id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.680 Rolnummer: A. 168576/XII-4607 Zaak: Arrest 156680 - - 21/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-27 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 14:33 Fiche Arrest nr 156.680 van 21 maart 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.680 van 21 maart 2006 in de zaak A. 168.576/XII-
- In zake : Rony TROCH, wonende te Gentbrugge, Henri Pirennestraat 61 tegen : de GEMEENTE MERELBEKE, die woonplaats kiest bij advocaat P. Devers, kantoor houdende te Gent, Kouter 71-
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Rony Troch op 13 december 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de Gemeenteraad van de gemeente Merelbeke van 13 mei 2003 om verzoeker met ingang van 1 september 2003 voor de periode van 2 jaar aan te stellen op proef voor de vacante betrekking van directeur in de gemeentelijke basisschool Merelbeke en de impliciete weigering om verzoeker met ingang van 1 september 2003 vast te benoemen in deze betrekking” en van “de beslissing van de Gemeenteraad van de gemeente Merelbeke van 23 augustus 2005 om op basis van het evaluatiedossier en een negatieve beoordeling niet over te gaan tot vaste benoeming van verzoeker en hij bijgevolg dient terug te keren naar zijn vroeger ambt bij een andere inrichtende macht”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht op grond van artikel 94 van XII-4607-1\12 het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikkingen van 14 februari 2006 houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 maart 2006; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat H. Vermeire, die loco advocaat P. Devers verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Voorgaanden
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Bij beslissing van 24 augustus 2001 van het college van burge- meester en schepenen van de gemeente Merelbeke wordt verzoeker met ingang van 1 september 2001 tot 31 augustus 2002 voor een periode van 1 jaar aangesteld in een vacante betrekking van directeur zonder klas in de sector onderwijs, afdeling gemeentelijke basisschool van de gemeente. Op 4 september 2001 bekrachtigt de gemeenteraad deze aanstelling. XII-4607-2\12 Bij beslissing van 23 augustus 2002 stelt het college van burgemeester en schepenen verzoeker ook voor de periode van 1 september 2002 tot 31 augustus 2003 aan als directeur in diezelfde betrekking; op 3 september 2002 bekrachtigt de gemeenteraad ook die aanstelling. Op 13 mei 2003 beslist de gemeenteraad om verzoeker, die na een daartoe gehouden selectieproef als eerste werd gerangschikt, met ingang van 1 september 2003 voor een periode van twee jaar op proef aan te stellen in de vacante betrekking van directeur in de sector onderwijs, afdeling basisonderwijs, van de gemeente Merelbeke. Bij brief van 16 september 2004 meldt de vakorganisatie van verzoeker aan de schepen van onderwijs dat verzoeker met toepassing van artikel 42 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding (hierna: rechtspositiedecreet) met ingang van 1 september 2003 aanspraak maakt op een vaste benoeming in de in geding zijnde betrekking. Die brief blijft zonder antwoord, en bij brief van 3 mei 2005 schrijft de vakorganisatie de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen aan met het verzoek de gemeente Merelbeke te wijzen op verzoekers recht op een vaste benoeming, zoals voormeld. In een toelichting voorafgaand aan een gesprek van de gemeenteraad met verzoeker op 26 april 2005 geeft schepen A. Pede de gemeenteraadsleden op 26 april te kennen : “Hij [verzoeker] zou staande kunnen houden, aangezien hij twee volledige schooljaren aangesteld is geweest en aangezien er een vacante plaats was, dat hij recht heeft op een vaste benoeming. Dat was ons niet bekend en we hebben toen het OVSG om advies gevraagd. Het blijkt dus juist te zijn [...]”