← België

Arrest 156700 - - 22/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.700 Rolnummer: A. 132926/XIV-30558 Zaak: Arrest 156700 - - 22/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-03 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 14:35 Fiche Arrest nr 156.700 van 22 maart 2006 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 156.700 van 22 maart 2006 in de zaak A. 132.926/VII-28.994 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat L. DENYS, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Roemeense nationaliteit, op 12 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van “de beslissing” van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 januari 2003 waarbij zijn aanvraag tot het bekomen van een verlenging van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten om medische redenen, wordt geweigerd; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 2 februari 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 8 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-28.994-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. ROBERT, die, loco advocaat L. DENYS, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. De feiten. 1.
  2. De verzoekende partij heeft op 3 april 2001 een asielaanvraag ingediend. Deze asielaanvraag werd afgesloten met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 14 mei
  3. 1.
  4. Op 23 mei 2001 diende de verzoekende partij een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). Op 13 december 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij die aanvraag onontvankelijk werd verklaard. 1.
  5. Op 17 januari 2002 vraagt de verzoekende partij via haar raadsman om een tijdelijke verblijfsvergunning op basis van een medisch attest. Deze aanvraag werd op 11 februari 2002, 14 april 2002, 12 mei 2002, 4 september 2002, 4 november 2002 en 7 januari 2003 herhaald. 1.4 Op 14 januari 2003 liet de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken aan raadsman van de verzoekende partij weten dat geen gevolg kan worden gegeven aan de aanvraag voor verblijfsverlenging om medische redenen. "Onder verwijzing naar Uw aanvraag voor verblijfsverlenging voor medische redenen, dien ik U mede te delen dat geen gunstig gevolg kan gegeven worden aan uw verzoek. Uit het controle-onderzoek van Dr. De Block blijkt dat betrokkene niet verhinderd is te reizen naar zijn land van herkomst en daar de nodige zorgen kunnen worden verstrekt. VII-28.994-2/6 Derhalve verzoek ik U de betrokkene uit te nodigen gevolg te geven aan de verwijderingsmaatregel die hem werd betekend.". Dit is de bestreden beslissing.
  6. Betreffende de toepassing van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli
  7. 2.1 In het verslag stelt de auditeur de toepassing voor van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit, omdat het beroep tot nietigverklaring onontvankelijk zou zijn. De auditeur stelt daarover het volgende: "De mededeling van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken aan de Raadsman van verzoekende partij dat niet kan worden ingegaan op de aanvraag voor verblijfsverlenging om medische redenen, is een niet voor nietigverklaring vatbare rechtshandeling. Het betreft een loutere uitvoeringsmaatregel die genomen werd na een eerder bevel om het grondgebied te verlaten.". 2.
  8. De verwerende partij heeft, als gevolg van de aanvraag van de verzoekende partij, haar raadsgeneesheer met een onderzoek van het dossier belast en de zaak opnieuw onderzocht. Daaruit lijkt te volgen dat zij het voornemen had om haar oorspronkelijke beslissing te herzien. De bestreden beslissing maakt dus geen loutere bevestiging uit van het eerder gegeven bevel om het grondgebied van het Rijk binnen een bepaalde termijn te verlaten maar een nieuwe zelfstandige beslissing die op het eerste gezicht, zonder nadere motivering, zomaar niet kan worden afgedaan als een loutere uitvoeringsmaatregel, zeker niet nu de verzoekende partij in haar verzoekschrift heeft verwezen naar rechtspraak van de Raad van State waarin, in bepaalde omstandigheden, vergelijkbare beslissingen wel werden beschouwd als voor vernietiging vatbare handelingen. Het zou niet ernstig zijn om te dezen het beroep tot nietigverklaring na een kort debat als onontvankelijk te verwerpen.
  9. Betreffende de vordering tot schorsing. 3.
  10. In het auditoraatsverslag wordt in subsidiaire orde voorgesteld de vordering tot schorsing te verwerpen wegens onontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring. Gezien de nota van de verwerende partij; Hierboven werd reeds geoordeeld dat het beroep op het eerste gezicht niet onontvankelijk is. VII-28.994-3/6 3.
  11. Op grond van artikel 17,§2,van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat er ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.
  12. De verzoekende partij zet een enig middel uiteen dat luidt als volgt: "De formele motiveringsplicht houdt in dat verzoeker in staat moet zijn de motieven van de weigering te begrijpen na lezing van de beslissing. In de bestreden beslissing wordt er verwezen naar het verslag van controlearts dr. De Block, waaruit zou blijken dat verzoeker niet verhinderd is te reizen naar zijn land van herkomst en daar de nodige zorgen zouden kunnen worden verstrekt. Het verslag is echter niet aangehecht aan de bestreden beslissing, noch wordt de inhoud van het verslag overgenomen in de beslissing zelf. Zowel verzoeker als zijn advocaat hebben er het raden naar welke concrete motieven en gegevens de arts van tegenpartij inroept en gebruikt om tot zijn conclusie te komen, die de grondslag vormt van de bestreden beslissing. Verzoeker is aldus in de onmogelijkheid om na te gaan of de beslissing op goede redenen steunt, waardoor de formele motiveringsplicht wordt geschonden.". Het doel van de motiveringsplicht wordt niet bereikt door een verwijzing naar een advies waarvan de inhoud door de bestuurde onbekend is gebleven. De inhoud van dat stuk moet aan de betrokkene ter kennis zijn gebracht hetzij vooraleer de bestreden beslissing is genomen hetzij samen met die beslissing. Het middel is ernstig. 3.
  13. Met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zet de verzoekende partij het volgende uiteen: "De bestreden beslissing weigert over te gaan tot een verlenging van het bevel om het grondgebied te verlaten en beveelt aan verzoeker dringend het grondgebied te verlaten. Uit de medische attesten van dr. Bob Brouwers blijkt dat verzoeker op 27.05.2002 een operatie onderging waarvan de revalidatietermijn op 1 jaar werd vastgesteld. Verzoeker ondergaat tot op heden strikte medische opvolging voor de medische problemen die werden ingeroepen in de aanvraag tot verlenging van het bevel om het grondgebied te verlaten. Indien verzoeker aldus gevolg zou moeten geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, zou hij deze medische behandeling moeten stopzetten, hetgeen uiteraard een moeilijk te herstellen ernstig nadeel met zich meebrengt. Verzoekende partij meent dat de uitvoering van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal berokkenen.". De verwerende partij stelt daar het volgende tegenover: "Verzoeker stelt een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voor als zou in het land van herkomst geen opvolging mogelijk zijn van in België ondergane operatie, terwijl de interventie zelf mogelijk is in Roemenië. VII-28.994-4/6 Er wordt zodoende geen moeilijk te herstellen nadeel aangetoond.". De uiteenzetting van de verzoekende partij, die niet op een ernstige wijze wordt tegengesproken door de verwerende partij, komt overtuigend over. Op grond van deze vaststellingen kan de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing worden bevolen, BESLUIT: Artikel
  14. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 januari 2003 waarbij zijn aanvraag tot het bekomen van een verlenging van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten om medische redenen, wordt geweigerd. Artikel 2 Het beroep tot nietigverklaring zal worden onderzocht en behandeld overeenkomstig hetgeen bepaald is in de artikelen 21 tot 25 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Artikel
  15. De kosten worden voorbehouden. VII-28.994-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig maart tweeduizend en zes, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-28.994-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.700 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.