← België

Arrest 156628 - - 20/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.628 Rolnummer: A. 80297/IX-1464 Zaak: Arrest 156628 - - 20/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-31 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 14:29 Fiche Arrest nr 156.628 van 20 maart 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.628 van 20 maart 2006 in de zaak A. 80.297/IX-

  1. In zake : de BVBA S.L.A. TRADING COMPANY, die woonplaats kiest bij advocaat R. VERSTRAETEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Goedheidsstraat 5-7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA S.L.A. TRADING COMPANY op 16 september 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de “beslissing van 22 juli 1998 (ref. 111/96/018) van het Ministerie van Financiën, Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie, 1ste B.B.I.-Inspectie te Antwerpen, genomen door de Heer e.a. Inspecteur-diensthoofd (...) waarbij Verwerende partij, na heroverweging, inzage in en afschrift blijft weigeren van het integrale administratieve fiscale dossier dat lastens haar werd aangelegd, aangevuld bij beslissing van 28 juli 1998 van het Ministerie van Financiën, Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie, 1ste B.B.I.-Inspectie te Antwerpen, genomen door de Heer e.a. Inspecteur-diensthoofd (...)”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; IX-1464-1/17 Gelet op de beschikking van 26 maart 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 5 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaten B. SCHUTYSER en E. GEVERS, die loco advocaat R. VERSTRAETEN, verschijnt voor de verzoekende partij, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Op ongekende datum maakt de Administratie der Douane en Accijnzen van het ministerie van Financiën stukken uit een douane-onderzoek betreffende verzoekster over aan de Administratie Bijzondere Belastinginspectie van het ministerie van Financiën (1/ B.B.I. ANTWERPEN). Op 21 april 1998 voert de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie van het ministerie van Financiën een controle uit op de IX-1464-2/17 maatschappelijke zetel van verzoekster. Hierbij worden computerbestanden gekopieerd en meegenomen en wordt medegedeeld dat de controle past in een onderzoek naar een “hangend(...) douanedossier uit 1996”. 1.
  4. Bij schrijven van 24 april 1998 aan de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie van het ministerie van Financiën vraagt verzoekster om “inzage te krijgen van alle stukken, bescheiden, gegevens en mededelingen waarover (het) beschikt, onder meer doch niet uitsluitend deze die afkomstig zijn van de Gewestelijke Directie der douane en accijnzen te Antwerpen” en verduidelijkt “dus inzage (te vragen) van het volledige dossier dat zich materieel bij (haar) bevindt.” 1.
  5. Bij aangetekend schrijven van 20 mei 1998 antwoordt de inspecteur van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie van het ministerie van Financiën verzoekster als volgt: “Uw vraag om inzage te verkrijgen van de stukken betreffende de BVBA SLA Trading Company, die in ons bezit zijn gekomen naar aanleiding van het onderzoek van de administratie van douane en accijnzen, kan worden ingewilligd. Daarbij dient weliswaar voorbehoud gemaakt te worden, aangezien om redenen van beroepsgeheim enkel inzage kan worden verstrekt van de stukken, waarvan met zekerheid kan worden uitgemaakt dat deze eigen zijn aan uw vennootschap. U kan ook inzage verkrijgen van uw fiscaal dossier. Voor een praktische regeling, kan u vooraf, binnen de termijn van een maand, een afspraak maken met Dhr. B. Bastijns (...). Uw vraag om een afschrift te verkrijgen van ‘het volledige dossier’ wordt afgewezen, omdat deze vraag als kennelijk onredelijk wordt beschouwd. Van de meeste documenten mag worden aangenomen dat u er al over beschikt. Niettemin kan u na inzage afschrift vragen van door u specifiek aangeduide documenten, waarvan u niet in het bezit zou zijn.” 1.
  6. Op 4 juni 1998 nemen de zaakvoerder van verzoekster en haar raadsman inzage in haar fiscaal dossier, dat bestaat uit stukken met betrekking tot de aanslagjaren 1994 tot en met 1997, en uit bepaalde stukken uit het douane- onderzoek. Op het aanvraagformulier betreffende de inzage van documenten merken de zaakvoerder van verzoekster en haar raadsman op dat zij onmogelijk IX-1464-3/17 kennis kunnen nemen van de inhoud van de voorgelegde stukken zonder een afschrift te verkrijgen, dat zij zich niet van de aard en/of de inhoud van de niet-voorgelegde stukken kunnen vergewissen zonder gedetailleerde inventaris en dat het begeleidend schrijven van de Administratie Douane waarbij de stukken uit het douane-onderzoek aan de Administratie Bijzondere Belastinginspectie worden bezorgd, niet wordt voorgelegd, en vragen zij een afschrift uit alle stukken van het douane-onderzoek, “minstens kennis te krijgen van de aard en/of de inhoud van de niet-voorgelegde stukken door het desgevallend onleesbaar maken van namen van derden.” 1.
