← België

Arrest 156754 - - 23/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.754 Rolnummer: A. 95389/XII-4455 Zaak: Arrest 156754 - - 23/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-14 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 14:45 Fiche Arrest nr 156.754 van 23 maart 2006 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.754 van 23 maart 2006 in de zaak A. 95.389/XII-

  1. In zake : Eddy DE MONDT, die woonplaats kiest bij advocaat H. Schyvens, kantoor houdende te Antwerpen, Sint-Jozefstraat 43 tegen :
  2. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat H. Van Rooy, kantoor houdende te Antwerpen, Oudaan 22-24
  3. de VLAAMSE GEMEENSCHAP. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eddy De Mondt op 8 september 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “

(1)de beslissing, op 14.06.2000 genomen door dr. Luc Valcke, hoofdgeneesheer- directeur van de Administratieve Gezondheidsdienst, Bestuur van de Medische Expertise, Geneeskundig Centrum Gent, tevens ‘eindbeslissing pensioencommissie - beroepsprocedure’, doch slechts in zoverre daarbij dr. Valcke, in zijn voormelde hoedanigheid, heeft beslist, ten aanzien van verzoeker : ‘Artikel 67/14/11 is niet van toepassing’
(2)de beslissing, op 07.07.2000 genomen door de afgevaardigde van de directeur-generaal van de Administratieve Gezondheidsdienst/4de bureau bij het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid & Milieu, Bestuur van de Medische Expertise, doch slechts in zoverre daarbij bedoelde afgevaardigde, c.q. de pensioencommissie in beroep heeft beslist dat verzoeker, vanaf 18.04.2000, niet is aangetast door een ‘ernstige en/of langdurige ziekte’, zoals vermeld in art. 11 K.B. 18.01.1974 betreffende het statuut van sommige categorieën van het Rijksonderwijs
(3)de beslissing, op 25.08.2000 genomen door de heer Willy Havet, afgevaardigde van de directeur bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Beleidsuitvoering Personeel Secundair Onderwijs, waarbij de heer Havet, in zijn XII-4455-1\13 voormelde hoedanigheid, heeft beslist dat de uitbetaling, aan verzoeker, van de som van 47.426 frank, over de periode 01.04.2000 t/m 30.06.2000, strijdig was met de bepaling van art. 10 K.B. 18.01.1974, en waarbij, na eindbeslissing van AGD d.d. 07.07.2000, een herziening werd doorgevoerd van het wachtgeld waarop verzoeker, vanaf 18.04.2000 aanspraak kan maken -wachtgeld voortaan aan 59% i.p.v. aan 100%-”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 16 juni 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van verzoeker en de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 10 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. Schuyvens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat K. Hulpiau, die loco advocaat H. Van Rooy verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
  1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Verzoeker is sinds 1 januari 1996 vast benoemd als leraar praktische vakken aan de provinciale technische scholen te Boom. XII-4455-2\13 Wegens overschrijding van het tegoed aan ziektedagen is verzoeker in disponibiliteit sedert 2 november
  2. De administratie van de Vlaamse Gemeenschap vraagt een onderzoek van verzoeker aan door de pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst (afgekort: AGD). Verzoeker ondertekent op 16 februari 1999 “voor akkoord”, de kennisgeving van de beslissing van 29 januari 1999 van de hoofdgeneesheer van de AGD dat hij momenteel op medische gronden de voorwaarden niet vervult om vroegtijdig te worden gepensioneerd, hij wel ongeschikt is om werkzaamheden te vervullen en op aanvraag van het bestuur binnen twaalf maanden opnieuw door de pensioencommissie moet worden onderzocht en hij aangetast is door een ernstige of langdurige ziekte zoals vermeld in artikel 11 van het koninklijk besluit van 18 januari 1974 betreffende het statuut van sommige categorieën personeel van het rijksonderwijs. Op 10 februari 2000 hernieuwt de administratie haar aanvraag om onderzoek door de pensioencommissie. Bij aangetekend schrijven van 15 mei 2000 wordt verzoeker kennis gegeven van de beslissing van 18 april 2000 van de hoofdgeneesheer van de AGD, dat hij wegens definitieve ongeschiktheid voor elke functie de voorwaarden vervult om definitief vroegtijdig te worden gepensioneerd en dat hij is aangetast door een ernstige of langdurige ziekte zoals vermeld in meervermeld artikel
