← België

Arrest 156450 - - 16/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.450 Rolnummer: A. 168419/VII-35080 Zaak: Arrest 156450 - - 16/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-29 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 14:01 Fiche Arrest nr 156.450 van 16 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.450 van 16 maart 2006 in de zaak A. 168.419/VII-35.080. In zake : Paul GABRIËL, die woonplaats kiest bij Advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 8 b tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-84. tussenkomende partij : Rik VERVAEKE, die woonplaats kiest bij Advocaat K. HELSEN, kantoor houdende te LEUVEN, Diestsevest 113. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Paul GABRIËL op 7 december 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 10 oktober 2005, houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van 14 april 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen, houdende het weigeren van de milieuvergunning na proef aan Rik VERVAEKE om een inrichting te 8540 Deerlijk, Kerkstraat 99, te exploiteren; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; VII-35.080-1/16 Gelet op de beschikking van 23 januari 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 23 februari 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. VAN HEUVEN, die verschijnt voor verzoeker, van Advocaat J. DE CONINCK die, loco Advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat K. HELSEN, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad van State de zaak als volgt beoordeelt : 1. De tussenkomst Met een verzoekschrift van 27 december 2005 heeft Rik VERVAEKE, houder van de bestreden vergunning, gevraagd om in het administra- tief kort geding te mogen tussenkomen. Dit verzoek kan worden ingewilligd. 2. De feiten 2.1. Verzoeker woont te Deerlijk in de Bouckaertstraat nr. 7. Het perceel waarop deze woning is gevestigd grenst aan de achterzijde aan het perceel waarop de kippenstallen van tussenkomende partij gevestigd zijn. Deze stallen bevinden zich op een afstand van 4 meter van de perceelsgrens en op 30 meter van de woning van verzoeker. Zowel de stallen van de tussenkomende partij als de woning van verzoeker liggen in agrarisch gebied volgens het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde gewestplan Kortrijk. 2.2. Op 30 december 1977 leverde de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een vergunning af aan de vader van de VII-35.080-2/16 tussenkomende partij voor het exploiteren van een gemengd bedrijf met o.m. 35.000 kippen. 2.3. De tussenkomende partij heeft midden de jaren ‘80 de exploitatie van het bedrijf (kippenfokkerij) overgenomen. Ingevolge een aanvraag om de vergunning te hernieuwen besliste de bestendige deputatie op 17 november1988 vergunning te verlenen voor o.m. het houden van 35.000 kippen en een stal voor 20 varkens en 20 runderen, evenwel voor een termijn van slechts vijf jaar, en dit om de exploitant de mogelijkheid te bieden "om zijn inrichting over te brengen naar een geschikte plaats". Het beroep tegen deze beslissing werd afgewezen bij ministerieel besluit van 14 maart 1991. 2.4. Bij het verstrijken van de vergunningstermijn werd opnieuw een aanvraag tot hernieuwing ingediend, waarbij het aantal kippen in de aanvraag beperkt werd tot 28.000 en waarbij tevens afgezien werd van de verdere uitbating van de stal gelegen in woongebied (de drie andere stallen liggen in agrarisch gebied). Op 19 augustus 1993 verleende de bestendige deputatie de gevraagde vergunning (o.m. 28.000 kippen en 20 runderen), evenwel voor een termijn van slechts tien jaar omdat "het om een oude inrichting gaat die geleidelijk ingesloten raakt door woningen". Als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat binnen de vijf jaar een degelijker wintervast groenscherm moest aangelegd worden en dat de drie stallen moesten voorzien worden van degelijke stof- en reukfilters. Tegen deze beslissing werd beroep aangetekend door verzoeker. Dit beroep werd verworpen op 14 februari 1994. 2.5. Op 3 januari 2003 dient de tussenkomende partij een aanvraag in tot (o.

  1. m)hernieuwing van de vergunning verleend voor het houden van 28.000 kippen. Op 24 april 2003 beslist de bestendige deputatie een vergunning op proef voor twee jaar te verlenen, waarbij tevens het aantal kippen op grond van de aanvaardbare mestproductie beperkt wordt tot 23.886 kippen en waarbij de gevraagde 20 runderen geweigerd worden. Als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat de exploitant binnen de maand na het verkrijgen van de vergunning een detailplan moet opmaken met aanduiding van het gedeelte van de stal dat buiten gebruik zal gesteld worden, en dat de in de milieuvergunning van 19 augustus1993 opgelegde bijzondere voorwaarden van kracht blijven. Tegen deze beslissing wordt beroep aangetekend door zowel verzoekende als tussenkomende partij. Deze beroepen worden verworpen bij beslissing van 24 oktober 2003. Bij beslissing van VII-35.080-3/16 de bestendige deputatie van 15 juli 2004 wordt de op 24 april 2003 verleende proefvergunning na tussentijdse evaluatie "behouden". 