  7. Bij aangetekend schrijven van 8 juni 1998 aan de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie van het ministerie van Financiën laat verzoekster weten haar verzoek geformuleerd in haar schrijven van 24 april 1998 als afgewezen te beschouwen en verzoekt zij tot heroverweging van deze afwijzing. Een kopie van dit schrijven wordt op dezelfde dag aangetekend verzonden naar de Commissie voor de Toegang tot Bestuursdocumenten. 1.
  8. Bij aangetekend schrijven van 22 juli 1998 antwoordt de inspecteur van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie van het ministerie van Financiën als volgt : “In tegenstelling tot wat u beweert, werd wel degelijk de facto inzage verleend, ingevolge uw vraag van 24.04.
  9. Dit wordt gestaafd door het formulier ‘Inzage van documenten’ dat bij de inzage op 04.06.1998 werd opgesteld, en waarvan een kopie in uw bezit is. Voor wat betreft de stukken verkregen van de douane, dient voor het grootste deel van de documenten het beroepsgeheim ingeroepen te worden omwille van volgende redenen:
  10. Ofwel gaat het om stukken waarvan wij ons wel een inzicht kunnen vormen van de aard ervan, doch waarvan wij op basis van de kennis waarover wij tot op heden beschikken, met zekerheid kunnen uitmaken dat deze niet eigen zijn aan de vennootschap.
  11. Ofwel gaat het om stukken waarvan wij ons tot op heden, in de huidige stand van het onderzoek, geen duidelijk inzicht konden verschaffen, waardoor wij niet met zekerheid kunnen uitmaken dat het gaat om stukken die eigen zijn aan de vennootschap. Het is immers niet omdat de stukken bij u aangetroffen werden, dat het automatisch gaat om stukken die u eigen zijn. Overeenkomstig artikel 337 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is elkeen die, uit welken hoofde ook, optreedt bij de toepassing van de belastingwetten, buiten het uitoefenen van IX-1464-4/17 zijn ambt, verplicht tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande alle zaken waarvan hij wegens de uitvoering van zijn opdracht kennis heeft. Het fiscaal geheim is dus niet beperkt tot het bedrag van de belastbare inkomsten alleen. Het is toepasselijk op alle inlichtingen betreffende de belastingplichtigen. Enkel ten aanzien van de belastingplichtige zelf rijst het probleem van het fiscaal geheim niet. Voor wat betreft de stukken waarvan niet met zekerheid uit te maken is dat deze eigen zijn aan de aanvrager tot inzage, moet derhalve de aanvraag omwille van het beroepsgeheim afgewezen (...) worden. Dit voorbehoud werd aldus in mijn antwoord dd. 20.05.1998 uitdrukkelijk opgenomen. U kreeg op 04.06.1998, naast uw aanslagdossier, ook inzage van circa 1.000 stukken. Derhalve betwist ik de stelling dat slechts naar de schijn inzage zou verleend zijn. Door de inzage van dit dossier heeft u zich een duidelijk beeld kunnen vormen van de gegevens waarover de administratie beschikt. Hierbij heeft u zich kunnen vergewissen van het feit dat het gaat om documenten waarvan mag aangenomen worden dat u er zelf over beschikt. Mr. Gevers zegt immers zelf dat het gaat om stukken die afkomstig zijn van u. Volgens artikel 315, 3e lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moeten de boeken en bescheiden aan de hand waarvan het bedrag van de belastbare inkomsten kan worden vastgesteld, worden bewaard tot het verstrijken van het vijfde jaar of boekjaar volgend op het belastbaar tijdperk. S.L.A. TRADING COMPANY BVBA werd opgericht op 24.03.1993, zodat die termijn nog niet verstreken is voor het oudst mogelijke document. Daarom ook werd de vraag naar een volledig afschrift in de zin van artikel 6 § 3, tweede lid, 3/ van de Wet van 11.04.1994 als kennelijk onredelijk aanzien. U nam voor de inzage op 04.06.1998 genoegen met de voormiddag, hoewel niets er zich tegen verzette dat ook in de namiddag nog inzage werd genomen, zodat mag aangenomen worden dat met betrekking tot de voorgelegde stukken u zich een voldoende beeld heeft kunnen vormen. Er volgde tot op heden geen specifieke aanduiding van documenten waarvan u desalniettemin niet meer in het bezit zou zijn. Dit vormt een bevestiging voor het kennelijk onredelijk karakter van een vraag die zich beperkt tot een ‘volledig’ afschrift. Gelet op de omvang van het volledige bundel, meer dan 1.000 blz., dient dergelijke vraag beschouwd te worden als een poging om de normale werking van de dienst te belemmeren. Dit wordt nog verder onderstreept door de vaststelling dat u met uw vraag naar inzage en afschrift van het volledige dossier tevens de computergegevens beoogt, die werden gekopieerd op 21.04.