  3. De gemotiveerde medische redenen die aanleiding gaven tot de beslissing zijn : “- 44 jarige leraar met hodgkin lymfoon in remissie - meer dan drie jaar thuis - onvoldoende weerstand voor werkhervatting”. Een door verzoeker aangeduid geneesheer dient voor verzoeker op 25 mei 2000 een gemotiveerd bezwaar in, waarin hij vraagt “om de definitieve pensionering op te schorten, mede gezien de jonge leeftijd van de patiënt en zijn wil om bij verder herstel het werk, eventueel in aangepaste vorm, te hervatten”. Bij de bespreking wordt over verzoeker onder meer vermeld “fysisch als psychisch [...] een moeizame recuperatie waardoor hij langdurig werkonbekwaam bleef” maar wordt ook gesteld dat “hoewel de patiënt nog een uitgebreid klachtenpatroon vertoont, er toch een geleidelijke recuperatie optreedt zowel op psychisch als fysisch vlak” en dat “kan worden aangenomen dat er een verder herstel zal optreden over de komende maanden tot jaren”. Voor de arts “lijkt [het] weinig waarschijnlijk dat deze 44-jarige XII-4455-3\13 man met behoudens zijn non-Hodgkin lymfoom verder blanco antecedenten, van nu af aan definitief werkonbekwaam zou blijven”. Op 31 mei 2000 wordt verzoeker opgeroepen om zich op 14 juni 2000 voor het medisch onderzoek aan te melden in het kabinet van de hoofd- geneesheer met als reden van onderzoek: “Eindbeslissing door de Directeur-Generaal of zijn afgevaardigde (dr. Valcke)”. De 14 juni 2000 gedateerde “eindbeslissing pensioencommissie”, getekend door hoofdgeneesheer-directeur L. Valcke, is als volgt gemotiveerd : “Verwijzend naar het bezwaarschrift is de toestand in remissie doch zijn er heel wat fysische klachten die de oorzaak vormen dat betrokkene het werk niet kan hernemen. Ook werd nergens melding gemaakt van een streefdatum waarop het werk zal kunnen hervat worden maar vraagt opschorting van de beslissing en stelt dat herstel zal optreden in de komende maanden en ...jaren en bij een eventuele werkhervatting zou dit kunnen in een aangepaste vorm. Verwijzend naar het klinisch onderzoek kan hoger genoemde aandoening worden bevestigd. Verwijzend naar de voorgeschiedenis en naar het bezwaarschrift is het duidelijk dat een werkhervatting binnen een aanvaardbare termijn haalbaar moet zijn zoniet kan geen verder uitstel meer overwogen worden. Ter zitting werd gesteld om deze man nog een kans te geven op verder psychologisch herstel daar het bloedbeeld intussen gestabiliseerd is. Art. 11/15/67 kan in die omstandigheden voorlopig niet worden toegekend daar de afwezigheid heden het gevolg is van de moeilijke psychologische verwerking van de aandoening”. Op 7 juli 2000 wordt aan verzoeker het resultaat van de beroepsprocedure door een ambtenaar van de AGD als volgt meegedeeld : “Ik heb de eer U het resultaat van de beroepsprocedure die door U werd aangegaan tegen de beslissing van de pensioencommissie mede te delen. De afgevaardigde van de Directeur-Generaal, die U in eindbeslissing onderzocht, heeft beslist dat : - U THANS, op medisch vlak, de voorwaarden NIET vervult om toegelaten te worden tot het vroegtijdig pensioen wegens gezondheidsredenen; - U momenteel wel ongeschikt is om uw functies te vervullen en op aanvraag van uw bestuur rond 07/01/2001 opnieuw door de pensioen- commissie moet onderzocht worden, tenzij u ondertussen uw werkzaam- heden zou hebben hervat. U is niet aangetast door een ernstige en/of langdurige ziekte zoals vermeld in : vanaf 18.04.2000 - artikel 11 van het K.B. van 18.01.1974 betreffende het statuut van sommige categorieen personeel van het Rijksonderwijs. Deze beslissing is definitief. Beroep hiertegen is niet meer mogelijk. Heden wordt deze beslissing eveneens medegedeeld aan uw bestuur op wiens aanvraag U werd onderzocht. De administratieve uitvoering van deze beslissing valt volledig onder de verantwoordelijkheid van dit bestuur”. XII-4455-4\13 Bij dit schrijven is ook de aangehaalde motivering van de eindbeslissing als uittreksel bijgevoegd. Op 20 juli 2000 protesteert verzoeker bij de AGD over de melding van de ingangsdatum 18 april 2000 omdat, zo argumenteert hij, de beroepsbeslissing die niet de eerste beslissing bevestigt, uitwerking heeft op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening. De AGD antwoordt op 26 september 2000 dat een beroep opschortend is wat betreft de totaliteit van de beslissing in eerste aanleg en dat enkel in geval van een beslissing van pensionering, deze ingaat op de eerste van de maand volgend op de betekening van de nieuwe uitslag. Op 25 augustus 2000 vraagt het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap om terugbetaling van 47.426 frank onverschuldigde bedragen uitgekeerd voor de periode van 1 april 2000 tot 30 juni 2000, uitbetaald in strijd met artikel 10 van het koninklijk besluit van 18 januari 1974 wegens “eindbeslissing van AGD (d.d. 07.07.2000) herziening van wachtgeld vanaf 18.04.2000, aan 59% ipv. 100%”; De aanwijzing van de partijen
  4. Overwegende dat de tweede verwerende partij vraagt om buiten de zaak te worden gesteld; dat in het auditoraatsverslag wordt geoordeeld dat het gepast is dat zij als verwerende partij in het geding blijft, nu met het derde voorwerp van het beroep een beslissing wordt bestreden die van haar uitgaat; dat de tweede verwerende partij zich hierbij heeft neergelegd, nu zij nalaat een laatste memorie in te dienen; Rechtsmacht van de Raad van State 3.
