id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.542 Rolnummer: A. 170707/X-12721 Zaak: Arrest 156542 - - 17/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-29 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 14:08 Fiche Arrest nr 156.542 van 17 maart 2006 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.542 van 17 maart 2006 in de zaak A. 170.707/X-12.721 In zake : Guido SLOOTMANS, die woonplaats kiest bij Advocaat Chr. HERMANS, kantoor houdende te 3600 GENK, Stoffelsbergstraat 4 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Guido SLOOTMANS op 4 maart 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te vorderen van het besluit van 20 februari 2006 van de Vlaamse Minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme waarbij zijn beroep tegen het besluit van het hoofd van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid “Toerisme Vlaanderen” van 27 oktober 2005 tot intrekking van een vergunning voor de exploitatie van het terrein voor openluchtrecreatieve verblijven “Salamander”, gelegen Jos Smeetslaan 280 te Maasmechelen, op een perceel kadastraal bekend 1e afdeling, sectie E, nr. 931 r 20, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 6 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 maart 2006; Gehoord het verslag van Auditeur W. WEYMEERSCH; X-12.721-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat Chr. HERMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat Th. EYSKENS die, loco Advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verwerende partij bij wege van exceptie van niet-ontvankelijkheid opwerpt dat verzoeker beoogt een kampeerverblijfpark uit te baten dat niet beantwoordt aan de exploitatievergunning d.d. 31 augustus 2000 aangezien nagenoeg de helft van de verblijfplaatsen zijn opgericht in strijd met de stedenbouwwetgeving en daarvoor geen exploitatievergunning voorhanden is, dat verzoeker zodoende niet doet blijken van het rechtens vereiste belang; Overwegende dat verzoeker met de voorliggende vordering de schorsing van de tenuitvoerlegging beoogt van het besluit van de Vlaamse Minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme waarbij zijn beroep tegen het besluit van het hoofd van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid “Toerisme Vlaanderen” van 27 oktober 2005 tot intrekking van een vergunning voor de exploitatie van het terrein voor openluchtrecreatieve verblijven “Salamander”, gelegen Jos Smeetslaan 280 te Maasmechelen, op een perceel kadastraal bekend 1e afdeling, sectie E, nr. 931 r 20, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard; dat het eventuele gebruik van verblijven op het betrokken terrein in strijd met de vergunning verzoekers belang bij het behoud van de hem verleende vergunning niet ontneemt; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; X-12.721-2/7 Overwegende, wat de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering betreft, dat het bestreden besluit aan verzoeker ter kennis werd gebracht met een op 22 februari 2006 ter post aangetekend verzonden brief; dat verzoeker in zijn verzoekschrift tot schorsing onder de rubriek “ontvankelijkheid” verklaart deze brief op 23 februari 2006 te hebben ontvangen; dat de vordering tot schorsing werd ingesteld op 4 maart 2006, d.i. 9 dagen na de kennisgeving van het bestreden besluit; dat de vordering tot schorsing met een voor een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereiste spoed werd ingesteld; Overwegende voorts dat het bestreden besluit tot intrekking van de exploitatievergunning onmiddellijke uitwerking heeft; dat in de gegeven omstandigheden het betoog van verzoeker dat, indien hij moet wachten op het resultaat van een gewone schorsingsprocedure, zijn huurders reeds zullen zijn uitgeweken naar een ander terrein voor openluchtrecreatieve verblijven en dat de kans dat zij nog zullen terugkeren zeer klein is, aannemelijk is; dat de uiteenzetting van verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering afdoende verantwoordt; Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 7 van het decreet van 3 maart 1993 houdende het statuut van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en meer in het bijzonder van het materieel motiveringsbeginsel; dat hij uiteenzet dat de hem verleende vergunning niet kon worden ingetrokken op grond van voormeld artikel 7 aangezien hij zich niet in één van de in dit artikel vermelde hypothesen bevindt, en dat het bestreden besluit bovendien niet motiveert waarom of op grond van welke bepaling de vergunning dan wel kon worden ingetrokken; Overwegende dat de verwerende partij in essentie antwoordt dat de exploitatievergunning van verzoeker enkel betrekking heeft op verblijven bedoeld in artikel 2, § 1, 1/ en niet op 2/ van hetzelfde artikel, terwijl onbetwist vaststaat dat ongeveer de helft van de aanwezige verblijfsvormen behoren tot de categorie bedoeld in het 2/, en dat het exploiteren van een terrein voor openluchtrecreatieve verblijven overeenkomstig de voorwaarden bepaald in art. 6 en 7 noodzakelijkerwijze het wettig bestaan -d.w.z. het behoorlijk vergund zijn- van het openluchtrecreatief verblijf veronderstelt dat op het vergunde terrein aanwezig is; X-12.721-3/7 Overwegende dat, wat betreft de mogelijkheid tot intrekking van een vergunning, artikel 7 van voormeld decreet van 3 maart 1993 bepaalt wat volgt: “De in artikel 3 bedoelde vergunning kan in de volgende gevallen worden geweigerd, geschorst of ingetrokken: 1/ de in artikel 6 bepaalde voorwaarden worden niet of niet meer nageleefd; 2/ diegene die instaat of moet instaan voor het dagelijks beheer van het terrein voor openluchtrecreatieve verblijven, is in België door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak veroordeeld wegens een der misdrijven omschreven in boek II, titel VII, hoofdstukken V, VI en VII; titel VIII, hoofdstukken I, IV, VI en titel X, hoofdstukken I en II, van het Strafwetboek, behalve indien de veroordeling voorwaardelijk is en de betrokkene het voordeel van het uitstel niet heeft verloren of genade heeft bekomen. Personen die veroordeeld zijn voor soortgelijke misdrijven in het buitenland, mogen evenmin een terrein voor openluchtrecreatieve verblijven exploiteren in Vlaanderen. 