2.6. Bij het aflopen van de proefvergunningstermijn beslist de bestendige deputatie op 14 april 2005 de milieuvergunning te weigeren, in essentie omdat er onvoldoende maatregelen genomen werden om de geur- en geluidshinder voor de omgeving te beperken. 2.7. Tegen deze beslissing wordt door tussenkomende partij beroep aangetekend. De Vlaamse Landmaatschappij, de afdeling Monumenten en Landschappen en de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseren gunstig. De afdeling Milieuvergunningen adviseert ongunstig. De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert voorwaardelijk gunstig, met name mits het opleggen van de volgende bijzondere voorwaarden : de exploitant moet een register met hokkaarten bijhouden; de stoffilters moeten regelmatig worden geklopt en gereinigd; de mest moet afgedekt worden in afwachting van ophaling; de strooisellaag moet een DS-gehalte van minimum 60 % hebben en natte zones moeten vermeden worden o.a. door bijstrooien; de poorten van de stallen mogen slechts geopend worden voor verluchting als de stallen leeg en gereinigd zijn. Bij brief van 17 augustus 2005 laat de tussenkomende partij aan de afdeling Milieuvergunningen weten dat er intussen milieukokers werden geplaatst, die een beperking van de geuremissie en ook van de geluidshinder tot gevolg hebben, en tevens dat er nieuwe geluidsarme ventilatoren werden geplaatst. Op verzoek van tussenkomende partij werd op 14 september 2005 ook nog een geluidsstudie uitgevoerd. 2.8. Op 10 oktober 2005 beslist de verwerende partij het beroep van de tussenkomende partij gegrond te verklaren en milieuvergunning te verlenen voor een termijn van twintig jaar voor (o.a.) de exploitatie van stallen met plaatsen voor 23.886 kippen en de opslag van 100 m³ dierlijke mest. Tevens worden de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie opgelegd. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : "Gelet op de ligging van de inrichting, deels in een agrarisch gebied (de stallingen voor runderen en pluimvee en mestopslagplaats) en deels in een VII-35.080-4/16 woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter (de woning en opslagruimten), volgens het gewestplan Kortrijk, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 4 november 1977; Gelet op het feit dat de stallen gelegen zijn op een afstand van : - ± 3 meter van een woongebied ander dan woongebied met landelijk karakter; - ± 400 meter van een woongebied met landelijk karakter; - ± 1.180 meter van een woonuitbreidingsgebied; - ± 1.400 meter van een verblijfsrecreatiegebied; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat het voorwerp van onderhavige aanvraag het beroep van de exploitant betreft tegen het weigeren van de definitieve vergunning na proef voor het verder exploiteren van een kippenfokkerij; Overwegende dat de inrichting vergund was tot 19 augustus 2003 voor het exploiteren van een rund- en kippenfokkerij; dat de exploitant een hernieuwing van de vergunning heeft aangevraagd; dat de exploitant een vergunning op proef gekregen heeft voor twee jaar omwille van de problematiek van geluids-, geur- en stofhinder; dat een erkend deskundige in mei 2004 de problematiek in de stallen heeft geëvalueerd; dat op basis hiervan actiepunten voor de exploitant werden geformuleerd; dat in november 2004 de deskundige het bedrijf een bezoek heeft gebracht om te controleren of de actiepunten werden nageleefd; Overwegende dat de actiepunten gedeeltelijk werden uitgevoerd; dat er enkele praktische problemen waren zoals de arbeidsintensiteit van het kloppen en reinigen van de stoffilters en de verhoogde stress bij de dieren door deze manipulaties; dat de exploitant tijdens het horen in de zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie verklaarde nog de resterende actiepunten (geluidsarme ventilatoren, verplaatsen van de ronddrinkers) ook uitgevoerd te hebben, met uitzondering van het plaatsen van de milieukokers omwille van de investeringskost; Overwegende dat de afdeling Milieu-inspectie op 9 september 2004 en 15 september 2004 geluidsmetingen heeft uitgevoerd; dat er een overschrijding van de richtwaarden is vastgesteld; dat de streefwaarde voor de dag met 2,9 dB(A) was overschreden; dat de streefwaarde voor 's avonds met 5,2 dB(A) werd overschreden; dat als deze waarde ‘s nachts aangehouden wordt er een overschrijding van 10,2 dB(A) te verwachten valt; dat een factuur van 30 juni 2005 aantoont dat de exploitant geluidsarme ventilatoren heeft geplaatst; dat er sindsdien nog geen controlegeluidsmetingen gebeurd zijn; Overwegende dat de afdeling Milieu-inspectie op 17 november 2004 een klacht heeft binnen gekregen van geurhinder; dat een inspecteur van de afdeling Milieu-inspectie op 23 november 2004 geurhinder heeft vastgesteld; dat