  12. Mr. Gevers stelt dat u hoe- genaamd niet weet waarop die gegevens betrekking hebben. Hier wordt het kennelijk onredelijk karakter van de vraag bevestigd, aangezien uzelf op uw eigen computers over die gegevens beschikt. Bij de inzage op 04.06.1998 werd opgeworpen dat de kwestieuze inventaris van de stukken enkel een nummering bevat, en geen enkele vermelding en/of omschrijving betreffende de aard en/of de inhoud van de niet voorgelegde stukken, zodat u zich niet kan vergewissen van de reden van niet-voorlegging van de ontbrekende stukken. Vooreerst meen ik dat dergelijke inventaris met omschrijving niet voorgeschreven werd, in de Wet van 11.04.1994, noch in het Koninklijk besluit van 30.08.1996 tot uitvoering van voormelde Wet. Bovendien zou dergelijke omschrijving niet kunnen voorgelegd worden m.b.t. de niet- IX-1464-5/17 voorgelegde stukken, aangezien dit al een begin van schending van het beroepsgeheim zou uitmaken. De vraag naar het schrijven waarbij de administratie der Douane en Accijnzen het betrokken bundel aan de B.B.I. heeft medegedeeld, dient eveneens te worden geweigerd op basis van het beroepsgeheim. Het thans niet voorleggen van die stukken maakt geen schending uit van de rechten van de verdediging. Voor het ogenblik is slechts sprake van onderzoek en controle, waarvoor de artikelen 315 tot en met 321 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de plichten van belastingplichtige vaststellen. Indien dit onderzoek uitmondt in een belastingaanslag, kan u tegelegener tijd, in het kader van de bezwaarprocedure, inzage krijgen van de betrokken stukken. In bijkomende orde meen ik dat een vraag om inzage te verkrijgen ‘(...) van alle stukken, bescheiden, gegevens en mededelingen waarover U beschikt (...)’, ook dient te worden afgewezen op basis van artikel 6 § 3, 4/ van de Wet van 11.04.1994, omdat de vraag kennelijk te vaag geformuleerd is. Bovendien werd de vraag tot inzage m.b.t. de voorgelegde stukken toegestaan, hoewel u in feite geen belang kon doen gelden. Volgens artikel 4, 2e lid, van voormelde Wet moet de verzoeker voor documenten van persoonlijke aard van een belang doen blijken. Ik meen dan ook dat ik meer dan voldoende ben tegemoet gekomen met de inzage die u op 04.06.1998 werd verleend, en dat daarbij de bedoelingen van de wetgever met de Wet betreffende de openbaarheid van bestuur volkomen werden gerespecteerd.” Dit is de bestreden beslissing. 1.
  13. Bij schrijven van 15 september 1998 meldt de voorzitter van de Commissie voor de Toegang tot Bestuursdocumenten wat volgt : “De Commissie heeft op 31 augustus kennis genomen van de aanvraag van de firma SLA Trading Company. Zij is van mening dat het stuk dd. 4 juni 1998 van de 1/ B.B.I. Antwerpen, getiteld ‘Inzage van documenten (wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur)’, waarvan een afschrift aan deze brief wordt vastgehecht, aan de belastingplichtige moet meegedeeld worden met uitzondering nochtans van de stukken waarvan manifest zeker is dat zij reeds in het bezit zijn van de belastingplichtige. Dit geldt o.m. voor de bestanden van de computergegevens. Wat deze laatste betreft is de Commissie onbevoegd om een oordeel te vellen over de al of niet geoorloofde wijze waarop deze bestanden in het bezit van de fiscus zijn gekomen. Er wordt ook inzage gevraagd van stukken waarvan beweerd wordt dat zij van belang zouden kunnen zijn doch die niet in de inventaris zouden zijn vermeld. Het gaat met name over stukken die van het douaneonderzoek en van derden uitgaan. Die stukken moeten principieel wel meegedeeld worden voor zover van art. 6, § 3, 2/, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaar- heid van bestuur (een advies of een mening die uit vrije wil en vertrouwelijk aan de overheid is meegedeeld) geen toepassing kan gemaakt worden en voor zover IX-1464-6/17 de stukken i.v.m. derden rechtstreeks betrekking hebben op de betwisting tussen de fiscus en de firma.”