3/ indien één of meer personen, behoudens de bij decreet of besluit toegestane gevallen, hun hoofdverblijfplaats op het terrein voor openluchtrecreatieve verblijven hebben.” dat artikel 6 van hetzelfde decreet zelf geen voorwaarden bepaalt maar aan de Vlaamse Regering machtiging verleent om de in dat artikel opgesomde normen, voorwaarden en verplichtingen waaraan de vergunning moet voldoen, te bepalen; Overwegende dat artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat elke administratieve rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor een of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; dat hieruit volgt dat enkel met de in het bestreden besluit vermelde redengeving rekening kan worden gehouden; Overwegende dat het bestreden besluit de intrekking van de exploitatievergunning motiveert op grond van de vaststelling dat de “huidige situatie op het terrein niet voldoet aan de afgeleverde exploitatievergunning d.d. 31 augustus 2000" omdat op het bij de aanvraag gevoegde plan geen melding wordt gemaakt van verblijfplaatsen en dat bouwvergunningsplichtige openluchtrecreatieve verblijven enkel mogen worden opgericht op dergelijke verblijfplaatsen, en verder dat “ingeval de exploitatievergunning betrekking heeft op een kampeerverblijfpark waarvan nagenoeg de helft van de openluchtrecreatieve verblijven stedenbouwkundig X-12.721-4/7 vergunningsplichtig zijn, doch niet vergund, dit de essentie van de vergunning betreft”; dat het als juridische grondslag voor de intrekking van de vergunning overweegt wat volgt: “Overwegende dat artikel 6 van het voornoemde decreet van 3 maart 1993 de decretale grondslag vormt voor de Vlaamse regering om allerhande normen te bepalen waaraan een terrein voor openluchtrecreatieve verblijven dient te beantwoorden. Artikel 7, 2/ en 3/ beschrijven specifieke omstandigheden, die als ze zich voordoen, de intrekking van de vergunning wettigen, zelfs al voldoet de exploitant aan de voorwaarden, bedoeld in art. 7, 1/; Overwegende dat de intrekkingsbeslissing beantwoordt aan de voorwaarden van het kampeerdecreet; Overwegende dat ingeval de exploitatievergunning betrekking heeft op een kampeerverblijfpark waarvan nagenoeg de helft van de o penlucht recreat ieve verblijven st edenbo uwkundig vergunningsplichtig zijn, doch niet vergund, dit de essentie van de vergunning betreft;” Overwegende dat voormelde motivering weliswaar stelt dat de intrekkingsbeslissing beantwoordt aan de voorwaarden van het kampeerdecreet, en dit omdat “nagenoeg de helft van de openluchtrecreatieve verblijven stedenbouwkundig vergunningsplichtig zijn, doch niet vergund, en dit de essentie van de vergunning betreft”, maar in gebreke blijft concreet aan te duiden op grond van welke bepaling van artikel 7 en/of de uitvoeringsbesluiten genomen op grond van artikel 6 waarnaar het verwijst een intrekking van de vergunning om reden dat “nagenoeg de helft van de openluchtrecreatieve verblijven stedenbouwkundig vergunningsplichtig zijn, doch niet vergund” wettelijk mogelijk is; dat het middel in de aangegeven mate ernstig is; Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat verzoeker onder meer aanvoert dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit zijn reputatie, eer en goede naam in ernstige mate zal aantasten, dat dit nadeel des te groter is omdat Toerisme Vlaanderen maandelijks een brochure uitbrengt, waarin wordt vermeld welke vergunningen voor openluchtrecreatieve verblijven werden afgegeven alsook welke vergunningen werden ingetrokken, dat het nadeel door de publicatie in de brochure van Toerisme Vlaanderen van de - onterechte- intrekking van de vergunning ook onherstelbaar is, en alleen maar kan worden vermeden door een schorsing van de bestreden beslissing vooraleer de volgende brochure van Toerisme Vlaanderen wordt uitgegeven; X-12.721-5/7 Overwegende dat het bestreden besluit de vergunning intrekt die aan verzoeker werd verleend om het betrokken terrein “als kampeerverblijfpark voor het plaatsen van 130 openluchtrecreatieve verblijven, te exploiteren”; dat in casu niet wordt betwist dat de intrekking van de vergunning wordt bekendgemaakt in de maandelijkse brochure die door Toerisme Vlaanderen wordt uitgegeven; dat, in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij voorhoudt, een dergelijke publicatie door een officiële instantie naar alle mogelijke geïnteresseerden toe, een nadeel uitmaakt dat niet zomaar kan worden goedgemaakt door een latere vernietiging; dat aannemelijk is dat dit in hoofde van verzoeker een ernstig nadeel is, hetgeen overigens niet wordt betwist, dat bovendien moeilijk te herstellen is; Overwegende dat is voldaan aan de door artikel 17, §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit te bevelen; BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van 20 februari 2006 van de Vlaamse Minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme waarbij het beroep van Guido SLOOTMANS tegen het besluit van het hoofd van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid “Toerisme Vlaanderen” van 27 oktober 2005 tot intrekking van een vergunning voor de exploitatie van het terrein voor openluchtrecreatieve verblijven “Salamander”, gelegen Jos Smeetslaan 280 te Maasmechelen, op een perceel kadastraal bekend 1e afdeling, sectie E, nr. 931 r 20, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard. X-12.721-6/7 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien maart 2006, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. J.CAMU, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CAMU. J. BOVIN. X-12.721-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.542 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div