dit te wijten was aan het feit dat er ongereinigde stallen (zonder kippen) open stonden om te verluchten; dat de kippen net afgevoerd waren naar het slachthuis; dat een factuur van 31 mei 2005 aantoont dat de exploitant 20 milieu-kokers heeft geïnstalleerd op de stallen; dat deze geïnstalleerd werden na het verlopen van de proefvergunning; Overwegende dat gesteld kan worden dat de geluidsproductie zal verminderd zijn met het vervangen van de ventilatoren door lawaaivriendelijke ventilatoren; dat de milieukokers een geluidsdempende werking hebben; dat uit het verslag van de erkend deskundige ook blijkt dat dit de hinder door stof zal verminderen; Overwegende dat volgens de erkend deskundige de geurhinder afkomstig is door een te lage droge stof-gehalte (%DS) in de strooisellaag; dat rond een van de drinkers een DS van 49,5 % werd gemeten; dat het volgens de erkend deskundige opportuun is het DS-gehalte van het strooisel boven de 60 % te houden; dat de geurhinder vastgesteld door de inspecteur van de afdeling VII-35.080-5/16 Milieu-inspectie het gevolg was van het ventileren van niet-gereinigde stallen; dat er geen geurhinder vastgesteld zou zijn als de poorten gesloten waren of als de stallen gereinigd waren vooraleer de poorten geopend werden; Overwegende dat de exploitant geluidsmetingen heeft laten uitvoeren door een erkend deskundige; dat op basis van deze metingen uitgevoerd door de erkend deskundige van Avitech Acoustics bvba een rapport met kenmerk A.0509.2218A werd opgesteld; dat de ventilatoren manueel op hun maximale capaciteit werden gezet; dat in drie meetpunten geluidsmetingen werden uitgevoerd : - P1 : Bouckaertstraat 7 (klager) - agrarisch gebied; - P2 : Kerkstraat 101 (woning Rik Vervaeke) - woongebied; - P3 : Groenstraat 27 - agrarisch gebied; dat Lsp in P1, P2 en P3 respectievelijk 32 dB(A), 31 dB(A) en 29 dB(A) bedraagt; dat in deze omstandigheden er in meetpunt P1 's nachts een overschrij- ding is met 2 dB(A); Overwegende dat de exploitant verklaarde dat de ventilatoren 's nachts niet op hun maximale capaciteit staan; dat 's nachts het geluid afkomstig van de ventilatoren lager zal liggen dan overdag omdat het 's nachts koeler is; dat de effectieve waarden lager zullen liggen dan de gemeten waarden; Overwegende dat de inrichting van de heer Vervaeke als bestaand beschouwd wordt; dat overeenkomstig schema 4.5.6.2 van bijlage 4.5.6 van titel II van het Vlarem (voorwaarden in open lucht voor bestaande inrichtingen) er geen maatregelen opgelegd dienen te worden voor deze inrichting; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep gegrond te verklaren, de bestreden beslissing op te heffen en de vergunning te verlenen". 3. In rechte 3.1. De schorsingsvoorwaarden Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.2. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 3.2.1. De standpunten van de partijen 3.2. 1.1. Verzoeker zet, met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, het volgende uiteen : VII-35.080-6/16 "1. Nadat de kippenkwekerij van de heer Vervaeke een hele tijd stil heeft gelegen, wordt zij thans heropgestart. Dit is slechts mogelijk ingevolge de bestreden beslissing. 1. Verzoeker kan een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel doen gelden : • Verzoeker benadrukt dat hij woont in zijn ouderlijk huis, en dus in de woning verbleef op een ogenblik dat er van de kippenfokkerij van de heer Vervaeke nog geen sprake was; • De kippenstallen zijn gelegen op slechts vier meter van de perceelsgrens; • De woning van verzoeker is gelegen op amper dertig meter van de kippenkwekerij (zie stuk 1 ); • Verzoeker verzet zich reeds sedert jaar en dag tegen de kippenfokkerij van de heer Vervaeke die bijzonder veel hinder veroorzaakt (zie stukken 7); • De kippenkwekerij veroorzaakt een bijzonder zware geurhinder, in het bijzonder in de zomer. Ook het schoonmaken van de stallingen veroorzaakt steeds een bijzonder zware stank. Bij de reiniging worden zeer sterke ontsmettingsmiddelen gebruikt, die op zichzelf ook al een onaangename geur verspreiden. Soms kan verzoeker dagen na elkaar geen venster of deur openen om het huis te luchten, in afwachting van een wijziging van windrichting. Ook bij de mestoverladingen doet zich een bijzonder zware geurhinder voor; • Daarnaast is er ernstige geluidshinder ten gevolge van de ventilatoren. Het is niet uitzonderlijk dat gedurende de laatste weken van een kweekperiode de ventilatoren praktisch ononderbroken draaien gedurende dag en nacht. Benevens de ventilatoren is er ook nog het geluid veroorzaakt door het laden en lossen dat dikwijls gebeurt in de avondlijke uren. De combinatie van op volle toeren draaiende ventilatoren, de vrachtwagens, het rondrijden van de heftruck die volle gas moet geven om de zwaargeladen bakken te vervoeren en het stapelen van de metalen bakken veroorzaken een bijzonder ernstige geluidsoverlast (zie onder meer het proces-verbaal van verhoor dd. 23 mei 2002, stukken 