  14. Over het voorwerp en de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
  15. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt dat de omvang van het beroep dient te worden beperkt tot de bestreden beslissing van 22 juli 1998 : “(...) in zoverre volgende vragen worden afgewezen: - de vraag om een afschrift te bekomen van de voorgelegde stukken uit het douanedossier - de vraag om inzage en afschrift te bekomen van de andere stukken uit het douanedossier - de vraag om inzage en afschrift te bekomen van het document waarmee het douanedossier werd overgemaakt aan de BBI”; 2.2.
  16. Overwegende dat uit het verzoekschrift tot nietigverklaring blijkt dat verzoekster de nietigverklaring beoogt van de beslissing van 22 juli 1998 van de inspecteur van de Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie van het ministerie van Financiën houdende uitspraak over het verzoek tot heroverweging van de beslissing van 20 mei 1998 en van de “beslissing van 28 juli 1998” van de inspecteur van de Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie van het ministerie van Financiën; 2.2.
  17. Overwegende dat bij brief van 28 juli 1998 van de inspecteur van de Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie van het ministerie van Financiën verzoekster enkel de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de Raad van State wordt medegedeeld; dat dit geen voor vernietiging vatbare akte is; dat het beroep, in zoverre het de nietigverklaring beoogt van de “beslissing van 28 juli 1998” van de inspecteur van de Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie van het ministerie van Financiën, niet ontvankelijk is; 2.2.
  18. Overwegende dat verzoekster bij beslissing van 20 mei 1998 inzage wordt verleend in haar fiscaal dossier, met name “van de stukken, waarvan met zekerheid kan worden uitgemaakt dat deze eigen zijn aan (haarzelf)”, en waarbij het afschrift van “het volledige dossier” wordt geweigerd; dat uit de samenlezing van de IX-1464-7/17 beslissingen van 22 juli 1998 en van 20 mei 1998 van de inspecteur van de Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie van het ministerie van Financiën volgt dat het voorwerp van huidig beroep als volgt wordt bepaald: - de weigering om mededeling in afschrift te verlenen van de stukken van het dossier overgemaakt door de Administratie der Douane en Accijnzen waarvan inzage is verleend; - de weigering om inzage en mededeling in afschrift te verlenen van het begeleidend schrijven waarbij het douanedossier is overgemaakt van de Administratie der Douane en Accijnzen aan de Bijzondere Belastinginspectie; - de weigering om inzage en mededeling in afschrift te verlenen van de stukken van het dossier overgemaakt door de Administratie der Douane en Accijnzen waarvan geen inzage is verleend; - de weigering om inzage en mededeling in afschrift te verlenen van de overige stukken van het fiscaal dossier;
  19. Over de gegrondheid van het beroep. 3.1.
  20. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 32 van de Grondwet en van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, meer bepaald van de artikelen 1, § 2, 3/, 4, eerste lid, 6, § 2, 2/, 6, § 3, 3/, 6, § 3, 4/ en 6, § 4; dat zij in een eerste onderdeel betoogt dat de bestreden beslissing de weigering tot inzage in stukken van het dossier overgemaakt door de Administratie der Douane en Accijnzen en in het begeleidend schrijven waarbij dit douanedossier is overgemaakt, grondt op het beroepsgeheim opgelegd door artikel 337 van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna: WIB 1992) en op het niet-eigen zijn van de stukken aan verzoekster terwijl het beroepsgeheim niet geldt ten aanzien van de belastingplichtige zelf indien het stukken van zijn eigen fiscaal dossier betreft, en de stukken waarvan inzage is gevraagd, uitsluitend stukken betreffen die de Bijzondere Belastinginspectie lastens verzoekster in het administratieve dossier heeft opgenomen, en terwijl de opname van de stukken in het fiscaal dossier van verzoekster illustreert dat deze stukken minstens dienend zijn om haar fiscale toestand vast te stellen of te controleren en derhalve wel degelijk haar fiscale toestand betreffen; dat zij tevens de mogelijkheid vermeldt stukken die deels de fiscale toestand van andere belastingplichtigen betreffen, IX-1464-8/17 gedeeltelijk openbaar te maken, en erop wijst dat de mogelijkheid kennis te nemen van de stukken in het kader van een eventuele latere bezwaarprocedure, irrelevant is; 3.1.
