← België

Arrest 156626 - - 20/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.626 Rolnummer: A. 126840/IX-3495 Zaak: Arrest 156626 - - 20/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-14 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 14:28 Fiche Arrest nr 156.626 van 20 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.626 van 20 maart 2006 in de zaak A. 126.840/IX-

  1. In zake : Jean DEWIT, wonende te STROMBEEK-BEVER, J. Van Elewijckstraat 92, bus 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  2. tussenkomende partij : Dirk VAN DEN BULCK, die woonplaats kiest bij advocaat D. DE MEYER, kantoor houdende te TIENEN, Bostsestraat 49, bus
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jean DEWIT op 16 september 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 26 juni 2002 waarbij Dirk VAN DEN BULCK wordt benoemd, voor een periode van vijf jaar, tot adjunct-commissaris voor de vluchtelingen en de staatlozen en waarbij zijn aanstelling tot bijzitter in de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen wordt beëindigd.; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 3 december 2002; Gelet op de beschikking van 9 december 2002 die de tussenkomst van Dirk VAN DEN BULCK toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-3495-1/6 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 20 januari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 maart 2006; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat H. VERMEIRE, die loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat D. DE MEYER, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat verzoeker elk belang bij zijn annulatieberoep heeft verloren omdat aan de functie van de tussenkomende partij als adjunct-commissaris voor de vluchtelingen en de staatlozen sinds 16 december 2004 vervroegd een einde is gekomen, wijl hij bij koninklijk besluit van die datum benoemd is tot commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en hem ontslag werd verleend uit de betrokken functie, en verzoeker ook geen annulatieberoep tegen dat besluit heeft ingesteld; Overwegende dat ten gevolge van het ontslag van de tussenkomende partij uit de door verzoeker geambieerde betrekking van adjunct- commissaris bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die betrekking opnieuw vacant geworden is; dat verzoeker, gevraagd of hij meent nog enig belang te hebben bij de voortzetting van het geding, laat gelden : IX-3495-2/6 “In weerwil van de gratuite bewering van de verwerende partij behoudt huidig geding evenwel zijn prangende actualiteit. Het blijvende belang van eisende partij bestaat er, minstens, in dat vrijwillig tussenkomende partij, op basis van de aangevochten en aanvechtbare aanstellingen, practische en theoretische ervaring heeft kunnen opdoen en daadwerkelijk heeft opgedaan, in weerwil van de bewoordingen van het niet-schorsingsarrest N/ 84.
  4. Verzoeker heeft een achterstand opgelopen, die hem administratiefrechtelijk, als een bezwarende hypotheek, altijd zal doen achterna hinken op vrijwillig tussenkomende partij, die met de onterecht opgedane ervaring, in de gelegenheid werd gesteld, te kandideren voor, en zich te laten benoemen in de functie die hij nu uitoefent. Verzoeker heeft er evident belang bij dat zou worden vastgesteld dat : * vrijwillig tussenkomende partij volledig ten onrechte deze theoretische en praktische ervaring heeft kunnen opdoen (in beide betwiste functies trouwens), en daar in de praktijk ook feitelijk gebruik heeft van kunnen maken. * de wederrechtelijke ervaring, opgedaan als adjunct-commissaris op het Commissariaat-generaal, hem bovendien in staat heeft gesteld te solliciteren naar de functie van Commissaris-generaal, mogelijkheid waarvan verzoeker verstoken is gebleven. * verzoeker niet heeft kunnen kandideren voor deze laatste functie, omdat hij door de ongelijke behandeling, vanwege verwerende partij, niet aan de vereiste anciënniteitsvoorwaarde kon voldoen. Gelet bovendien op het in de tijd beperkte mandaat dat vrijwillig tussenkomende partij momenteel uitoefent, staat het bijgevolg buiten kijf, -afgezien van enig persoonlijk ressentiment-, dat de voorkeursbehandeling waarvan hij reeds meerdere malen heeft mogen genieten, verzoekers belangen en aanspraken zwaar hebben benadeeld. Gelet op de ratio legis van de vereiste van het persoonlijk belang, bestaande in het vermijden van actiones populares, verzoekende partij voldoende aantoont niet louter een moreel belang te blijven hebben bij de beslechting van het hangende geding, maar dat, zoals reeds vroeger uitééngezet, zijn belang nog steeds reëel is, en dat hij er nog steeds persóónlijk belang bij heeft dat het betwiste Koninklijk besluit van 26 juni 2002, zoals trouwens dat van 19 juni 1999, worde vernietigd. Dat met het oog op de recuperatie van de gemaakte kosten, zijn belang tevens een pecuniair aspect vertoont; Overwegende dat de niet vernietiging van het aangevochten Koninklijk besluit : * een bestendiging zou daarstellen, zowel van de ongelijke behandeling in de toegang tot de openbare betrekkingen, waarvan verzoeker het slachtoffer is geweest, als van de onterecht verworven ervaring die de vrijwillig tussenkomende partij heeft mogen opdoen, en daardoor