7); • Daarnaast komen er talrijke insecten (in het bijzonder dikke bromvliegen) af op de mest, hetgeen ook hinderlijk is voor de leefomgeving van verzoeker. • Daarnaast is er de evidente stofhinder, in het bijzonder wanneer de wind waait uit zuidwestwesten richting; • Nog is er het veiligheidsaspect. Enerzijds geeft verzoeker toe dat hij ongerust is door een concentratie van kippen in zijn onmiddellijke omgeving, gelet op de dreiging van de vogelpest. Anderzijds veroorzaakt de mest ook heel wat dampen, die ongezond zijn, zijnde ook de hoge concentraties aan ontsmettingsmiddelen, die eveneens een gevaar kunnen opleveren voor de gezondheid en zijn er tenslotte nog de stofpartikels. • Verzoeker wijst ook nog op volgende recente metingen : - Door de afdeling Milieu-inspectie werden op 9 september 2004 en 15 september 2004 geluidenmetingen uitgevoerd, waarbij een overschrijding van de richtwaarden is vastgesteld. De overschrijding was overdag 2,9 dB(A) en 's nachts zelfs 5,2 dB(A). Als deze waarde 's nachts aangehouden zou worden, zou er zelfs een overschrijding zijn van 10,2 dB(A). Het gaat hier om een uitermate substantiële overschrijding der normen. - Maar zelfs in het rapport van Avitech, ten verzoeke van de heer Vervaeke zelf opgesteld, met een lege kippenstal en na saneringsmaatregelen werd een overschrijding vastgesteld 's nachts met 2 dB(A). Dit is, verzoeker herhaalt, een overschrijding van de geluidsnormen met bijna 60%! - De Milieu-inspectie heeft zelf op 23 november 2004 geurhinder vastgesteld, te wijten aan het feit dat er ongereinigde stallen (zonder kippen) openstonden om te verluchten. VII-35.080-7/16 - Nog heeft een erkend deskundige vastgesteld dat de geurhinder afkomstig is door een te lage droog stof-gehalte in de strooisellaag. Al deze metingen zijn een feit. Daartegenover staat de loutere verklaring van de heer Vervaeke zelf dat door de saneringsmaatregelen de hinder onder de wettelijke normen zou komen. Daarvan wordt evenwel niet het minste bewijs geleverd. 3. Verzoeker, die sedert meer dan twintig jaar geconfronteerd wordt met zeer ernstige milieuhinder, die ook telkenmale onderkend werd door de bevoegde overheden en deskundigen, dreigt door de bestreden beslissing opnieuw geconfronteerd te worden met dezelfde hinder. Zulks maakt in zijn hoofde ontegensprekelijk een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel uit". 3.2.1.2. De verwerende partij stelt daar tegenover het volgende : "1. Met betrekking tot de tweede in paragraaf 2 van artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vermelde schorsingsvoorwaarde argumenteert verzoeker dat hij woont in diens ouderlijk huis, waarbij de kippenstallen waarvan sprake 'op slechts vier meter van de perceelsgrens' verwijderd zijn, en zijn woning zich op 'amper dertig meter van de kippenkwekerij' bevindt. Volgens verzoeker doet zich zware geurhinder voor tijdens het reinigen van de stallen en het overladen van de mest. Bovendien zou er ernstige geluidshinder zijn afkomstig van de ventilatoren. Deze hinder zou versterkt worden 'door het laden en lossen dat dikwijls gebeurt in de avondlijke uren'. Tevens zou er hinder zijn van insecten en van stof. Tot slot is verzoeker ongerust omwille van de 'dreiging van de vogelpest'. 2. De verzoekende partij slaagt er niet in aannemelijk te maken dat het nadeel dat zij beweert te lijden, bovendien ook ernstig is. De uitgevoerde actiepunten door de exploitant, hebben er toe geleid dat, zelfs ingeval van het draaien van de ventilatoren op een maximale capaciteit, hetgeen 's nachts onnodig is, de geluidshinder voor verzoeker beperkt is. Het volstaat niet dat er een overschrijding van de richtwaarde is, om ook te stellen dat zulks als een ernstig nadeel dient beschouwd te worden. In het onmogelijke geval dat de ventilatoren 's nachts (na 22 uur en voor 7 uur) op volle capaciteit dienen te draaien, quod non, is nog slechts een overschrijding van de richtwaarde met 2 dB(A) vastgesteld. Dergelijke overschrijding lijkt evenwel uitgesloten, nu vastgesteld werd dat de effectieve waarden ongetwijfeld lager zullen liggen. Bovendien, zelfs al zouden de ventilatoren uitzonderlijk op maximale toeren dienen te draaien, zal zulks slechts héél zelden het geval zijn, met name enkel in het putje van de zomer. Van een doorlopende overschrijding van de richtwaarde ' s nachts is alleszins geen sprake, zodat het nadeel voortspruitende uit de lawaaihinder geenszins ernstig kan zijn. De verzoekende partij brengt ten andere géén enkel concreet gegeven waaruit zou blijken dat er ernstige geluidsoverlast is ten gevolge van de exploitatie. Er werden geen klachten geformuleerd, er werd geen briefwisseling gevoerd, noch legt verzoeker medische rapporten of objectieve vaststellingen van een gerechtsdeurwaarder voor. Intussen zijn zelfs nog een hele resem maatregelen genomen dewelke de potentiële geluidshinder verder terugdringen. Dat deze VII-35.080-8/16 doeltreffend zijn blijkt uit een