. Op 27 juni 2005 kent de gemeentesecretaris verzoeker een beoordeling “onvoldoende” toe. Bij schrijven van 29 juni 2005 tekent verzoeker bij het schoolbestuur van de gemeente bezwaar aan tegen de gekregen beoordeling. Met een schrijven van 5 juli 2005 doet hij dit ook bij het college van burgemeester en schepenen. XII-4607-3\12 Op 23 augustus 2005 beslist de gemeenteraad niet over te gaan tot de vaste benoeming van verzoeker als directeur in de sector onderwijszaken, afdeling basisonderwijs. Bij deurwaardersexploot van 23 augustus 2005 wordt de voornoemde beslissing aan verzoeker betekend. Melding wordt hierin gemaakt van de mogelijkheid er bij de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur bezwaar tegen aan te tekenen. Bij brief van 7 september 2005 dient verzoeker bij wege van zijn vakorganisatie bij de Vlaamse regering een dergelijk bezwaar in. Op 4 november 2005 deelt de minister verzoeker mede dat in het schrijven van 23 augustus 2005 van het gemeentebestuur ten onrechte melding wordt gemaakt van de beroepsprocedure in het gemeentelijk toezichtsdecreet. Op 16 november 2005 beslist de kamer van beroep van het gesubsidieerd officieel onderwijs dat die kamer al evenmin bevoegd is om te oordelen over de vraag of verzoeker al dan niet als vast benoemd moet worden beschouwd, evenmin als ze bevoegd is om uitspraak te doen over de weigering van de gemeente- raad hem in vast verband te benoemen wegens een negatieve evaluatie; Ontvankelijkheid van het annulatieberoep 2.
- Overwegende dat verwerende partij de ontvankelijkheid van het beroep betwist, wat het eerste voorwerp betreft, wegens laattijdigheid en vanwege gebrek aan belang “zoniet rechtsverwerking”, omdat het besluit van 13 mei 2003 aan verzoeker bekend is sinds het hem bij brief van 22 mei 2003 werd betekend en hij aan de selectieprocedure waarop dat besluit betrekking heeft zonder enig voorbehoud deelnam, meer nog: hij het besluit impliciet maar zeker heeft aanvaard door er meer dan één jaar “protestloos uitvoering aan [te hebben] gegeven” en door “pas op 16 september 2004, na een periode van ziekte -van 10 maart 2004 tot en met 4 juni 2004” aanspraak te hebben gemaakt op vaste benoeming met ingang van 1 september 2003; 2.
- Overwegende dat door verwerende partij geen bewijs wordt overgelegd van een kennisgeving van het bestreden raadsbesluit die de vermeldingen bevat, voorgeschreven bij het artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat dit artikel 19, tweede lid, bepaalt dat de beroepen bedoeld XII-4607-4\12 bij artikel 14, § 1, van dezelfde gecoördineerde wetten alleen een aanvang nemen op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking, het bestaan van die beroepen, alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt; dat, zoals bij arrest nr. 134.024, Lecocq, van 19 juli 2004 van de algemene vergadering van de afdeling administratie is gesteld, dit artikel 19, tweede lid, afwijkt van de regels betreffende de verjaring van beroepen en net als die regels van openbare orde is; dat voor die bepaling geen uitzondering geldt; dat bijgevolg verzoeker, die overigens niet verweten kan worden tergend lang te hebben stilgezeten, zich op goede grond beroept op de bescherming die hem door bedoeld artikel 19, tweede lid, wordt geboden; dat de exceptie wordt verworpen; dat het beroep kennelijk niet laattijdig is en aan verzoeker het belang niet kan worden ontzegd om zijn aanspraken op een vaste benoeming in rechte beoordeeld te zien worden; 3.
- Overwegende dat verwerende partij nog opwerpt dat het enig aangediende middel zich alleen richt tegen het eerste voorwerp van het beroep, terwijl het tweede gemeenteraadsbesluit daarvan geen gevolgakte is maar een afzonderlijk volledig op eigen motieven steunend en op zich bij de Raad aanvechtbaar besluit; dat het beroep tegen het raadsbesluit van 23 augustus 2005 om die reden volgens haar niet ontvankelijk is; 3.
