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijden of zullen lijden. De vordering tot schorsing van tenuitvoerlegging dient derhalve afgewezen te worden als ongegrond". 2.1.2.
  27. De uiteenzetting van de verzoekende partijen overtuigt, mede in het licht van het ernstig bevinden van het eerste middel, dat juist betrekking heeft op de beoordeling van het respecteren van de geluidsnormen. De vergunning op proef eiste dat aan de hand van een akoestisch onderzoek werd aangetoond dat de inrichting voldoet aan de norm gesteld door artikel 4.5.3.1, § 3 van Vlarem II. Het laatste beschikbaar akoestisch onderzoek heeft bij het slaapkamerraam van eerste verzoeker een specifiek geluid van de inrichting gemeten van 45 dB(A), wat in het voor de exploitant meest gunstige uitgangspunt een overschrijding van de norm met 5 dB(A) betekent. Een overschrijding van de geluidsnorm met minstens 5 dB (A) is geen geringe overschrijding. Ook de toename van het vrachtverkeer in de onmiddellijke omgeving, als gevolg van de uitbating, kan worden beschouwd als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. De ernst van dat nadeel wordt niet ontkracht omdat de vordering op het einde van de beroepstermijn zou zijn ingesteld. Van een verzoeker die een vordering tot schorsing instelt wordt verwacht dat hij ernstige middelen en een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in zijn verzoekschrift ontwikkelt en hij mag in beginsel geen nieuwe gegevens tijdens het verdere verloop van de rechtspleging aanbrengen. De verzoeker moet dan ook over de volledige wettelijk vergunde termijn beschikken zodat hij zijn vordering zo accuraat mogelijk kan formuleren, VII-34.109-9/10 BESLUIT: Artikel
  28. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 4 april 2005 waarbij na een vergunning op proef aan de n.v. DOSSCHE MILLS & BAKERY definitief de vergunning wordt verleend om een vergunde graanmaalderij, gelegen te 9800 Deinze, Tolpoortstraat 40, verder te exploiteren en te veranderen door wijziging en uitbreiding. Artikel
  29. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel
  30. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart tweeduizend en zes, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. E. BREWAEYS. VII-34.109-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.449 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.151 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.494 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.