vergelijking tussen de op 14 september 2005 door Avitech uitgevoerde metingen, en deze voordien uitgevoerd door het bestuur Milieu-inspectie. Vanwege de andere omwonenden werd nooit enige klacht vastgesteld. In casu heeft de verzoekende partij geopteerd om te gaan wonen in een gebied palend aan agrarisch gebied, zodat zij geacht dient te worden een hogere tolerantie te vertonen ten opzichte van hinder die voortkomt uit een normale uitbating van een landbouwbedrijf. De argumentatie dat het vervoer ingevolge lossen en laden evenzeer bijkomende geluidshinder zou veroorzaken, kan niet worden gevolgd, nu overdag en in de avond, de gemeten waarden beduidend onder de richtwaarde blijven. De geluidshinder als dusdanig kan geenszins worden weerhouden als zijnde een ernstig nadeel veroorzakend. Van geurhinder kan al evenmin sprake zijn. Hier werd slechts één enkele klacht ingediend. De toen vastgestelde geurhinder werd veroorzaakt door het laten openstaan van deuren ter verluchting van niet gereinigde lege stallen. Thans voorziet de minister in een bijkomende bijzondere voorwaarde die dergelijke handelen verbiedt, zodat deze hinder zich niet langer kan voordoen ingeval van een correcte naleving van de vergunningsvoorwaarden. Bovendien werden ook voor de beperking van de eventuele geurhinder, een hele resem maatregelen genomen door de exploitant, en heeft de minister nog bijkomende bijzondere voorwaarden opgelegd. Op geen enkele manier staaft verzoeker, laat staan aan de hand van stukken, dat er geurhinder zou zijn, a fortiori ernstige hinder die hem een ernstig nadeel doet lijden. De beweringen inzake de dreiging met vogelpest zijn niet aan de orde, nu het pluimvee van de exploitant niet buiten loopt. De aanwezigheid van stof en insecten wordt op geen enkel manier objectief gestaafd. Derhalve toont verzoeker niet aan dat hij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt. Het verzoek tot schorsing dient, bij gebreke aan aangevoerde ernstige middelen, en bij gebreke aan moeilijk te herstellen ernstig nadeel, afgewezen te worden". 3.2.1.3. De tussenkomende partij laat het volgende gelden : "Verzoeker beweert een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te lijden als gevolg van de bestreden beslissing - waardoor het kippenbedrijf van verzoeker in tussenkomst in de toekomst verder kan worden geëxploiteerd - en steunt zich ter motivering van zijn nadeel op volgende feiten : - het huis van verzoeker was er eerder gevestigd dan de kippenkwekerij, - de kippenstallen zijn slechts op 4 meter van de perceelsgrens gelegen, - de woning van verzoeker bevindt zich op amper 30 meter van de kippenkwekerij, - verzoeker verzet zich reeds lang tegen de exploitatie van het kippenbedrijf, - de kippenexploitatie veroorzaakt een bijzonder zware geurhinder, vnl. in de zomer, - er is ernstige geluidshinder, vnl. ten gevolge van de werking van de ventilatoren en van de werkzaamheden op het bedrijf, - verzoeker stelt last te hebben van insecten, - er is evidente stofhinder, VII-35.080-9/16 - verzoeker stelt bezorgd te zijn omtrent het veiligheids- en gezondheidsaspect van een kippenexploitatie op zo'n korte afstand van zijn woonhuis, - verzoeker maakt tenslotte melding van enkele vaststellingen die inzake geur en inzake geluid zijn gedaan en die wijzen op ernstige hinder. Hoger genoemde feiten zouden volgens verzoeker op voldoende wijze het ernstige nadeel in zijnen hoofde moeten staven, doch dit is geenszins het geval. Het gaat immers hoofdzakelijk om beweringen vanwege verzoeker die op geen enkele manier worden gestaafd, aangetoond of bewezen. Daarbij dient in eerste instantie opnieuw de ligging van het bedrijf te worden benadrukt t.o.v. de ligging van het woonhuis van verzoeker (stuk 18). Alle stallen die zich op het bedrijfsterrein van verzoeker in tussenkomst bevinden en die in gebruik zijn - zijnde de 3 stallen die zich achter het perceel van verzoeker bevinden - zijn gesitueerd in het agrarisch gebied, of m.a.w. de geëigende zonering van het gewestplan die precies voorzien is voor de vestiging van land- en tuinbouwbedrijven! Het woonhuis van verzoeker daarentegen is tevens in het agrarisch gebied gelegen, waardoor het alleszins een zonevreemde woongelegenheid betreft, daargelaten het feit of verzoeker over de nodige stedenbouwkundige vergunningen beschikt. Het agrarisch gebied is immers niet bestemd tot zuiver particuliere bewoning, doch de bestemmingsvoorschriften van art. 11.4.1 van het KB. van 28.12.1972 betreffende de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen behouden deze gebieden voor voor de landbouwbedrijfsgebouwen evenals de woongelegenheid horende bij een landbouwbedrijf. Alleszins dient met dit gegeven terdege rekening te worden gehouden bij de beoordeling van het MTHEN in hoofde van verzoeker. Daaraan moet trouwens toegevoegd worden dat in het kader van het openbaar onderzoek ruim 40 omwonenden werden aangeschreven - wiens woongelegenheden quasi uitsluitend in het