  21. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet dat verzoekster inzage is geweigerd in enerzijds stukken van het douanedossier “die geen verband houden met verzoekster (het betreft immers stukken die het privé-leven van een medewerker betreffen)” en anderzijds in stukken waarvan het op het tijdstip van de bestreden beslissing nog niet zeker was of zij betrekking hadden op verzoekster, rekening houdend met het feit dat een later vastgestelde openbaarmaking van een geheim van derden niet kan worden hersteld; dat zij hieraan toevoegt dat “ook het verzoek tot inzage van de stukken waarbij de Administratie der douane en accijnzen het douanedossier aan de BBI-administratie heeft medegedeeld, werd geweigerd op basis van het beroepsgeheim”, dat een inventaris waarbij zowel het beroepsgeheim wordt gerespecteerd als een korte aanduiding wordt gegeven van de aard en/of de inhoud van de niet-voorgelegde stukken, niet kan worden opgesteld; dat zij tevens stelt dat de beoordeling dat een stuk al dan niet valt onder het beroepsgeheim enkel de overheid toekomt “onder controle van de Commissie voor de Toegang tot Bestuursdocumenten en van de Raad van State die daartoe de documenten kunnen raadplegen”; 3.1.
  22. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord er nog aan toevoegt dat het vermoeden dat de niet-medegedeelde stukken van het douanedossier minstens dienend zijn om haar fiscale toestand vast te stellen of te controleren, nog wordt versterkt door het feit dat de Administratie der Douane en Accijnzen, overeenkomstig artikel 210, § 2, van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen, in principe slechts het recht heeft om de documenten die zij op regelmatige wijze in beslag heeft genomen tijdens een huiszoeking over te maken aan andere administraties voorzover die documenten betrekking hebben op de persoon of rechtspersoon bij wie de huiszoeking wordt gedaan; dat zij tevens melding maakt van de schending van haar rechten van verdediging indien in de loop van de taxatieprocedure tegen haar stukken worden gebruikt die ze niet kent en waartegen ze zich niet kan verdedigen; IX-1464-9/17 3.1.4.
  23. Overwegende dat volgens artikel 32 van de Grondwet eenieder het recht heeft elk bestuursdocument te raadplegen en er een afschrift van te krijgen, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald door de wet, het decreet of de ordonnantie; dat op federaal vlak de passieve openbaarheid is geregeld in de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur; dat artikel 4 van die wet bepaalt dat het recht op het raadplegen van een bestuursdocument van een federale administratieve overheid en op het ontvangen van een afschrift van het document erin bestaat dat eenieder volgens de voorwaarden bepaald in deze wet, elk bestuursdocument ter plaatse kan inzien, uitleg kan krijgen en mededeling in afschrift ervan kan ontvangen; dat artikel 6 de uitzonderingsgronden bepaalt in welk geval de openbaarheid kan of moet worden geweigerd; dat die uitzonderingen op de algemene regel van de openbaarheid beperkend worden uitgelegd en een weigering concreet moet worden verantwoord; 3.1.4.
  24. Overwegende dat de ter zake door de verwerende partij ingeroepen uitzonderingsgronden als volgt luiden : “Artikel
  25. (...) §
  26. Een federale of niet-federale administratieve overheid wijst de vraag om inzage, uitleg of mededeling in afschrift van een bestuursdocument, die met toepassing van deze wet is gedaan, af, wanneer de openbaarmaking van het bestuursdocument afbreuk doet : (...) 2/ aan een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting; (...). §
  27. Een federale administratieve overheid mag een vraag om inzage, uitleg of mededeling in afschrift van een bestuursdocument afwijzen in de mate dat de vraag : (...) 3/ kennelijk onredelijk is; 4/ kennelijk te vaag geformuleerd is. §
  28. Wanneer in toepassing van de §§ 1 tot 3 een bestuursdocument slechts voor een deel aan de openbaarheid moet of mag worden onttrokken, wordt de inzage, de uitleg of de mededeling in afschrift tot het overige deel beperkt.”; 3.1.4.
