← België

Arrest 156554 - - 20/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.554 Rolnummer: A. 165623/X-12453 Zaak: Arrest 156554 - - 20/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-03 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 14:15 Fiche Arrest nr 156.554 van 20 maart 2006 - Beslissing : Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.554 van 20 maart 2006 in de zaak A. 165.623/X-12.

  1. In zake : Philip VERTESSEN, die woonplaats kiest bij Advocaat J. VERSTRAETEN, kantoor houdende te 2221 HEIST-OP-DEN-BERG, Dorpsstraat 72/A tegen :
  2. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat W. SLOSSE, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Brusselstraat 59,
  3. de gemeente LAAKDAL, die woonplaats kiest bij Advocaat J. SURMONT, kantoor houdende te 2300 TURNHOUT, de Merodelei
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Philip VERTESSEN op 29 augustus 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 16 juni 2005 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg "Containerpark" van de gemeente Laakdal, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 juni 2005; Gezien de nota's van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 14 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; X-12.453-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaten L. VERSTRAETEN en G. KINDERMANS die verschijnen voor de verzoeker, van Advocaat A.-K. VAN RENSBERGEN die loco Advocaat W. SLOSSE verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat L. JANSEN die loco Advocaat J. SURMONT verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal;
  5. Overwegende dat de tweede verweerster een containerpark exploiteert aan de Eindhoutseweg te Veerle (Laakdal); dat in de loop der jaren stedenbouwkundige vergunningen en milieuvergunningen zijn afgegeven voor het merendeel van de constructies in dit park; Overwegende dat het betrokken gebied volgens het gewestplan Herentals-Mol, vastgesteld bij koninklijk besluit van 28 juli 1978, bestemd is tot landschappelijk waardevo l agrarisch g ebied en g ebied vo o r gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut; Overwegende dat de tweede verweerster in 2002 het initiatief heeft genomen om voor het bedoelde containerpark een bijzonder plan van aanleg uit te werken; dat het plan onder meer voorziet in een uitbreiding van het park en in een bestemming van het betrokken gebied als zone voor openbare nutsvoorzieningen; dat het plan de vaststelling inhoudt van voorschriften die afwijken van die van het gewestplan en die de regularisatie van een aantal niet-vergunde constructies in het containerpark mogelijk moeten maken; dat het plan eveneens voorziet in de onteigening van een aantal percelen, waaronder delen van percelen die aan de verzoeker toebehoren; Overwegende dat de gemeenteraad van de gemeente Laakdal het bijzonder plan van aanleg Containerpark op 15 februari 2005 definitief heeft aangenomen; dat de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen op X-12.453-2/6 21 april 2005 een in beginsel gunstig advies heeft gegeven, met dien verstande dat zij van oordeel is dat het bijzonder plan van aanleg enkel als een oplossing op korte termijn kan worden beschouwd, en dat op langere termijn naar een meer aangewezen en duurzame oplossing voor het containerpark moet worden gezocht; dat de Vlaamse minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening bij besluit van 16 juni 2005 het bijzonder plan van aanleg heeft goedgekeurd en de tweede verweerster heeft gemachtigd tot onteigening; dat dit besluit het voorwerp vormt van de voorliggende vordering; Overwegende dat de verzoeker woont in de onmiddellijke omgeving van het containerpark; dat hij en zijn echtgenote tegen een op 19 september 2002 verleende stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een bepaalde constructie in het park een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld bij de Raad van State; dat de vordering tot schorsing is verworpen bij arrest nr. 118.992 van 5 mei 2003; dat het beroep tot nietigverklaring nog aanhangig is (zaak A. 129.274 / X-11.181); Overwegende dat de verzoeker en zijn echtgenote de tweede verweerster hebben gedagvaard om de sluiting van het containerpark te horen bevelen; dat de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, bij vonnis van 20 januari 2004, en in hoger beroep het Hof van Beroep te Antwerpen, bij arrest van 28 juni 2005, de vordering hebben afgewezen; dat het laatstgenoemde arrest is gesteund op de overweging, enerzijds, dat, zelfs indien de door de eisers betwiste vergunningen onwettig zouden zijn, die onwettigheden niet aan de verweerster toe te schrijven zijn, en anderzijds, dat de door de eisers aangevoerde hinder niet het gevolg is van het niet-naleven van opgelegde voorwaarden en de aangevoerde ongemakken in elk geval niet de grens overschrijden die iedere burger in het openbaar belang moet dragen;