woongebied zijn gevestigd - doch verzoeker de énige is die bezwaar heeft ingediend. Verzoeker herhaalt meermaals dat zijn woning -tevens de ouderlijke woning- eerder ter plaatse gevestigd was dan het kippenbedrijf van verzoeker in tussenkomst. Daarbij moet alleszins volgende kanttekening worden gemaakt: de woning van verzoeker betreft inderdaad de ouderlijke woonst met dien verstande dat er dermate verbouwd is aan de woning - waar verzoeker trouwens niet ononderbroken woonachtig is geweest - dat het huidige bouwvolume ongeveer 4 keer groter is dan de oorspronkelijke woning. Verzoeker in tussenkomst is trouwens in het ongewisse omtrent het feit of voor deze verbouwingen en overige constructies die zijn opgericht de noodzakelijke stedenbouwkundige vergunningen voorhanden zijn (gelet op hun ligging in agrarisch gebied). Op het ogenblik dat verzoeker zijn ouderlijke woning heeft verbouwd tot de huidige landelijke villa, was het kippenbedrijf reeds geruime tijd in uitbating zodat verzoeker perfect wist dat de kippenstallen op slechts 4 meter van de perceelsgrens zijn ingeplant èn dat de afstand van zijn woning tot de stallen slechts 30 meter bedraagt. Overigens dient gewezen te worden op het feit dat verzoeker in tussenkomst - ingevolge de bijzondere voorwaarde opgelegd in de milieuvergunning van 1993 - een zeer ruim groenscherm heeft aangelegd dat op dit ogenblik ongeveer 3 meter dik is en ruim 5 meter hoog is opgeschoten (zie foto's bijgevoegd in stuk 18). Net dit groenscherm maakt een wezenlijke afscheiding uit tussen ez. de kippenstallen en az. het woonhuis van verzoeker. VII-35.080-10/16 Verzoeker beweert verder zware overlast te lijden door geur-, stof- en geluidshinder veroorzaakt door de kippenexploitatie. Hij beweert reeds jarenlang deze vormen van hinder te moeten ondergaan. Niettemin zijn de vaststellingen die dienaangaande worden vermeld, uiterst miniem. Wat betreft de geluidshinder wordt uitsluitend melding gemaakt van de door Milieu-inspectie gedane geluidsmetingen in de loop van 2004 waarbij er een overschrijding van de geluidsnorm werd vastgesteld. Daarbij moeten 2 opmerkingen worden gemaakt. Het komt ez. niet aan verzoeker toe om extrapolaties te maken zonder enige wetenschappelijke onderbouwing ('als deze waarde 's nachts aangehouden zou worden, zou er zelfs een overschrijding zijn van 10,2 dB(A)'). Bovendien dient gewezen op het feit dat er inmiddels geluidsarme ventilatoren werden geïnstalleerd op alle 3 de kippenstallen, zodat deze investering alleszins van aard is om het eventueel waargenomen geluidsprobleem in substantiële mate weg te nemen. Verzoeker maakt trouwens zelf melding van de doorgevoerde sanering doch houdt voor dat er nog steeds een overschrijding van de geluidsnormen zou zijn. Bij de uiteenzetting van de ernstige middelen is m.b.t. dit punt de argumentatie opgenomen waarom dit een zuiver theoretische overschrijding uitmaakt - n.a.v. een proef in gesimuleerde bedrijfsomstandigheden die in de praktijk niet voorkomen -die de facto niet zal kunnen vastgesteld worden. Wat de beweerde geurhinder betreft slaagt verzoeker er geenszins in hiervan enig bewijs bij te brengen. Het enige 'bewijs' dat daaromtrent wordt toegevoegd, betreft een vaststelling vanwege Milieu-inspectie op datum van 23.11.2004. Dit betreft een momentopname van geurhinder - dat zoals hoger gezegd vooralsnog een niet-kwantificeerbaar gegeven uitmaakt - op het ogenblik dat de slachtrijpe kippen net zijn opgeladen en er een aanvang werd genomen met de reiniging van de stallen (vandaar het openstaan van de deuren). Hoger werd de werking van een slachtkuikenbedrijf reeds toegelicht. De eensdagskuikens komen toe op het bedrijf en worden gedurende 5,5 à 6 weken opgefokt. De eerste 3 weken zijn de dieren nog te klein om enige geur te veroorzaken. In zomermaanden bij warme buitentemperaturen is het mogelijk dat er tijdens de laatste weken van een kweekronde geur valt waar te nemen, uiteraard mede afhankelijk van de windrichting. Wanneer de slachtrijpe kippen worden opgeladen, wordt onmiddellijk daarna de mest uit de stallen gevoerd naar de silo tegenover de stallen die steeds wordt afgedekt. Binnen de 2 dagen wordt deze mest evenwel opgehaald voor verwerking. Na het opladen van de kippen ligt er dus nooit langer dan 2 dagen mest op het bedrijf. Na het ruimen van de mest heeft trouwens onmiddellijk daaropvolgend de ontsmetting en reiniging van de stallen plaats (1 à 2 dagen werk) waarna er een periode van leegstand van 2 à 3 weken volgt. Uit deze chronologie blijkt ontegensprekelijk dat er slechts zeer sporadisch sprake zal kunnen zijn van geurhinder, met name tijdens de laatste weken van de kweekronde ingeval van hoge buitentemperaturen en uiteraard ook bij het ruimen van de mest gedurende 1 à 2 dagen. Precies op zo'n moment gebeurde de vaststelling vanwege Milieu-inspectie. Voor het overige moet worden vastgesteld dat er geen ènkele andere vaststelling van (overmatige) geurhinder