- Overwegende dat deze exceptie direct verband houdt met de grond van de zaak, en met name met het al dan niet gegrond bevinden van verzoekers enig middel, gericht tegen de gemeenteraadsbeslissing van 13 mei 2003 hem met ingang van 1 september 2003 voor de periode van twee jaar op proef aan te stellen als directeur in het gemeentelijk basisonderwijs én, vooral, de uit die beslissing blijkende weigering om hem vast te benoemen; dat immers, zo komt vast te staan dat verzoeker met goed gevolg een recht op benoeming als door hem beoogd aanvoert, dan meteen ook bij weeromstuit vaststaat dat er voor een beslissing als die van 23 augustus 2005 van de gemeenteraad, om niet tot de vaste benoeming van verzoeker over te gaan, feitelijk noch rechtens enige grond of motief voorhanden was, zodat die beslissing, alleen al om die reden, samen met de in eerste orde bestreden beslissing in rechte vernietigd dient te worden; dat verzoeker die zienswijze overigens bij de hierna overgeschreven adstructie van zijn enig middel ook klaar en duidelijk uiteenzet; De vernietigingsgrond XII-4607-5\12 4.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel de schending aanvoert van artikel 42 van het rechtspositiedecreet en van de materiële motiveringsplicht; dat hij betoogt : “Vermits verzoeker sedert 1 september 2001 is aangesteld als directeur in de gemeentelijke basisschool Merelbeke diende hij op 1 september 2003 vast benoemd te worden. Artikel 42 van het DRP is immers duidelijk, op het einde van het tweede volledige schooljaar dient de inrichtende macht te beslissen ofwel tot vaste benoeming van het personeelslid ofwel tot terugkeer van het perso- neelslid naar zijn vorig ambt. In casu werd op 1 september 2003 niet zulke beslissing genomen. Op 13 mei 2003 besliste de gemeenteraad van de gemeente Merelbeke immers om verzoeker met ingang van 1 september 2003 voor de periode van 2 jaar aan te stellen op proef voor de vacante betrekking van directeur in de gemeentelijke basisschool Merelbeke, wat tevens de impliciete weigering inhoudt om verzoeker met ingang van 1 september 2003 vast te benoemen in deze betrekking. Op 13 mei 2003 werd dus een beslissing genomen die men overeenkomstig artikel 42 van het DRP niet kon nemen. Ofwel diende verzoeker immers vastbenoemd te worden ofwel diende hij terug te keren naar zijn vorig ambt. Deze stelling wordt tevens bevestigd in het arrest nr. 89.595 van de Raad van State van 12 september 2000 (bijlage 12) waarin men stelt dat overeenkomstig artikel 42, §1 DRP men na verloop van de termijn van 2 jaar ofwel dient vast te benoemen ofwel men dient te beslissen tot de terugkeer naar het vorige ambt. Door dit niet te doen, werd in casu artikel 42 van het DRP geschonden ten aanzien van de eerste bestreden beslissing. Daar de eerste bestreden beslissing steunt op een onwettige grond zal zij ook een schending inhouden van de materiële motiveringsplicht. Dat verzoeker recht had op vaste benoeming op 1 september 2003 werd trouwens bevestigd door de schepen op 26 april 2005 die stelt dat verzoeker kan staande houden dat hij recht heeft op een vaste benoeming, maar dat het bestuur dit niet bekend was (cfr. bijlage 4). Ook de tweede bestreden beslissing zal een schending inhouden van artikel 42 