  5. Overwegende dat de eerste verwerende partij opwerpt dat de derde bestreden beslissing betrekking heeft op de beweerde miskenning van een subjectief recht op uitbetaling van een wedde gesteund op een gebonden bevoegdheid; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord opmerkt dat de exceptie niet verhindert dat het vernietigingsberoep tegen de overige XII-4455-5\13 aangevochten beslissingen “overeind” blijft, maar voor het overige deze exceptie zowel in de memorie van wederantwoord als in de laatste memorie onbesproken laat; 3.
  6. Overwegende dat de derde bestreden beslissing de terugvordering betreft van beweerd onverschuldigde wedde- of wachtgeldbedragen; dat het recht op wedde of wachtgeld rechtstreeks voortvloeit uit de wet zodat een overheid die het bedrag daarvan vaststelt, een louter rechtserkennende handeling stelt die enkel de geldende dwingende bepalingen toepast; dat het geschil in zoverre betrekking heeft op het bestaan en de omvang van een subjectief recht; dat van dergelijk geschil niet de Raad van State, maar wel de burgerlijke rechter op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet kennis mag nemen; dat de exceptie gegrond is; De tijdigheid van het beroep
  7. Overwegende dat de eerste verwerende partij “meent dat terzake de verzoeker diligenter had kunnen zijn”; dat verzoeker dit betwist; dat hoe dan ook, aangenomen dat de eerste verwerende partij hiermee een exceptie ratione temporis opwerpt, en zelfs indien het beroep niet binnen zestig dagen ingediend zou zijn, verzoeker zich terecht beroepen mag op artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State nu uit geen enkel stuk van het administratief dossier blijkt dat de beroepsmogelijkheden aan verzoeker ter kennis zijn gebracht; Het voorwerp van het beroep 5.
  8. Overwegende dat verzoeker als eerste voorwerp een beslissing van 14 juni 2000 van de hoofdgeneesheer-directeur noemt en als tweede voorwerp een beslissing van 7 juli 2000 van de afgevaardigde van de directeur-generaal van de AGD; 5.
  9. Overwegende, ambtshalve, dat het beroep slechts één nog verder te onderzoeken voorwerp heeft; dat immers de tweede bestreden handeling, het schrijven van 7 juli 2000, geen beslissing, maar een loutere kennisgeving is van een beslissing die is genomen door de “afgevaardigde van de Directeur-Generaal, die [verzoeker] in eindbeslissing onderzocht”; dat die afgevaardigde van de directeur- generaal niemand anders is dan dokter L. Valcke, zoals verzoeker het overigens kon lezen in zijn oproepingsbrief naar het medisch onderzoek op 14 juni 2006; dat de beslissing die verzoeker als tweede voorwerp aanwijst in het inleidend verzoekschrift met andere woorden geen andere is dan de 14 juni 2006 gedateerde, door hoofdgeneesheer-directeur L. Valcke genomen “eindbeslissing pensioencommissie”, XII-4455-6\13 wat dan weer het eerste -en blijkbaar dus enig resterende- voorwerp vormt van het beroep; 5.
  10. Overwegende dat verzoeker de eindbeslissing van de pensioen- commissie van 14 juni 2000 enkel betwist in zoverre ze ervan uitgaat dat hij vanaf 18 april 2000 geen aandoening heeft die kan worden ingedeeld bij die bedoeld in artikel 11 van het koninklijk besluit van 18 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 164 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen; Overwegende, voor een goed begrip van de zaak, dat de bepalingen van het relevante hoofdstuk van het koninklijk besluit van 18 januari 1974 in herinnering worden gebracht : “HOOFDSTUK IV. - Terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid Art.
