id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.641 Rolnummer: A. 141448/XIV-16696 Zaak: Arrest 156641 - - 20/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-13 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 14:30 Fiche Arrest nr 156.641 van 20 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.641 van 20 maart 2006 in de zaak A. 141.448/XIV-16.
- In zake : XXX, die woont te H. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Argentijnse nationaliteit, op 11 september 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 augustus 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 mei 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 18 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 4 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-16.696-1/6 Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 3 februari 2001 en zich op 15 april 2003 vluchteling verklaart; dat op 14 mei 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 21 augustus 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U, een Argentijns staatsburger, verklaart afkomstig te zijn uit Buenos Aires. Sinds 1983 bent u gehuwd met J., een Libanees staatsburger. In 1987 bent u vanuit Argentinië naar Libanon getrokken waar u tot april 1988 verbleef. Vanuit Libanon bent u naar Syrië gereisd. In de zomer van 1989 bent u met uw gezin naar Frankrijk getrokken waar u een aantal maanden verbleef om vervolgens naar Italië te gaan. In Italië hebt u gedurende 12 jaar gewoond. Begin februari 2001 bent u naar België gereisd. Sinds maart 2002 was uw Schengen vergunning, waarmee u aanvankelijk in Italië verbleef verlopen en verbleef u illegaal in België. Op 15 april 2003 hebt u asiel gevraagd aan de Belgische autoriteiten. U verklaart asiel aan te vragen omwille van de problemen die uw man inroept ter ondersteuning van zijn asielaanvraag. Uw man zou in Libanon problemen hebben gekend omwille van uw joodse origine. Hierdoor hebt u zich in 1983 laten dopen door de Armeense kerk in Libanon. Zelf was u van zijn problemen in Libanon niet op de hoogte tot aan uw asiel aanvraag in België. U hebt nooit problemen gekend in Argentinië. U wenst echter niet naar Argentinië terug te keren omwille van de slechte economische situatie. B. Motivering Uit uw verklaring blijkt dat u uw asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door uw man ter ondersteuning van uw asielrelaas (CGVS, gehoorverslag, p. 6). U verklaart in Libanon nooit persoonlijke problemen te hebben gekend en te zijn gevlucht omwille van de problemen van uw man. Wat betreft het door hem ingestelde dringende beroep werd een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. Derhalve dient ook voor u een bevestigende beslissing te worden genomen. Wat betreft de economische problemen in Argentinië, die u aanhaalt ter motivering van uw onwil terug te keren naar Argentinië (CGVS, gehoorverslag, p. 6), dient te worden opgemerkt dat een dergelijk economisch motief vreemd is aan het asiel omdat ze geen verband houdt met de criteria bepaald bij artikel 1A
(2)van de Conventie van Genève van 28 juli
- Ter ondersteuning van uw asielaanvraag legt u een doopbewijs, een internationaal rijbewijs, een Argentijnse identiteitskaart, een huwelijksboekje, een gecertifieerde kopie van een uittreksel van de burgerlijke stand, een identiteitsdocument van uw echtgenoot en een identiteitsbewijs van uw zoon met Italiaanse vertaling voor. Deze documenten wijzigen bovenstaande vaststellingen niet gezien deze enkel uw identiteit en die van uw gezinsleden bewijzen, net als uw burgerlijke stand, en het feit dat u gedoopt bent. Deze feiten worden echter niet betwist. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. XIV-16.696-2/6 Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van de (materiële) motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 6 van het E.V.R.M. en machtsoverschrijding wegens niet naleving van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen; dat zij dit als volgt toelicht: “Dat de bestreden beslissing stelt dat : gelet op het feit dat verzoekster haar asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door haar man en omdat in hoofde van de heer AJAMIAN Jean een weigeringsbeslissing afgeleverd werd dient ten aanzien van verzoekster ook een weigeringsbeslissing afgeleverd te worden. Dat in eerste instantie de bestreden beslissing in strijd is met artikel 6 E.V.R.M. daar zij enkel verwijst naar de negatieve beslissing met de inhoudelijke motivering aangaande van haar echtgenoot zonder deze mee aan haar te betekenen. Dat verzoekster zodoende volledig op de weigeringsbeslissing van haar echtgenoot aangewezen is om haar verweer te kunnen opbouwen en zodoende geen eerlijke behandeling van haar zaak krijgt. Het 