van het DRP en de materiële motiveringsplicht. Deze beslissing bouwt immers verder op de eerste bestreden beslissing. Verzoeker werd op 1 september 2003 aangesteld als directeur op proef voor een periode van 2 jaar, hierbij krijgt hij een negatieve evaluatie en wordt niet vast benoemd. Vermits men echter de eerste beslissing overeenkomstig artikel 42 DRP niet kon nemen en deze dus onwettig is, zal ook de tweede bestreden beslissing die voortvloeit uit de eerste bestreden beslissing onwettig zijn en een schending inhouden van artikel 42 van het DRP en de materiële motiveringsplicht. Daarnaast bepaalt artikel 42 van het DRP nog dat indien de inrichtende macht geen beslissing neemt voor het einde van de periode van 2 schooljaren het personeelslid dat aan alle voorwaarden voldoet van artikel 40 geacht wordt van ambtswege vast benoemd te zijn in het selectie- of bevorderingsambt. Daar verzoeker aan alle voorwaarden van artikel 40 voldoet op 1 september 2003 dient hij dan ook geacht te worden van ambtswege vast benoemd te zijn in de betrekking van directeur. Vermits verzoeker op grond van artikel 42 DRP geacht wordt vast benoemd te zijn op 1 september 2003 kon men onmogelijk beslissen op 23 augustus 2005 om verzoeker niet vast te benoemen vermits hij reeds als vast benoemd dient beschouwd te worden sedert 1 september
- Ook hierdoor houdt de tweede bestreden beslissing een schending in van artikel 42 DRP en de materiële motiveringsplicht”; XII-4607-6\12 Overwegende dat de verwerende partij hierop in de nota in de schorsingsprocedure antwoordt : “
- De verzoeker vertrekt van een verkeerde lezing van het artikel 42, §1, derde lid van het toepasselijk rechtspositiedecreet. Dat lid vangt immers als volgt aan : ‘Wanneer het personeelslid tijdelijk in een selectie- of bevorderingsambt wordt aangesteld in afwachting van een vaste benoeming neemt...’
- Welnu de verzoeker werd, bij de gemeenteraadsbesluiten van 4 september 2001 en 3 september 2002 (of bij de aldus bekrachtigde collegebesluiten van 24 augustus 2001 en 23 augustus 2002) helemaal niet tijdelijk aangesteld met het oog op of in afwachting van een vaste benoeming, maar eenvoudigweg tijdelijk aangesteld, met telkens strikte afbakening van de duur, enerzijds voor de periode van 1 september 2001 tot 31 augustus 2002 en anderzijds voor de periode 1 september 2002 tot 31 augustus
- De bedoelde besluiten, en met name deze anno 2001, kunnen derhalve niet geacht worden te zijn geschied in afwachting van een vaste benoeming in het betrokken selectieambt.
- Mogelijks zou kunnen worden voorgehouden (hetgeen de verzoeker in zijn middel niet doet) dat de bedoelde besluiten wringen met artikel 42, §1, eerste lid van het toepasselijk rechtspositiedecreet van 27 maart 1991, doch deze besluiten, die ook thans met name wat betreft hun duurtijd (telkens één schooljaar) niet, ook niet zijdelings langs artikel 159 van de Grondwet om, worden aangevochten, zijn definitief en de verzoeker kan er niet meer rechten uit putten dan deze die hem erin worden toegekend.
- Overigens dient te worden vastgesteld dat op 13 mei 2003 het einde van het tweede volledige schooljaar, waarvan sprake in artikel 42, §1, derde lid van het toepasselijke rechtspositiedecreet niet was bereikt”; 4.