ook * een miskenning van het gezag van gewijsde, verschuldigd aan het Arrest N/ 84.842, zou betekenen vermits er niet om de vaststelling heen kan worden gegaan, dat vrijwillig tussenkomende partij, desondanks, praktische ervaring heeft opgedaan”; Overwegende dat verzoeker veeleer refereert aan het belang dat hij beweert nog steeds te hebben bij de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 19 april 1999 waarbij Dirk VAN DEN BULCK werd aangesteld tot bijzitter in de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, aan welke aanstelling een einde is gekomen door diens aanstelling tot adjunct-commissaris voor de vluchtelingen welke IX-3495-3/6 hij in deze zaak bestrijdt; dat 's Raads arrest nr. 131.463 van 17 mei 2004 daaromtrent had besloten de behandeling ten gronde in de zaak van het beroep tegen het voormelde koninklijk besluit van 19 april 1999 uit te stellen tot de onderhavige zaak in staat van wijzen zou zijn, nu verzoeker in de onderhavige zaak ten gronde stelt dat niet anders kan, dan dat er rekening gehouden is met de ervaring die de tussenkomende partij heeft opgedaan in de functie van bijzitter in de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen, ofschoon het arrest nr. 84.842 van 25 januari 2000, de vordering tot schorsing tegen de voormelde aanstelling tot bijzitter in de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen had verworpen, onder meer overwegende dat de verwerende partij in voorkomend geval geen rekening zal mogen houden met de ervaring die de tussenkomende partij op dat ogenblik in het betrokken ambt reeds verworven zal hebben; dat met andere woorden, die argumentatie van verzoeker betrekking heeft op de grond van de zaak en geen antwoord biedt op de exceptie dat zijn belang teloor gegaan is doordat ook aan het mandaat van de tussenkomende partij als adjunct-commissaris voor de vluchtelingen en staatlozen een einde is gekomen; Overwegende dat de voornaamste betrachting van iemand die, zoals verzoeker, voor de Raad van State de rechtshandeling aanvecht waardoor hij niet wordt aangesteld in een betrekking waarvoor hij zich kandidaat had gesteld maar waarin integendeel iemand anders wordt aangesteld, is door de nietigverklaring ervan te verkrijgen dat die betrekking opnieuw open verklaard wordt en dat hij aldus de kans krijgt om zelf, in plaats van degene wiens benoeming nietig is verklaard, in die betrekking te worden aangesteld en om ze daadwerkelijk waar te nemen; Overwegende dat ingevolge de beëindiging van de aanstelling van de tussenkomende partij tot adjunct-commissaris voor de vluchtelingen en de staatlozen, die betrekking opnieuw vacant is geworden en verzoeker een nieuwe kans krijgt om erin aangesteld te worden; dat aangezien hij daarbij niet meer in concurrentie komt met de tussenkomende partij, de vraag of ten onrechte rekening werd gehouden met diens ervaring als bijzitter in de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen en verzoeker die ervaring ten onrechte werd onthouden, momenteel niet meer relevant is; dat die kwestie wellicht in de toekomst, indien meer bepaald verzoeker en de tussenkomende partij nog eens in concurrentie zouden kunnen treden voor een benoeming of aanstelling, weer actueel zou kunnen worden, doch zij dan in het kader van het geding dat daaruit zou volgen beslecht zal dienen te worden; dat een vernietiging van de bestreden aanstelling niet meebrengt dat verzoeker zelf IX-3495-4/6 ervaring opdoet; dat overigens de aanstelling van Dirk VAN DEN BULCK tot commissaris-generaal definitief is geworden zodat de vraag of de ervaring die hij had opgedaan als bijzitter en als adjunct-commissaris-generaal in aanmerking mocht worden genomen met het oog op die aanstelling niet relevant is; dat derhalve, wat betreft de kans om aangesteld te worden in de plaats van de tussenkomende partij in de functie zelf, het belang van verzoeker alleszins teloor is gegaan; Overwegende dat vervolgens de vraag rijst of verzoeker bij een vernietiging van de bestreden benoemingen een ander belang kan doen gelden; dat de Raad van State bij het beantwoorden van die vraag acht moet slaan op hetgeen verzoeker daaromtrent aanvoert, aangezien het een verzoeker behoort zijn belang aan te tonen; Overwegende dat verzoeker wat dat betreft, in veeleer vage bewoordingen, een pecuniair en een moreel belang aanvoert; dat wat dit laatste betreft, hij weliswaar stelt dat zijn belang niet louter moreel is en niet neerkomt op een actio popularis maar persoonlijk is; dat hij daarmee echter weer terugvalt op het belang waarvan hiervoor is uitgemaakt dat het niet meer actueel is; dat hij wat het pecuniair belang betreft, zich vergenoegt met een verwijzing naar de gemaakte kosten; dat aan dit laatste, althans gedeeltelijk, tegemoet wordt gekomen door de kosten van het beroep ten laste van de verwerende partij te brengen, aangezien het verlies van verzoekers belang niet aan zijn toedoen te wijten is, BESLUIT: Artikel
  5. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-3495-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig maart 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3495-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.626 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.