'recht van verdediging' is een algemeen rechtsbeginsel (Rogier de Corte, Overzicht van het burgerlijk recht, p. 56-60, Mys & Breesch, uitgevers te Gent, 2001 ); Artikel 6 van het E.V.R.M. stelt tevens dat eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Dat iedere vluchteling, alsook verzoekster, het recht heeft om al haar middelen uit te putten die de wetgever haar ter beschikking stelt. Dat verzoekster echter niet weet tegen welke motivering ze zich moet verweren. De beslissing die steunt op onjuiste of op juridisch onaanvaardbare motieven is met machtsoverschrijding genornen" (R.v.St., 4 maart 1960, Brinkhuysen, nr. 768 l; R.v.St., 30 september 1960, lanssens, nr. 8094; R.v.St., 23 november 1965, stad Oostende, nr. 11.5 19); De bestreden beslissing druist tevens in tegen de algemene rechtsbeginselen dat elke bestuurshandeling moet steunen op motieven in feite en in rechte. Ook artikel 62 van de Vreemdelingenwet vereist dat de administratieve beslissingen met redenen~ worden omkleed. 'L'exigeance de la motivation d'une décision est destinée á ce que l'intéressé ait parfaitement connaissance des raisons qui la justifient'. (Cons. Etat, 12 mai 1989, arrêt nr. 32.560, R.A.C.E., 1989). Bovendien verplicht de Wet van 29 juli 1991 de overheid bij elke bestuurshandeling met individuele draagwijdte in de beslissing zelf de feitelijke en juridische grondslag aan te duiden waarop zij steunt. De motivering moet daarenboven afdoende zijn. In casu is de bestreden beslissing in elk geval niet afdoende gemotiveerd. 'Dat is wat de wetgever bedoelt wanneer hij stelt dat de motivering afdoende moet zijn. Dit kan begrepen worden als volgt : in het licht van de vermelde motieven moet de beslissing als redelijk voorkomen, d.w.z. dat men, vertrekkend van de motieven in rede tot de genomen beslissing moet kunnen komen...' (BOES, M., Administratief Recht, Leuven, Acco, 1994- 1995,34). Dat derhalve de bestreden beslissing niet correct is in feite en derhalve faalt zij dan ook naar motivering in rechte. Krachtens de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen is het een substantiële vormvereiste dat motivering - en dan nog XIV-16.696-3/6 noodzakelijkerwijze een juiste en juridisch aanvaardbare motivering - gebeurt van de door de overheid genomen beslissingen; Uit de voorgaanden blijkt dat de bestreden beslissing niet juist of juridisch aanvaardbaar is en dat zij steunt op onjuiste, juridisch onaanvaardbare en onwettige motieven en dat zij derhalve niet behoorlijk naar recht gemotiveerd is daar de bestreden beslissing van verzoeksters echtgenoot ook in strijd is met de motiveringsplicht. De bestreden beslissing stelt dat in hoofde van verzoeker geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28/07/1951, kan worden vastgesteld. Dat volgens de Conventie van Genève van 1951 is een vluchteling elke persoon die zich buiten zijn land van herkomst bevindt en die de bescherming van dat land niet meer kan of wil inroepen omdat hij vreest voor vervolging omwille van zijn ras, zijn religie, zijn nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep, zijn politieke overtuiging. De bestreden beslissing stelt dat verzoeksters echtgenoot van 1980 tot 1987 in Argentinië woonde en dat de moeilijkheden zich voordeden in 1987 en dat voor november 1987 hij geen problemen had in Libanon. Het is inderdaad zo dat de echtgenoot van verzoekster geen problemen had voor
- Hij is evenwel in 1983 me haar gehuwd en zij was een joodse Argentijnse. Toen verzoekster samen met haar echtgenoot terugkeerde naar Libanon in 1987 zijn de problemen echter begonnen. Inderdaad werd de echtgenoot van verzoekster gelet op zijn huwelijk met een Joodse ervan verdacht Israëlische sympathieën te hebben en een spion van zionisme te zijn. Dit stelde hem bloot aan bedreigingen, intimidaties, pesterijen en fysiek geweld vanwege zowel privé-personen, christelijke milities als van overheidswege. Dat dit elementen zijn die betrekking hebben op verzoeksters ras, religie of tot het behoren tot een bepaalde sociale groep zodoende dat verzoekster en haar echtgenoot wel beroep kan doen op de Conventie van Genève. Dit was juist de reden waarom verzoekster vluchtte en dit is derhalve de reden waarom zij niet kan terugkeren. Verzoeksters echtgenoot heeft geen poging gedaan om nog terug te keren naar Libanon gelet op het feit dat hij over informatie beschikte van zijn familie dat de toestand helemaal niet verbeterd was. Inderdaad zijn de christelijke milities van destijds thans min of meer geïnstitutionaliseerd en zij maken zelfs deel uit van het regulier leger, hetgeen de situatie nog gevaarlijker maakt. Dat zodoende de bestreden beslissing op dit punt geen afdoende motivering naar voren brengt. Ten tweede stelt de bestreden beslissing