  29. Overwegende dat de in artikel 6, § 2, 2/, bedoelde geheim- houdingsverplichting die de verwerende partij in de eerste plaats inroept, is ingesteld door artikel 337 WIB 1992; dat het opgelegde beroepsgeheim de openbaarmaking van gegevens met betrekking tot de fiscale toestand van de belastingplichtige aan IX-1464-10/17 derden beoogt te beletten, maar niet geldt ten aanzien van de belastingplichtige zelf wanneer het stukken van zijn eigen fiscaal dossier betreft; dat in beginsel aan de belastingplichtige op grond van artikel 6, § 2, 2/ van de wet van 11 april 1994 geen inzage kan worden geweigerd van een stuk met als inhoud een verklaring van een derde over de belastingssituatie van die belastingplichtige zelf; dat, zoals geformuleerd in de bestreden beslissing, het “niet eigen zijn” aan de vennootschap van de stukken, of het “niet met zekerheid kunnen uitmaken dat het gaat om stukken die eigen zijn aan de vennootschap” een niet ter zake dienend criterium is; dat het eerste onderdeel in deze mate gegrond is; 3.2.
  30. Overwegende dat verzoekster in een tweede onderdeel van het eerste middel aanvoert dat de bestreden beslissing haar verzoek tot mededeling in afschrift van het volledige fiscale dossier, met inbegrip van het douanedossier en de begeleidende brief bij het douanedossier, als kennelijk onredelijk beschouwt terwijl het verzoek is geformuleerd om op een efficiënte wijze kennis te nemen van het administratieve dossier, terwijl het weigeren van een afschrift tot gevolg heeft dat alle stukken ter plekke dienen te worden geconsulteerd en overgeschreven, terwijl zij onmogelijk kan uitmaken welke van de ruim vierduizend stukken ze nog in haar bezit heeft en welke niet daar zij hiervoor eigen stukken en stukken van het dossier naast elkaar zou moeten kunnen leggen, en terwijl tijdens een huisvisitatie in 1996 tal van originele stukken die niet voor de douane bruikbaar waren, in beslag zijn genomen en verzoekster niet uitsluit stukken verloren te hebben; 3.2.
  31. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet dat aan verzoekster de mogelijkheid is geboden de documenten aan te duiden waarvan zij niet in het bezit is waarna van deze een afschrift zou worden bezorgd, en dat, gelet op de omvang van de bundel en het feit dat verzoekster reeds beschikt over de meeste van de documenten, een vraag om afschrift van het hele dossier dient te worden beschouwd als een poging om de normale werking van de dienst te belemmeren; 3.2.
  32. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord in essentie nog toevoegt dat het geenszins praktisch haalbaar is om op een efficiënte IX-1464-11/17 wijze na te gaan welke stukken zich op het moment van de inzage in haar bezit bevonden; 3.2.4.
  33. Overwegende dat de Raad van State, in het kader van zijn wettigheidscontrole, slechts een beperkte toetsingsbevoegdheid heeft in die zin dat, in zoverre zijn controletaak erin bestaat na te gaan of het bestuur zijn mening gesteund heeft op gegevens die in feite juist zijn en die in rechte de beslissing kunnen dragen, hij zich bij de beoordeling van de getroffen beslissing niet in de plaats van het bestuur kan stellen maar enkel mag nagaan of de overheid niet kennelijk onredelijk heeft gehandeld door op grond van die redenen een bepaalde conclusie te formuleren; dat in deze de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, aan een federale administratieve overheid noch de uitdrukkelijke verplichting oplegt, noch de uitdrukkelijke mogelijkheid biedt een vraag om mededeling in afschrift van een document te weigeren om reden dat verzoeker reeds over dit document beschikt; dat artikel 6, § 3, 4/, van de wet van 11 april 1994 een federale administratieve overheid evenwel toelaat een vraag om mededeling in afschrift van een bestuursdocument af te wijzen in de mate dat de vraag kennelijk onredelijk is; dat de bestreden beslissing dit kennelijk onredelijk karakter motiveert doordat “het gaat om documenten waarvan mag aangenomen worden dat (verzoekster) er zelf over beschikt” en “gelet op de omvang van het volledige bundel, meer dan 1.000 blz., (...) dergelijke vraag beschouwd (dient) te worden als een poging om de normale werking van de dienst te belemmeren”; dat de stelling dat verzoekster beschikt over de documenten wordt onderbouwd met de argumenten dat “het gaat om stukken die afkomstig zijn van (haar)”, doordat de termijn, ingesteld bij artikel 315, derde lid, WIB 1992, waarbinnen de boeken en bescheiden dienen te worden bewaard, nog niet is verstreken, dat verzoekster “genoegen” heeft genomen met een inzage van het dossier op een voormiddag, “hoewel niets er zich tegen verzette dat ook in de namiddag nog inzage werd genomen, zodat mag aangenomen worden dat (zij zich) met betrekking tot de voorgelegde stukken (...) een voldoende beeld heeft kunnen vormen. Er volgde tot op heden geen specifieke aanduiding van documenten waarvan (zij) desalniettemin niet meer in het bezit zou zijn.” en dat tevens afschrift wordt gevraagd van de computergegevens die zijn gekopieerd op 21 april 1998 en waarover verzoekster op haar eigen computers beschikt; IX-1464-12/17 3.2.4.
