id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.677 Rolnummer: A. 171103/XIV-25012 Zaak: Arrest 156677 - - 21/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-22 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 14:31 Fiche Arrest nr 156.677 van 21 maart 2006 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 156.677 van 21 maart 2006 in de zaak A.171.103/XIV-25.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. JACOBS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Kroonlaan 207 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 20 mei 1969 en van Russische nationaliteit, op 18 maart 2006 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 15 maart 2006 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, en van de beslissing tot het vasthouden in een welbepaalde plaats, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 15 maart 2006; Gelet op de beschikking van 21 maart 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 20 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op dinsdag 21 maart 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-25.012-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. JACOBS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat S. DE VRIEZE, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 1.
- Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster op dit ogenblik verblijft in het centrum 127bis te Steenokkerzeel om een “effectieve overdracht uit het grondgebied te waarborgen”; dat in dit verband wordt verwezen naar de tweede bestreden beslissing, waaruit blijkt dat een dwangmaatregel werd genomen met het oog op een daadwerkelijke verwijdering; dat uit de debatten is gebleken dat een eventuele repatriëring gepland is op 22 maart 2006; dat bijgevolg is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2; 1.
- Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoekster ondermeer de schending aanvoert van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat verzoekster in dit verband betoogt dat de eerste bestreden beslissing een onvermijdelijke scheiding met de heer I. tot gevolg heeft; dat zij in dit verband stelt dat zij gehuwd is met voornoemde heer; Overwegende dat uit de eerste bestreden beslissing en uit de stukken van het administratief dossier (stuk 42) blijkt dat de Dienst Vreemdelingenzaken ervan is uitgegaan dat er sprake is van een “traditioneel huwelijk”; dat ondanks het feit dat het om een “traditioneel huwelijk” en dus niet om een wettelijk huwelijk zou gaan, aangezien geen bewijs voorligt van dit huwelijk, aanvaardt de Dienst Vreemdelingenzaken impliciet de relatie die er zou bestaan tussen verzoekster en de heer I.; dat de Dienst XIV-25.012-2/4 Vreemdelingenzaken in de eerste bestreden beslissing immers gewag maakt van “partner” van verzoekster en zelfs van “man” van verzoekster; Overwegende dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken voor wat de heer I. betreft, een beslissing tot weigering van verblijf heeft genomen (bijlage 26bis), met de omstandigheid dat de heer I. dringend beroep heeft aangetekend tegen voornoemde beslissing en dat hij in dit verband op 21 maart 2006 wordt verhoord op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat blijkt dat verzoekster op 22 maart 2006 zal worden gerepatrieerd naar Polen (stuk 47 van het administratief dossier); Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat de eerste bestreden beslissing op het eerste gezicht inderdaad een scheiding tussen verzoekster en de heer I. tot gevolg heeft, zoals verzoekster op goede gronden omstandig uiteenzet in haar verzoekschrift; dat aldus op het eerste gezicht het tweede lid van artikel 8 van het E.V.R.M. werd geschonden, omdat de verwerende partij niet aangeeft om welke dwingende redenen, nodig in een democratische samenleving, de inmenging in het privé-leven van voornoemde partners vereist is; Overwegende dat in die mate artikel 8 van het E.V.R.M. werd geschonden; dat bijgevolg werd voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2; 1.
- Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoekster op goede gronden betoogt dat de eerste bestreden beslissing een rechtstreekse en ongunstige weerslag heeft op de relatie tussen verzoekster en de heer I., relatie waarvan de verwerende partij het bestaan geenszins ontkent; dat bijgevolg is voldaan aan de derde cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2; Overwegende dat, wat de tweede bestreden beslissing betreft, de Raad van State onbevoegd is om hierover uitspraak te doen, XIV-25.012-3/4 BESLUIT: Artikel
- De schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt bevolen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 15 maart 2006 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Artikel
- De kosten worden in beraad gehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig maart tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-25.012-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.677 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.