- Overwegende dat artikel 42, § 1, van het rechtspositiedecreet luidt : “§
- Een selectie- of bevorderingsambt kan tijdelijk worden toegewezen : a) indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is; b) in een betrekking waarin op grond van artikel 39 geen benoeming mogelijk is; c) in afwachting van een vaste benoeming in het selectie- of bevorderingsambt. In afwachting van de vaste benoeming blijft het personeelslid in voorkomend geval titularis van het ambt waarin het vast benoemd is. Wanneer het personeelslid tijdelijk in een selectie- of bevorderingsambt wordt aangesteld in afwachting van een vaste benoeming, neemt de inrichtende macht uiterlijk op het einde van het tweede volledige schooljaar, een beslissing houdende hetzij vaste benoeming van het personeelslid in het selectie- of bevorderingsambt, indien het op dat ogenblik aan alle voorwaarden van artikel 40 voldoet, hetzij de terugkeer van het personeelslid naar zijn vorig ambt. Indien de inrichtende macht geen beslissing neemt vóór het einde van die periode wordt het personeelslid dat aan alle voorwaarden van artikel 40 voldoet, geacht van ambtswege vast benoemd te zijn in het selectie- of bevorderingsambt, tenzij het voordien schriftelijk te kennen geeft deze benoeming niet te wensen. De termijn van twee volledige schooljaren kan worden verlengd wanneer het gaat om : XII-4607-7\12 1/ de bevorderingsambten in éénklassige kleuter-, lagere en bassisscholen, voor zover personeelsleden van de inrichtende macht die aan de benoemingsvoorwaarden voldoen, hiervoor niet hebben gekandideerd; 2/ de bevorderingsambten van beheerder-internaat, voor zover de titularis van dit ambt niet aan de voorwaarden voor benoeming voldoet; 3/ [opgeheven].”; 4.
- Overwegende dat de Raad van State vaststelt wat volgt : - In de voorliggende zaak blijkt niet dat verzoeker bij de naderhand door de gemeenteraad op 4 september 2001 bekrachtigde beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 24 augustus 2001 met ingang van 1 september 2001 was aangesteld met toepassing van het onder artikel 42, § 1, eerste lid, a), hiervoor gestelde. In de aanhef van het collegebesluit wordt immers formeel verwezen naar : “[...] onze beslissing van 14 november 2000 inhoudende vervroegde oppensioenstelling op ‘medische gronden’ van de heer Freddy Thienpont, vastbenoemd schoolhoofd zonder klas in de Sector Onderwijs, Afdeling Gemeentelijke Basisschool, met ingang van 1 oktober 2000; [...] de beslissing van de gemeenteraad dd. 12 juni 2001 inhoudende vacantverklaren van de functie van directeur in de sector onderwijs, afdeling g e meent elijk e basisscho o l, waar bij d e aa n w e r v ing s - e n bevorderingsvoorwaarden, de wijze van kandidatuurstelling, het profiel van de functie van directeur en het examenprogramma werden vastgesteld”; - Al evenmin valt de aanstelling van verzoeker onder het onder artikel 42, § 1, eerste lid, b), gestelde : artikel 39 van het decreet heeft het over betrekkingen die hetzij deel uitmaken van instellingen die ingevolge de toepassing van rationalisatienormen in progressieve opheffing zijn, hetzij slechts voor een beperkte duur kunnen worden gesubsidieerd; Overwegende dat derhalve de aanstelling van verzoeker enkel onder te brengen is onder het in artikel 42, § 1, eerste lid, c), van het rechtspositiedecreet vermelde geval, met name een tijdelijke aanstelling “in afwachting van een vaste benoeming” in bedoeld ambt; dat daarbij niet kan worden betwist dat het te dezen om een vacante betrekking ging : in het raadsbesluit van 24 augustus 2001 wordt formeel verwezen naar de “open betrekking” en de vacantverklaring bij gemeenteraadsbeslissing van 12 juni 2001; Overwegende dat het gegeven dat de tijdelijke aanstellingen van verzoeker “met telkens strikte afbakening van de duur” zijn geschied, zoals de verwerende partij opmerkt, niet de vorenstaande rechtsopvatting ontkracht; dat in het systeem van artikel 42, § 1, van het rechtspositiedecreet, zoals de Raad overigens reeds overwoog in het arrest nr. 60.107, Michilsens, van 12 juni 1996, een