  34. Overwegende dat de argumentatie van verzoekster dat, enerzijds, zij niet meer beschikt over de documenten die zich bevinden in het dossier dat door de Administratie van Douane en Accijnzen aan de Bijzondere Belastinginspectie is bezorgd daar het in beslag genomen documenten betreft, en dat, anderzijds, van een bestuurde niet kan worden verwacht in de kantoren van de overheid duizenden documenten stuk voor stuk door te nemen ten einde te bepalen welke ervan men reeds in zijn bezit heeft om te kunnen aangeven van welke documenten men een afschrift wenst, de Raad van State ervan overtuigt dat de verwerende partij kennelijk onredelijk heeft geoordeeld door de vraag tot afschrift als kennelijk onredelijk te beschouwen; dat het tweede onderdeel van het eerste middel gegrond is; 3.3.
  35. Overwegende dat verzoekster in een derde onderdeel van het eerste middel aanvoert dat het bestreden besluit aan het verzoek tot inzage verwijt te vaag te zijn geformuleerd, terwijl daarentegen uit de vooraf opgestelde inventaris van de ter beschikking gestelde stukken blijkt dat men enerzijds een bundel “Fiscaal dossier van BVBA SLA TRADING COMPANY” met “permanent dossier + aanslagjaren (...)” en “stukken van de jaren (...)” heeft klaargemaakt voor verzoeksters bezoek ter inzage en anderzijds een bundel “stukken uit het douane- onderzoek die betrekking hebben op SLA met de volgende nummers (...)” en terwijl de bestreden beslissing zichzelf tegenspreekt doordat het verzoek tot neerlegging van 1172 stukken uit het douanedossier wel voldoende duidelijk is geformuleerd en dat van minstens 2814 stukken te vaag; dat zij eveneens stelt dat het verzoek tot inzage in het begeleidend schrijven ook niet kan worden beschouwd als zijnde te vaag geformuleerd; 3.3.
  36. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet dat verzoekster aanvankelijk “de vraag (heeft) gesteld om inzage te verkrijgen ‘(...) van alle stukken, bescheiden, gegevens en mededelingen waarover U beschikt (...)’, waarbij verder nog verwezen wordt naar een douanedossier”, dat zij aannam dat verzoekster de documenten wenste in te zien die zich bij de Admini- stratie van de Bijzondere Belastinginspectie van het ministerie van Financiën (1/ B.B.I. ANTWERPEN) bevonden die betrekking hadden op haar eigen fiscale toestand, dat haar inzage is verleend in deze documenten en dat, voor zover de vraag IX-1464-13/17 tot inzage verder gaat dan deze documenten, de vraag terecht is afgewezen als kennelijk te vaag geformuleerd; 3.3.
