← België

Arrest 156508 - - 16/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.508 Rolnummer: A. 128585/XIV-12316 Zaak: Arrest 156508 - - 16/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-13 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 14:05 Fiche Arrest nr 156.508 van 16 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.508 van 16 maart 2006 in de zaak A. 128.585/XIV-12.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat F. JACOBS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Kroonlaan 207 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nepalese nationaliteit, op 21 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 september 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 2 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 27 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-12.316-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat F. JACOBS verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De feiten Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 29 mei 2000 en zich vluchteling verklaart op 30 mei 2000; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 2 oktober 2000 beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 19 september 2002 deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping noch aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 2 augustus 2002 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 15 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2).”;
  3. Betreffende de toepassing van artikel 26 van voornoemd koninklijk besluit van 9 juli
  4. 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de “schending van de principes van behoorlijk bestuur, principes van machtsoverschrijding en de schending van de algemene principes van het recht op een eerlijke en openbare behandeling van het proces” opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “(...) Dat deze principes de administratie een voorzichtigheid en zorgvuldigheid opleggen bij de behandeling van dossiers die aan hun beoordeling worden voorgelegd. Terzake werd de bestreden beslissing getroffen op 19 september 2002, daar waar verzoeker zijn vragenlijst teruggestuurd had op 18.09.
  6. Verzoeker heeft bijgevolg positief gereageerd, doch met een vertraging van 19 dagen, met de omstandigheid dat deze vertraging niet aan hem te wijten is; XIV-12.316-2/6 De getroffen beslissing die verzoeker definitief afwijst, is duidelijk een uiting van machtsoverschrijding. De bestreden beslissing is bijgevolg strijdig met het principe van behoorlijk bestuur en schendt tevens het recht op een eerlijke behandeling van de zaak. Het document werd er door de maatschappelijke assistentie in het Nederlands ingevuld die zich van de verzending ging gelasten. Dit gebeurde begin van de maand augustus 2002, op de uitbetaaldag van de maand augustus. Per vergissing werd het document terug in het dossier geklasseerd, hetgeen het OCMW slechts vaststelde op de uitbetaaldag van september. Het document werd op die dag, nl 18.09.2002, teruggestuurd naar het CGVS. Verzoeker is op geen enkel ogenblik nalatig geweest en heeft op geen enkel ogenblik blijk getoond aan zijn asielaanvraag te willen verzaken, integendeel. Hij heeft alle nodige stappen ondernomen om, integendeel zijn procedure verder te zetten, naar behoren. Het feit dat het OCMW het document verzond, maar laattijdig (19 dagen later) dient te worden gelijkgesteld met overmacht.”; 2.
  7. Overwegende dat artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “De Minister of diens gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die het Rijk binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten zal worden in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven: (...) “4/ wanneer de vreemdeling, binnen een maand na de verzending, geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan geven.”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de commissaris-generaal op 2 augustus 2002 een “verzoek om inlichtingen” aan de verzoekende partij heeft gestuurd waarin wordt gevraagd “schriftelijk mee te delen of u de procedure tot het bekomen van de status van vluchteling wenst voort te zetten” en “eveneens mee te delen of er zich familieleden van u in België bevinden die eveneens het statuut van vluchteling hebben aangevraagd. (...)”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat het O.C.M.W. van Wevelgem op 18 september 2002 met een ter post aangetekend schrijven de door de verzoekende partij op 21 augustus 2002 ondertekende “antwoordstrook” met daarop de verklaring dat de verzoekende partij de asielprocedure wenste verder te zetten, naar het commissariaat-generaal heeft teruggestuurd; dat het O.C.M.W. van Wevelgem daarbij de volgende verklaring heeft gevoegd: “Door ziekte maatschappelijk werker iets later verstuurd. Graag begrip maar ging verstuurd worden 21.08.02.”; dat deze stukken de ontvangststempel van de verwerende partij van 19 september 2002 dragen; dat de verwerende partij het antwoord op de brief van 2 augustus 2002 derhalve heeft ontvangen op 19 september 2002, samen met de verantwoording voor het feit dat het antwoord niet binnen de maand na 2 augustus 2002 was verstuurd; dat de bij het O.C.M.W. van Wevelgem opgelopen vertraging, die door dat O.C.M.W. zelf werd bevestigd in de op 18 september 2002 verstuurde brief, in hoofde van de verzoekende partij een “geldige reden” lijkt te vormen in de zin van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat in die XIV-12.316-3/6 bepaling immers geen “overmacht” stricto sensu wordt vereist; dat het in deze omstandigheden niet van een zorgvuldig handelen in hoofde van de verwerende partij lijkt te getuigen om op de dag dat zij het antwoord op het verzoek om inlichtingen ontvangt, een beslissing te nemen op de louter formele grondslag, zonder verdere motivering, dat geen gevolg is gegeven aan de vraag om inlichtingen binnen de maand na de verzending ervan; dat het tweede middel in die mate niet kennelijk ongegrond voorkomt;
  8. Betreffende de vordering tot schorsing. 3.
  9. Overwegende dat het auditoraat in het verslag oordeelt dat indien de kamer geen toepassing maakt van meergenoemd artikel 26, de vordering tot schorsing moet worden verworpen wegens gebrek aan ernstige middelen, met toepassing van artikel 7, § 2 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000; Gezien de nota van de verwerende partij; 3.
  10. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.2.
  11. Overwegende, met betrekking tot de eerste voorwaarde, dat hierboven sub 2.2, laatste considerans werd geoordeeld dat het enige middel niet ongegrond lijkt; dat uit de bespreking ervan integendeel blijkt dat het middel op het eerste gezicht gegrond kan zijn en derhalve ernstig is; 3.2.
  12. Overwegende, met betrekking tot de tweede voorwaarde, dat de verzoekende partij aanvoert dat de toepassing van de bestreden beslissing haar een ernstige en moeilijk te herstellen schade zal berokkenen, dat het haar in feite zal worden verhinderd om te genieten van de hoedanigheid van kandidaat politieke vluchteling terwijl zij daar in de huidige staat van haar dossier aanspraak op zou moeten kunnen maken, dat alles wijst op een gegronde vrees voor het leven of de fysieke integriteit van de verzoekende partij bij een terugkeer naar Nepal, dat haar asielaanvraag was gesteund op problemen met de Nepalese autoriteiten tussen 1998 en 200 omwille van haar banden met de Maobadi, dat de problemen van oktober 2002 in Nepal een schitterend bewijs zijn van de gegrondheid van de vrees van de verzoekende partij en van de waarschijnlijkheid van haar asielrelaas en dat de verzoekende partij in de gegeven omstandigheden duidelijk niet naar Nepal kan worden teruggestuurd; XIV-12.316-4/6 Overwegende dat de verzoekende partij zich beperkt tot een zeer algemene herhaling van haar vluchtmotief, zonder nadere concrete gegevens aan te brengen ter staving van de aangevoerde feiten wat haarzelf betreft; dat zij daarmee geen werkelijk noch een dreigend persoonlijk moeilijk te herstellen ernstig nadeel aannemelijk maakt; dat zij met haar uiteenzetting niet aantoont dat aan de tweede schorsingsvoorwaarde is voldaan, zodat de vordering tot schorsing moet worden verworpen;
  13. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  14. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  15. De behandeling van het beroep tot nietigverklaring zal worden verdergezet overeenkomstig de artikelen 21 tot
  16. Artikel
  17. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-12.316-5/6 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-12.316-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.508 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.