  6. Overwegende dat de tweede verweerster een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt, afgeleid uit het ontbreken van een belang in hoofde van de verzoeker; dat zij onder meer aanvoert dat het bestreden plan ten aanzien van de verzoeker "quasi niets" wijzigt aan de bestaande toestand, dat de verzoeker bijgevolg geen belang heeft bij het bestrijden van het plan, dat aan deze conclusie geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat het bestreden besluit ook een machtiging tot onteigenen bevat, aangezien die machtiging in dit opzicht slechts een voorbereidende handeling is; X-12.453-3/6 Overwegende dat uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing; dat het in die omstandigheden niet nodig is om de opgeworpen exceptie te onderzoeken;
  7. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  8. Overwegende, wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat de verzoeker een dubbel nadeel aanvoert; dat hij in de eerste plaats aanvoert dat de verdere uitbreiding van het containerpark, die door het bestreden bijzonder plan van aanleg mogelijk wordt gemaakt, tot gevolg zal hebben dat de hinder door de activiteiten op het park aanzienlijk zal toenemen; dat de verzoeker in het bijzonder verwijst naar de hinder door het aan- en afrijden van wagens met afval en vrachtwagens voor het containervervoer, naar de onvermijdelijke lawaaihinder van het werpen van de afvalstoffen in de containers, naar het vuil dat van de aan- en afrijdende wagens valt, vooral bij tuinafval, naar het zwerfvuil, en naar het vliegen van houtsnippers uit de hakselaar, in de weide van de verzoeker; dat hij vervolgens aanvoert dat hij een nadeel zal lijden door de onteigening van een gedeelte van zijn eigendom, dat de tweede verweerster op het onteigende perceel werken zal uitvoeren, en dat het herstel van het nadeel dan ook quasi onmogelijk zal zijn; Overwegende, wat de toename van de hinder betreft, dat het containerpark thans reeds geëxploiteerd wordt op grond van een aantal vergunningen die, op één na, door de verzoeker niet zijn aangevochten; dat de hinder die de verzoeker thans reeds ondervindt, als gevolg van de bestaande exploitatie van het park, niet het gevolg is van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit; dat overigens, zoals het Hof van Beroep te Antwerpen heeft vastgesteld in zijn arrest van 28 juni 2005, de ongemakken die voor de particuliere eigendom van de verzoeker voortvloeien uit de bestaande exploitatie van het containerpark, niet de grens overschrijden die elke burger in het algemeen belang moet dragen; dat de verzoeker niet aannemelijk maakt dat de hinder ten gevolge van de uitbreiding van het park van die aard zou zijn dat daardoor een ernstig nadeel zou ontstaan; dat in het bestreden X-12.453-4/6 bijzonder plan van aanleg een aantal bufferende maatregelen zijn opgenomen, waarvan kan worden aangenomen dat ze de bijkomende gevolgen voor de woon- en leefsituatie van de verzoeker beperkt zullen houden; dat de aangevoerde bijkomende hinder trouwens te maken heeft met de exploitatie van het park, en dat daarvoor in de milieuvergunning voor de betrokken activiteiten nog de nodige beperkende maatregelen kunnen worden opgelegd; dat het risico van een ernstig nadeel ten gevolge van de aangevoerde toename van de hinder aldus niet bewezen is; Overwegende voorts, wat de machtiging tot onteigening betreft, dat moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit enkel een machtiging tot onteigening verleent; dat de verzoeker pas uit zijn eigendom zal worden ontzet als de vrederechter de onteigening zal hebben toegestaan; dat de vrederechter die onteigening slechts kan uitspreken en de provisionele vergoeding slechts kan bepalen nadat hij het bestreden machtigingsbesluit zowel op zijn interne als op zijn externe wettigheid heeft getoetst; dat de verzoeker de wettigheidsbezwaren welke hij thans aanvoert, nog zal kunnen doen gelden voor de vrederechter, dat deze er uitspraak over zal moeten doen en dat, indien zij gegrond worden bevonden, het risico van het verlies van verzoekers eigendom alsnog afgewend zal kunnen worden; dat, daargelaten de vraag of de dreiging van het verlies van de betrokken eigendom voor de verzoeker een ernstig nadeel betekent, dit nadeel alleszins niet moeilijk te herstellen is, in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
  9. Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-12.453-5/6 Artikel
  11. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het bestreden besluit. Artikel
  12. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig maart 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.453-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.554 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.