id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.541 Rolnummer: A. 170991/XIV-24982 Zaak: Arrest 156541 - - 17/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-22 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 14:08 Fiche Arrest nr 156.541 van 17 maart 2006 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.541 van 17 maart 2006 in de zaak A. 170.991/XIV-24.
- In zake :
- XXX,
- XXX, handelend in eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijke vertegen- woordigers van hun minderjarige kinderen, XXX en XXX, die woonplaats kiezen bij: advocaat F. JACOBS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Kroonlaan 207 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, handelend in eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen, XXX en XXX, allen van Russische nationaliteit, op 15 maart 2006 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 9 maart 2006 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 15 maart 2006 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota en het administratief dossier van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 15 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 maart 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. JACOBS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-24.982-1/6 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineer- de wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.
- Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde betreft, de verzoekende partijen in een enig middel de schending opwerpen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 62 en 51/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet), van artikel 3.2 en 3.4, artikel 4.5, artikel 18.1, 18.6 en 18.7, artikel 15, artikel 19.1 en 19.2, en artikel 20.1.b en 20.1.c van de Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (Verordening nr. 343/2003), van artikel 3 van het E.V.R.M. en van artikel 3 van het verdrag inzake de Rechten van het Kind; dat de verzoekende partijen de motivering van de bestreden beslissingen hernemen en aanvoeren dat zij bij het interview op de dienst Vreemdelingenzaken niet de kans hebben gekregen hun problemen in Polen uiteen te zetten, alhoewel deze problemen in verband staan met de terugkeer naar Tsjetsjenië en het vertrek naar België, dat hen nooit werd gevraagd waarom zij hun asielaanvraag in België en niet in Polen wensten te laten behandelen doch enkel waarom België hun bestemming was geweest, dat de verwerende partij niet bewijst dat de verzoekende partijen overeenkomstig artikel 3.4 van de Verordening nr. 343/2003 op de hoogte werden gesteld van de toepassing van die verordening, dat de reden van de stopzetting van de asielprocedure in Polen en de terugkeer naar Polen ligt in de bedreiging in Polen door als pro-Russisch gekende mensen, dat dit geen losse bewering is, dat bepaalde parlementsleden en NGO’s bekommerd zijn om talrijke klachten van die aard, dat de Tsjetsjeense journaliste Tina Ismaïlova in juli 2005 een onderzoeksreis naar Polen heeft gemaakt, dat de redenen van de asielaanvraag van de verzoekende partijen in België alleszins met een fax van 23 februari 2006 aan de dienst Vreemdelingenzaken, “Dublin cel” werden meegedeeld, dat uit verslagen blijkt dat een vertegenwoordiging van de regering Alkhanov zich in of nabij de Poolse kampen bevindt, XIV-24.982-2/6 hetgeen minstens een ernstige aanwijzing vormt dat Tsjetsjeense vluchtelingen in Polen niet kunnen worden beschermd, dat dergelijke druk en bedreigingen onverenigbaar zijn met de Vluchtelingenconventie van Genève en met artikel 7 van het E.V.R.M., dat België derhalve van artikel 3.2 van de Verordening nr. 343/2003 had moeten gebruikmaken, dat de problematiek van de labiele psychische toestand van de tweede verzoekende partij niet wordt beantwoord, dat de verwerende partij op de datum van de bestreden beslissingen ook op de hoogte was van de hospitalisatie van het kind XXX, dat noch de tweede verzoekende partij noch het kind XXX een redelijke kans op een effectieve medische behandeling in Polen hebben, dat het kind in het ziekenhuis in Turnhout moest worden gehospitaliseerd ondanks een recente behandeling met antibiotica en dat het terugsturen van het kind een schending van artikel 3 van het verdrag van de Rechten van het Kind zou uitmaken; dat de raadsman van de verzoekende partij er ter terechtzitting aan toevoegt dat het kind nog steeds gehospitaliseerd is; 2.1.
- Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat de formele motiveringsplicht weliswaar niet inhoudt dat in een administratieve beslissing, zoals te dezen, op alle aangevoerde argumenten wordt geantwoord, doch dat wel duidelijk moet worden aangegeven op welke draagkrachtige motieven die beslissing is gesteund; Overwegende dat de verzoekende partijen wat dat betreft aanvoeren dat hen gedurende het interview op de dienst Vreemdelingenzaken niet is gevraagd waarom zij hun asielaanvraag in België en niet in Polen wilden laten behandelen, dat hen zelfs niet de kans is gegeven om daarop in te gaan gedurende het interview doch dat zij met een faxbericht van hun raadsman van 24 februari 2006 wel een uitgebreide verantwoording en toelichting bij hun asielaanvraag hebben gegeven; Overwegende dat in de bestreden beslissingen wordt overwogen dat de verzoekende partijen geen specifieke elementen hebben aangehaald waarom hun asielaanvraag in België zou moeten worden behandeld doch dat dit de keuze van de smokkelaar was; dat verder enkel wordt overwogen dat de verzoekende partijen naar eigen zeggen Polen hebben verlaten omwille van een kwestie van bloedwraak, doch dat zulks op zich geen reden vormt om de asielaanvraag omwille van humanitaire overwegingen in België te behandelen, dat de bevoegde Poolse autoriteiten indien nodig maatregelen moeten nemen tegen personen die een bedreiging zouden vormen en dat er geen reden is om aan te nemen dat dezelfde problemen zich niet in België zouden kunnen voordoen gezien de aanzienlijke Tsjetsjeense aanwezigheid in het land; Overwegende dat in de twee verhoorverslagen van de dienst Vreemdelingenzaken betreffende de verzoekende partijen als vraag en antwoord letterlijk XIV-24.982-3/6 het volgende is vermeld: “België? Keuze van de smokkelaars”; dat uit dergelijke summiere en gestandaardiseerde vermeldingen prima facie niet kan worden afgeleid dat aan de verzoekende partijen specifiek is gevraagd waarom zij hun asielaanvraag in België hebben ingediend of enkel waarom zij in België zijn terechtgekomen; Overwegende dat in de fax van de raadsman van de verzoekende partijen van 24 februari 2006, die deel uitmaakt van het administratief dossier en waarvan de verwerende partij derhalve kennis had alvorens de bestreden beslissingen werden genomen, niet enkel wordt verwezen naar de kwestie van de bloedwraak maar ook uitgebreid wordt ingegaan op de aanwezigheid van pro-Russische elementen in en nabij de Poolse opvangkampen, waaruit zou blijken dat de veiligheid van de Tsjetsjeense vluchtelingen in die kampen onvoldoende is gewaarborgd; dat in die fax uitdrukkelijk wordt gevraagd de asielaanvraag in België te behandelen en geen toepassing te maken van de criteria om de verzoekende partijen over te dragen aan Polen; Overwegende dat artikel 3.2 van de Verordening nr. 343/2003 uitdrukkelijk voorziet dat “elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land (kan) behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht”; dat de verzoekende partijen duidelijk hebben gevraagd om van deze mogelijkheid gebruik te maken en daartoe gedurende de behandeling van hun asielaanvraag specifieke motieven hebben aangehaald; dat in de bestreden beslissingen enkel wordt verwezen naar de kwestie van de bloedwraak, zonder in te gaan op de overige motieven; dat de motivering van de bestreden beslissingen, door enkel te verwijzen naar de bloedwraak doch voorbij te gaan aan de motieven inzake het gebrek aan veiligheid door de aanwezigheid van pro-Russische elementen in de Poolse opvangkampen, in dat opzicht prima facie te oppervlakkig en onvoldoende draagkrachtig is; dat het middel ernstig is in de mate dat de schending van de formele motiveringsplicht wordt opgeworpen; 2.2.
- Overwegende, wat de eerste en de derde voorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen aanvoeren dat zij niet kunnen genieten van de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling in België, dat hun leven in Polen in gevaar komt door de aanwezig- heid van vertegenwoordigers van de regering Alkhanov in de Poolse opvangkampen, dat het gevaar bestaat dat de verzoekende partijen in Polen aan praktijken zouden worden onderworpen die in strijd met artikel 7 van het E.V.R.M. zijn, dat de gezondheidstoestand van de tweede verzoekende partij en van het kind XXX ernstig in gevaar zullen worden gebracht, dat een gewone schorsingsprocedure geen tijdige beslissing voor het voorziene vertrek mogelijk zou maken, dat de tweede verzoekende partij en haar jongste zoon gedetineerd zijn in een gesloten centrum met het oog op de overdracht aan de Poolse autoriteiten en dat dit ook het geval zal zijn voor de eerste verzoekende partij en de zoon Roestan wanneer deze laatste uit het ziekenhuis ontslagen zal worden; XIV-24.982-4/6 2.2.
- Overwegende dat uit het administratief dossier en de door de verzoekende partijen verstrekte gegevens blijkt dat het kind XXX na een eerdere behandeling met antibiotica eerst in het ziekenhuis in Turnhout en vervolgens in het Sint- Pietersziekenhuis in Brussel moest worden opgenomen, waar het nu nog verblijft; dat de tweede verzoekende partij en het jongste kind XXX reeds worden vastgehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, zodat het verloop van een gewone schorsingsprocedure niet kan worden afgewacht; dat de verzoekende partijen voldoende diligent en alert hebben gereageerd; dat zowel een gezamenlijke overdracht van de verzoekende partijen, dus samen met het zieke en thans nog gehospitaliseerde kind XXX, als een afzonderlijke overdracht waarbij één van de twee verzoekende partijen in België bij het kind XXX zou blijven, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt; dat de verzoekende partijen derhalve voldoende in concreto de uiterst dringende noodzakelijkheid en de dreiging van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, veroorzaakt door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, aannemelijk maken; BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 9 maart 2006 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. XIV-24.982-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien maart tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. C. ADAMS. XIV-24.982-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.541 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.