dat de echtgenoot van verzoekster reeds vijftien jaar geleden Libanon verlaten heeft en gedurende deze vijftien jaar heeft hij twaalf jaar legaal in Italië geleefd en 8 'a 9 maanden in Frankrijk alwaar geen vervolgingsfeiten hebben voorgedaan en verzoeker haalt verzoeker geen geldige reden aan waarom hij geen bescherming zou kunnen krijgen van de Italiaanse of Franse autoriteiten. Het is namelijk zo dat hij echter nooit politiek asiel aangevraagd heeft in Frankrijk of Italië. Dit omwille van het feit dat verzoeker op dat ogenblik asiel aanvragen niet noodzakelijk achtte omdat hij aldaar op regelmatige wijze kon verblijven en omdat hij steeds de hoop koesterde om nog naar Libanon terug te keren. Uiteindelijk is verzoekster samen met haar echtgenoot naar België gekomen omdat hij nog bindingen had met dit land daar zijn moeder de Belgische nationaliteit had en hier tevens verbleef. Het is pas wanneer het voor verzoeksters echtgenoot voor 100% duidelijk was dat een eventuele terugkeer niet meer mogelijk was zij in België asiel aanvroegen. Het is dan ook onredelijk van de bestreden beslissing om op basis van voorgaande considerans een negatieve beslissing te schragen. Dat de elementen van verzoeksters asielrelaas in het licht van de Vluchtelingenconventie en de daarin gehanteerde criteria genoegzaam volstaan. Dat ten gevolge van dergelijke flagrante schendingen van hoger vermelde middelen de bestreden beslissing dient vernietigd te worden.”; 2.
- Overwegende dat artikel 6, § 1, van het E.V.R.M. stelt dat bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, eenieder het recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld; dat deze bepaling enkel betrekking heeft op jurisdictionele procedures en niet op administratieve XIV-16.696-4/6 procedures zoals deze waarbij uitspraak wordt gedaan over een administratief beroep ingesteld tegen een beslissing over een asielaanvraag, dat de commissaris-generaal met de bestreden beslissing terdege handelt als een administratieve overheid en niet als een administratief rechtscollege; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de formele motiveringsplicht, zoals vastgelegd in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en in artikel 62 van de Vreemdelingenwet, tot doel heeft dat de bestuurde in de hem aanbelangende beslissing de gronden kan terugvinden waarop die beslissing is gesteund om aldus met kennis van zaken te kunnen nagaan of het zinvol is gebruik te maken van de beroepsmogelijkheden waarover de bestuurde in rechte beschikt; dat in de bestreden beslissing eerst en vooral wordt verwezen naar de bevestigende beslissing tot weigering van verblijf van dezelfde datum betreffende de echtgenoot van de verzoekende partij, Jean Meguerdiche AJAMIAN; dat de verzoekende partij bij haar verhoor op het commissariaat- generaal zelf heeft verklaard dat haar asielaanvraag in hoofdorde op de door haar echtgenoot aangebrachte motieven is gesteund; dat de verzoekende partij niet ernstig kan aanvoeren dat zij “niet weet tegen welke motieven ze zich moet verweren”, nu de verzoekende partij en haar echtgenoot samenwonen en de beslissingen betreffende haarzelf en betreffende haar echtgenoot op dezelfde datum en op hetzelfde adres werden betekend en nu uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven uit de beslissing betreffende haar echtgenoot kent en ze inhoudelijk aanvecht; dat daarmee aan de voornaamste doelstelling van de formele motiveringsplicht is voldaan en dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat het middel voor het overige is gericht tegen de motieven van de beslissing betreffende de echtgenoot van de verzoekende partij, Jean Meguerdiche AJAMIAN, en naar de inhoud identiek is aan het middel dat deze laatste in de zaak met het rolnummer A. 141.442/XIV-16.693 heeft aangevoerd tegen de hem aanbelangende bevestigende beslissing tot weigering van verblijf van dezelfde datum; dat dat middel met ‘s Raads arrest nr. 156.640 van 20 maart 2006 ongegrond is bevonden; dat de verzoekende partij derhalve geen belang meer kan doen gelden om hetzelfde middel nog aan te voeren en dat het middel om die reden en in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij niet ingaat op het motief, wat enkel haarzelf betreft, dat de ingeroepen economische problemen in Argentië vreemd zijn aan de criteria van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en derhalve niet in aanmerking kunnen worden genomen;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van XIV-16.696-5/6 artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig maart tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-16.696-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.641 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div