bestaat, niettegenstaande het feit dat verzoeker pretendeert reeds jarenlang hinder te ondervinden. Verzoeker levert evenmin enig bewijs van zijn bewering dat de ernstige milieuhinder die hij reeds meer dan 20 jaar ervaart, als dusdanig ook wordt onderkend door de bevoegde overheden en deskundigen. Waaruit zou dit moeten blijken??? VII-35.080-11/16 Verzoeker in tussenkomst heeft tot op heden steeds geëxploiteerd in het bezit van de wettelijk vereiste milieuvergunning, en stelt zich de vraag waarop verzoeker zich precies steunt om te beweren dat de diverse overheden en deskundigen de waargenomen ernstige milieuhinder hebben bevestigd? Verzoeker in tussenkomst heeft zijn exploitatie de afgelopen 10 jaar reeds in ernstige mate afgeslankt: waar er initieel 36.000 kippen werden gehouden zijn er heden nog slechts ruim 23.000 kippen op het bedrijf aanwezig. Schijnbaar heeft deze aanzienlijke vermindering van de dierpopulatie geen enkel positief effect gegenereerd naar de door verzoeker waargenomen hinder toe, hetgeen zeer bezwaarlijk kan worden aangenomen. Evenmin houdt verzoeker op enigerlei wijze rekening met de diverse inspanningen die verzoeker in tussenkomst zich heeft getroost om zijn exploitatie op een milieuvriendelijke wijze uit te baten, benevens de substantiële vermindering van het aantal dieren: de aanleg van een zeer ruim groenscherm, de werking met geur- en stoffilters, de installatie van geluidsarme ventilatoren evenals milieukokers, ... Ontegensprekelijk zijn al deze maatregelen van aard geweest om het gepercipieerde geurprobleem te elimineren dan wel te beperken, doch verzoeker gaat daaraan volkomen voorbij, en blijft zich uitputten in loze beweringen - die geenszins worden gestaafd - van ernstige milieuhinder. Dat verzoeker op zuiver hypothetische wijze zijn MTHEN verantwoordt, kan nog blijken uit volgende vaststelling. Verzoeker in tussenkomst heeft zijn bedrijf tijdelijk niet uitgebaat in de periode van april tot begin december 2005 bij gebreke aan de vereiste milieuvergunning. Verzoeker heeft precies van deze periode van leegstand gebruik gemaakt om een aantal fundamentele bedrijfsaanpassingen door te voeren (zie ook de data van de facturen van investering) die onmiskenbaar een (zeer) gunstig effect hebben op de aan de exploitant verweten geur- en geluidshinder. Het zijn trouwens voornamelijk deze verregaande inspanningen geweest die er de verwerende partij toe gebracht hebben een definitieve milieuvergunning af te leveren. Niettemin blijft verzoeker beweren, zoals hoger reeds werd aangevoerd, dat er nog steeds in ernstige mate sprake is van geur- en geluidshinder niettegenstaande de gedane inspanningen/investeringen door de exploitant. Verzoeker is echter geenszins bij machte om in de gegeven omstandigheden, rekening houdend met de uitgevoerde investeringen, nog een MTHEN aan te voeren. Immers, het verzoekschrift tot schorsing vanwege verzoeker dateert van 7 december 2005. Uit de in stuk 15 bijgevoegde factuur blijkt dat verzoeker in tussenkomst slechts op 8 december 2005, na 8 maanden van leegstand, een nieuwe ronde mestkippen heeft opgezet, hetgeen meteen de eerste ronde was die in de stallen werd gehouden nàdat de maatregelen werden genomen ter beperking van de aangevoerde geluids- en geurhinder. Bijgevolg is het in hoofde van verzoeker volstrekt onmogelijk om te beweren dat hij een MTHEN lijdt, vermits hij het effect van de gedane inspanningen totaal nog niet heeft kunnen ondervinden op het ogenblik van de opmaak van het verzoekschrift tot schorsing. Het dient trouwens aangestipt te worden dat op het ogenblik dat de geluidsmetingen werden uitgevoerd in de gesimuleerde omstandigheden - met de ventilatoren op maximale capaciteit - verzoeker aan verzoeker in tussenkomst mondeling te kennen heeft gegeven dat hij onmiddellijk kon waarnemen dat er een meer dan aanzienlijke verbetering van het geluidsniveau te onderkennen was. Uit geen enkele concrete vaststelling blijkt dat er zich tijdens de proefperiode van de proefvergunning een ernstig nadeel in hoofde van verzoeker heeft voorgedaan. Daarvan wordt zoals gezegd niet het minste bewijs bijgebracht. VII-35.080-12/16 Verzoeker in tussenkomst wenst voor de volledigheid nog te verwijzen naar de vaststaande rechtspraak van Uw Raad die stelt dat van een burger die zich in een landelijk woongebied vestigt een hogere graad van tolerantie t.a.v. de aldaar veroorzaakte hinder voorkomende uit agrarische activiteiten mag worden verwacht. Dit geldt a fortiori - en wellicht nog meer uitgesproken - voor de burger die zich in het agrarisch gebied vestigt. Deze vaststaande rechtspraak blijft tot op heden volledig overeind. Overigens dient daarbij nogmaals te worden aangestipt dat van alle omwonenden - waarvan de meeste in het woongebied woonachtig zijn - enkel verzoeker - hinder schijnt te ondervinden en deze laatste heeft zich nota bene zèlf in agrarisch gebied gevestigd!". 