← België

Arrest 156697 - - 22/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.697 Rolnummer: A. 134145/VII-35337 Zaak: Arrest 156697 - - 22/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-03 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 14:34 Fiche Arrest nr 156.697 van 22 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 156.697 van 22 maart 2006 in de zaak A. 134.145/VII-35.337 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A.-S. ROGGHE, kantoor houdende te 7712 HERSEAUX, rue de la Citadelle 171 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Marokkaanse nationaliteit, op 14 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 januari 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet onontvankelijk wordt verklaard en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, beide aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 14 februari 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 25 maart 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-35.337-1/5 Gelet op de beschikking van 2 februari 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 8 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. VAN LOMMEL, die, loco advocaat A.-S. ROGGHE, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De auditeur stelt in zijn verslag de toepassing voor van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit. Uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel.

  1. De feiten. 1.
  2. XXX diende op 14 februari 2002 een aanvraag in om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. 1.
  3. Op 21 januari 2003 besliste de Minister van Binnenlandse Zaken tot de onontvankelijkheid van de aanvraag om machtiging tot verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: "(...) De buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art 9§3 zijn deze die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. Echter, de motieven die betrokkene inroept, te weten: verblijft bij haar broer, heeft geen familie meer in Marokko, vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen. Het verhindert haar niet om een aanvraag in het land van herkomst in te dienen. Tevens wordt art. 8 EVRM niet geschonden daar het 2de lid bepaalt dat een ingrijpen in het familieleven toegelaten is wanneer dit bij wet (in casu de vreemdelingenwet) voorzien is en in een democratische samenleving vereist is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten (illegaal verblijf is een strafbaar feit), de bescherming van de gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.". Dit is de bestreden beslissing. VII-35.337-2/5
  4. Beoordeling. 2.
  5. Verzoekster roept in een eerste middel de schending in van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Verzoekster stelt dat de verwerende partij niet heeft geantwoord op de door haar ontwikkelde argumenten met betrekking tot de ontvankelijkheid van haar aanvraag. Zij stelt verder dat de verwerende partij zich beperkt tot een letterlijke herhaling van het tweede lid van artikel 8 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (E.V.R. M.), zonder uit te leggen in welke mate die inmenging in evenredige verhouding staat met het belang dat wordt nagestreefd. De formele motiveringsplicht heeft tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt. Verzoekster heeft dan ook geen belang bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht. De toetsing van de formele motivering brengt in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich mee. De formele motiveringsplicht houdt evenmin in dat het bestuur moet antwoorden op alle door de bestuurde aangevoerde feitelijke en juridische elementen. Het volstaat dat de determinerende motieven van de beslissing worden weergegeven. Dit is te dezen het geval. De bestreden beslissing streeft één van de door artikel 8 van het E.V.R.M. opgesomde mogelijke beperkingsdoeleinden na en is door de wet voorzien. De verblijfsreglementering is een middel ter vrijwaring van ‘s lands openbare orde en is nodig in een democratische samenleving. De verwerende partij geeft in de bestreden beslissing in concreto weer waarom zij artikel 8 van het E.V.R.M. niet geschonden acht. Zij beperkt zich dus niet tot een letterlijke herhaling van het voornoemde artikel
  6. Het betoog van verzoekster mist bijgevolg feitelijke grondslag. Het middel is niet gegrond. 2.
  7. In een tweede middel roept verzoekster de schending in van ‘het beginsel dat een administratieve overheid verplicht te antwoorden op alle aangevoerde elementen’. VII-35.337-3/5 Er is de Raad van State geen beginsel bekend dat inhoudt dat een administratieve overheid op alle door de bestuurde ingeroepen argumenten dient te antwoorden. Het volstaat voor de administratieve overheid de determinerende motieven weer te geven waarop de bestreden beslissing is gesteund. In casu is dit geval. Het middel is niet gegrond. 2.
  8. Verzoekster roept in een derde middel de schending in van artikel 8 van het E.V.R.M.. Zij betoogt dat zij geen familie heeft in haar land van herkomst, dat zij in een hotel zal moeten verblijven en dat zij langdurig zal gescheiden zijn van haar familie. De bestreden beslissing strekt er niet toe het gezinsleven van verzoekster te verhinderen of te bemoeilijken. De beslissing houdt enkel in dat zij geen buitengewone omstandigheden doet gelden die haar zouden vrijstellen om haar aanvraag om machtiging tot verblijf volgens de geëigende procedure, meer bepaald vanuit haar land van herkomst, in te dienen. Uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat verzoekster niet aantoont dat de bestreden beslissing op dat vlak kennelijk onredelijk is. Het middel is niet gegrond.
  9. De verzoekende partij heeft geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd. Er is derhalve grond om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit zodat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-35.337-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig maart tweeduizend en zes, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-35.337-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.697 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.