tijdelijke XII-4607-8\12 aanstelling onder één van de drie opgesomde gevallen ondergebracht moet kunnen worden; dat niet valt in te zien hoe de aanstellingen van verzoeker onder de letter a) of b) zouden kunnen worden geplaatst, zodat de conclusie moet zijn dat het aanstellingen zijn zoals bedoeld in c) van artikel 42, § 1, eerste lid: tijdelijke aanstellingen dus “in afwachting van een vaste benoeming”; Overwegende dat de Raad in hetzelfde arrest van 12 juni 2006 reeds overwoog dat zowel met de tekst van artikel 42, § 1, eerste lid, c), als met de erbij in de parlementaire voorbereiding gegeven toelichting (Parl. St. Vl. R. 1990-1991, nr. 471/1) “bezwaarlijk een andere interpretatie verenigbaar is dan de volgende : aan wie twee volledige schooljaren als tijdelijk aangesteld directeur tot een goed einde heeft gebracht, kan zijn ‘recht op benoeming’ niet ontzegd worden”; dat geen gegevens de Raad er toe brengen het artikel 42, § 1, thans anders te moeten uitleggen; dat de Raad van State ook geen negatieve beoordeling over verzoekers wijze van dienen gedurende die twee schooljaren bekend is; dat uit wat voorafgaat blijkt dat wat de gemeenteraad op de datum van de in eerste orde bestreden beslissing van 13 mei 2003 te doen stond was, niet verzoeker met ingang van 1 september 2003 voor een periode van twee jaar op proef aan te stellen in de in geding staande betrekking, maar hem met toepassing van artikel 42, § 1, eerste lid, c), van het rechtspositiedecreet in diezelfde betrekking -minstens dan toch in bedoeld ambt- vast te benoemen; dat daarbij niet rechtens relevant is dat verzoeker op 13 mei 2003 de twee volledige schooljaren nog niet had bereikt, zoals de verwerende partij betoogt, aangezien wat geregeld wordt -en moet worden- is, verzoekers rechtspositie met ingang van 1 september 2003, datum waarop hij die twee jaar wel bereikt; 4.
- Overwegende dat het middel kennelijk gegrond is; dat het de nietigverklaring verantwoordt van het raadsbesluit van 13 mei 2003; dat het zoals uit wat voorafgaat blijkt, door verzoeker terecht ook betrokken wordt op de uit dat besluit blijkende weigering om hem vast te benoemen; dat verzoeker in dit gegrond bevonden middel de rechtsplicht aanvoert van het bestuur om hem te benoemen; dat hij, ter uitvoering van de hierna uit te spreken vernietiging van de impliciete weigering en de werking van artikel 42, § 1, eerste lid, c), van het rechtspositiede- creet, geacht moet worden met ingang van 1 september 2003 van ambtswege vast benoemd te zijn in het ambt; dat er voor de beslissing van 23 augustus 2005 van de gemeenteraad om niet over te gaan tot de vaste benoeming van verzoeker, kennelijk grond noch motief voorhanden kan zijn; dat er derhalve in het rechtsverkeer geen XII-4607-9\12 plaats voor is, zodat het alleen om die reden al mede hetzelfde lot als de eerste bestreden beslissingen dient te ondergaan;
- Overwegende dat het annulatieberoep kennelijk gegrond is; XII-4607-10\12 De ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing
- Overwegende dat de nietigverklaring van de bestreden beslissingen tot gevolg heeft dat de door verzoeker ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen geen voorwerp meer heeft, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd worden het gemeenteraadsbesluit van 13 mei 2003 van de gemeente Merelbeke om Rony Troch met ingang van 1 september 2003 voor de periode van twee jaar aan te stellen op proef voor de vacante betrekking van directeur in de gemeentelijke basisschool Merelbeke, de impliciete weigering om hem met ingang van 1 september 2003 vast te benoemen in het ambt van directeur en het gemeenteraadsbesluit van 23 augustus 2005 waarbij de gemeente Merelbeke beslist niet over te gaan tot zijn vaste benoeming. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-4607-11\12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig maart 2006, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4607-12\12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.680 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.