3.2.2. Beoordeling 3.2.2.1. De woning van verzoeker is zonevreemd gelegen in landbouwgebied, waaruit volgt dat er een hogere tolerantiedrempel geldt voor de hinder afkomstig van landbouwactiviteit. Na het verstrijken van de termijn van de proefvergunning werd de exploitatie stopgezet en werden nog een aantal investeringen uitgevoerd (milieukokers, geluidsarme ventilatoren). Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt door verzoeker echter toegelicht op grond van een feitelijke situatie die naderhand nog gewijzigd werd. De feitelijke toestand is intussen aanmerkelijk gewijzigd. Oorspronkelijk waren er 35.000 kippen (en tevens 20 runderen en 20 varkens) vergund, terwijl het aantal vergunde kippen door de bestreden beslissing beperkt wordt tot 23.886. Ook heeft de tussenkomende partij een aantal investeringen gedaan (o.m. milieukokers geplaatst en geluidsarme ventilatoren) en heeft de verwerende partij een aantal bijzondere voorwaarden opgelegd. Rekening houdende met dit alles kan niet aangenomen worden dat de bestreden beslissing de vergunning verleend heeft ‘ondanks’ de reeds jarenlange aanwezige milieuhinder. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de milieuhinder - in vergelijking met vroeger - in aanzienlijke mate beperkt wordt. 3.2.2.2. Verzoeker poneert zonder meer dat de kippenkwekerij "bijzonder zware geurhinder" veroorzaakt. De geurhinder die een kippenkwekerij ongetwijfeld veroorzaakt, moet in een agrarisch gebied meer getolereerd worden dan in een woongebied. Verzoeker toont niet aan dat die geurhinder overmatig is. De bestreden beslissing legt als bijzondere voorwaarde op dat de deuren van de stallen slechts geopend mogen worden voor verluchting als de stallen leeg en gereinigd zijn. De in het verleden vastgestelde overmatige geurhinder kan zich bijgevolg niet meer voordoen, in ieder geval vloeit hij in voorkomend geval niet voort uit de bestreden VII-35.080-13/16 beslissing. Ook andere bijzondere voorwaarden die door de bestreden beslissing worden opgelegd moeten tot gevolg hebben dat de geurhinder wordt beperkt: de stoffilters moeten regelmatig geklopt en gereinigd worden, de strooisellaag moet zo onderhouden worden dat er geen natte zones zijn en er moet regelmatig bijgestrooid worden. De geurhinder veroorzaakt door ontsmettingsmiddelen en de mestoverladingen, gesteld dat deze een overmatig karakter zou vertonen, treedt slechts op bij reiniging van de stallen en zal dus slechts occasioneel en niet voortdurend optreden. 3.2.2.3. Uit de door de tussenkomende partij voorgelegde geluidsstudie blijkt dat de richtnorm (nacht) van 30 db(A) in de woning van verzoeker met 2db(A) wordt overschreden wanneer de ventilatoren op volle vermogen draaien. De bestreden beslissing neemt aan dat de effectieve waarden lager zullen liggen omdat de ventilatoren niet constant op volle kracht zullen draaien aangezien het ‘s nachts koeler is. Deze vaststelling is niet kennelijk onredelijk. Overigens moet worden opgemerkt dat voor de andere in de nabijheid gevestigde woningen -die gelegen zijn in woongebied- een hogere richtwaarde (nacht) geldt van 35 db(A) (art 4.5.4 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II)). De frequentie van het laden en lossen op jaarbasis is dermate gering dat de geluidshinder hiervan afkomstig niet als een ernstig nadeel in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan gekwalificeerd worden. 3.2.2.4. Verzoeker poneert zonder meer dat er hinder is door insecten. Het feit dat de kippen in de (gesloten) stallen gekweekt worden en dat de mestopslag afgedekt moet worden (bijzondere voorwaarde), maakt het niet aannemelijk dat er een aanzienlijke hinder door insecten zou zijn, die niet in een agrarisch gebied kan worden getolereerd; 3.2.2.5. Verzoeker toont niet aan dat de stofhinder dermate ernstig is dat deze kan worden beschouwd als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat de schorsing van de bestreden beslissing verantwoordt. 3.2.2.6. De uiteenzetting met betrekking tot het onveiligheidsgevoel wegens mogelijke "vogelgriep" is origineel maar weinig ernstig. De kippen moeten steeds in de stallen blijven en lopen niet buiten zodat de vrees voor implicaties VII-35.080-14/16 ingevolge vogelpest louter een hersenschim is. Evenmin wordt aangetoond dat de dampen en de stofpartikels waarover sprake frequent voorkomen en gezondheidsbedreigend zijn. 3.2.2.7. De voorheen bestaande milieuhinder is geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat voortvloeit uit de bestreden beslissing. 3.2.2.8. Er is niet voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van Rik VERVAEKE in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-35.080-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart tweeduizend en zes, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. E. BREWAEYS. VII-35.080-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.450 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.297 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.