  37. Overwegende dat uit het schrijven van verzoekster van 24 april 1998 aan de Bijzondere Belastinginspectie te Antwerpen, uit het aangetekend schrijven van de Bijzondere Belastinginspectie te Antwerpen van 20 mei 1998, uit de inventaris, opgemaakt door het bestuur en waarnaar wordt verwezen in de bestreden beslissing, uit de op 4 juni 1998 ter beschikking gestelde stukken, en uit de aangetekende schrijvens van 8 juni 1998 aan de Bijzondere Belastinginspectie te Antwerpen en aan de Commissie voor de Toegang tot Bestuursdocumenten, duidelijk blijkt dat het verzoek tot inzage en tot mededeling van afschrift, handelt over stukken van het dossier overgemaakt door de Administratie der Douane en Accijnzen, het begeleidend schrijven waarbij het douanedossier is overgemaakt van de Administratie der Douane en Accijnzen aan de Bijzondere Belastinginspectie en de overige stukken van haar fiscaal dossier; dat zulks geenszins duidt op enige vaagheid en de verwerende partij bijgevolg niet vermocht op die grond af te wijzen; dat het derde onderdeel van het eerste middel gegrond is; 3.4.
  38. Overwegende dat verzoekster in een vierde onderdeel van het eerste middel aanvoert dat de bestreden beslissing het verzoek afwijst om reden dat verzoekster “voor documenten van persoonlijke aard van een belang (moet) doen blijken”, hetgeen zij niet zou hebben gedaan, terwijl enkel voor documenten die een beoordeling of een waardeoordeel bevatten over een natuurlijke persoon de vereiste van belang geldt en het “meer dan onwaarschijnlijk (is) dat de stukken uit het administratieve fiscale dossier, waarvan de inzage wordt geweigerd, een beoordeling of een waardeoordeel bevatten van een persoon”; 3.4.
  39. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet dat verzoekster niet aantoont belang te hebben om inzage te vragen in andere stukken dan die welke betrekking hebben op haar eigen fiscale toestand; 3.4.
  40. Overwegende dat de bestreden beslissing in haar voorlaatste paragraaf stelt dat “de vraag tot inzage m.b.t. de voorgelegde stukken (werd) IX-1464-14/17 toegestaan, hoewel u in feite geen belang kon doen gelden. Volgens artikel 4, 2e lid, van voormelde Wet moet de verzoeker voor documenten van persoonlijke aard van een belang doen blijken.”; Overwegende dat artikel 4, tweede lid, van de wet van 11 april 1994 vereist dat voor documenten van persoonlijke aard de verzoeker tot inzage, uitleg en afschrift, doet blijken van een belang; dat artikel 1, tweede lid, 3), van deze wet onder “document van persoonlijke aard”, een bestuursdocument verstaat “dat een beoordeling of een waardeoordeel bevat van een met naam genoemd of gemakkelijk identificeerbaar natuurlijk persoon of de beschrijving van een gedrag waarvan het ruchtbaar maken aan die persoon kennelijk nadeel kan berokkenen”; dat trouwens diegene die vraagt om inzage een evident belang heeft bij de inzage van documenten die zijn eigen situatie betreffen; dat wat betreft de inzage van documenten die een waardeoordeel over derden bevat, de wet vereist dat het bestuur concreet aanduidt welke documenten wegens het waardeoordeel dat zij bevatten niet worden medegedeeld; dat niet valt in te zien dat de meer dan duizend stukken van het douanedossier en het overige fiscale dossier van verzoekster waarvan zij reeds inzage heeft gekregen, volledig zouden bestaan uit beoordelingen of waardeoordelen van een met naam genoemd of gemakkelijk identificeerbaar natuurlijk persoon of de beschrijving van een gedrag waarvan het ruchtbaar maken aan die persoon kennelijk nadeel kan berokkenen; dat het vierde onderdeel van het eerste middel gegrond is; 3.
  41. Overwegende dat aldus het eerste middel gegrond is in al zijn onderdelen, IX-1464-15/17 BESLUIT: Artikel
  42. Vernietigd wordt de beslissing van 22 juli 1998 van de inspecteur van de Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie van het ministerie van Financiën houdende : de weigering om mededeling in afschrift te verlenen van de stukken van het dossier overgemaakt door de Administratie der Douane en Accijnzen waarvan inzage is verleend; de weigering om inzage en mededeling in afschrift te verlenen van het begeleidend schrijven waarbij het douanedossier is overgemaakt van de Administratie der Douane en Accijnzen aan de Bijzondere Belastinginspectie; de weigering om inzage en mededeling in afschrift te verlenen van de stukken van het dossier overgemaakt door de Administratie der Douane en Accijnzen waarvan geen inzage is verleend; en de weigering om inzage en mededeling in afschrift te verlenen van de overige stukken van het fiscaal dossier. Artikel
  43. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  44. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-1464-16/17 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig maart 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1464-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.628 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.