  11. - Het in artikel 1 bedoelde vastbenoemde of stagedoende personeelslid is van rechtswege ter beschikking gesteld wanneer hij wegens ziekte of gebrekkigheid afwezig is nadat hij het maximum aantal verlofdagen heeft genoten dat hem om die reden kan toegekend worden. Art.
  12. -Het personeelslid dat wegens ziekte of gebrekkigheid ter beschikking gesteld is, ontvangt een wachtgeld waarvan het bedrag bepaald wordt, per jaar werkelijk gepresteerde diensten, op basis van de activiteitswedde, naar rata van : - 5 pct. voor de eerste vijf jaren; - 4 pct. voor de vijf volgende jaren; - 2 pct. voor de andere jaren. Het bedrag van bedoelde wachtgelden mag niet lager zijn dan de helft van de activiteitswedde, noch hoger zijn dan drie vierde van genoemde wedde. Art.
  13. -In afwijking van de bepalingen van artikel 10, heeft het personeelslid, dat wegens ziekte of gebrekkigheid ter beschikking gesteld is, recht op een wachtgeld dat gelijk is aan het bedrag van zijn activiteitswedde, wanneer de aandoening waaraan hij lijdt als ernstige en langdurige ziekte of gebrekkigheid erkend wordt. De administratieve gezondheidsdienst beslist of de aandoening, waaraan het personeelslid lijdt, een dergelijke ziekte of gebrekkigheid is. De beslissing mag in geen geval genomen worden alvorens het personeelslid, voor een periode van ten minste zes maanden, voor de aandoening waaraan hij lijdt met verlof of ter beschikking gesteld is geweest. Deze beslissing brengt een herziening mee van de toestand van het personeelslid, met geldelijke terugwerking tot de begindatum van zijn terbeschikkingstelling. XII-4455-7\13 Art.
  14. -Het personeelslid dat wegens ziekte of gebrekkigheid ter beschikking is gesteld, behoudt zijn aanspraak op een benoeming tot een bevorderingsambt, op een benoeming tot een selectieambt en op bevordering tot een hogere wedde.”; Ten gronde 6.
  15. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel een wettigheids- bezwaar put uit de “miskenning van het rechtsbegrip ‘ernstige en langdurige ziekte’, bedoeld in art. 11 K.B. 18.01.1974”; dat hij uiteenzet tijdens de periode van terbeschikkingstelling een wachtgeld te hebben ontvangen dat 100 % bedroeg van zijn activiteitswedde omdat zijn arbeidsongeschiktheid het gevolg was van een ernstige of langdurige ziekte en betoogt “dat hij ook na 18.04.2000, c.q. na 14.06.2000, en tot op vandaag, en tot nader order, lijdt aan een ‘ernstige en/of langdurige ziekte’, in de zin van art. 11 K.B. 18.01.1974”; dat hij stelt dat in de opeenvolging van de beslissingen van de pensioencommissie in eerste aanleg en in beroep “elke logica zoek” is, dat uit de motivering “blijkt dat zij erkent dat verzoeker aan de aandoening is blijven lijden, waaraan hij sedert geruime tijd lijdt”, dat een dergelijke aandoening “die nog op 18.04.2000 voor de pensioencommissie in eerste aanleg volstond om te stellen dat verzoeker definitief ongeschikt is voor elke welkdanige functie, [...] bezwaarlijk enkele maanden later als ‘ernstig’ noch ‘langdurig’ [kan] worden aangezien en zulks des te minder, als tegelijk geoordeeld wordt dat deze aandoening inmiddels verderduurt, en er oorzaak van is dat verzoeker, vooralsnog, het werk niet kan hervatten”; dat verzoeker stelt voor die conclusie in de beslissing geen deugdelijke motieven te kunnen terugvinden, dat de eindbeslissing hem “virtueel als definitief ongeschikt heeft bevonden voor welke functie ook” aangezien de pensioencommissie bij gebreke van verder psychologisch herstel niet anders zal kunnen dan hem definitief te pensioneren; dat verzoeker “elk dualistisch denken over lichaam en geest” betwist: de hoofdgeneesheer “kon dus niet, zonder het oorzakelijkheidsbegrip, en het rechtsbegrip ‘ernstige en/of langdurige ziekte’ te miskennen, oordelen dat verzoekers aandoening niet langer ‘langdurig of ernstig’ is, omdat, naar zijn bevindingen, de ‘psychische’ verwerking van deze aandoening het verder duren van de arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt”, of zoals verzoeker het nog uiteenzet : stellen “dat een aandoening die op zichzelf, omwille van haar zogenaamd ‘fysieke’ component, ernstig en langdurig is, niet langer als ernstig en langdurig kan gelden, van zodra de patiënt deze aandoening om zogenaamd ‘psychische’ redenen moeilijk verwerkt, waardoor de arbeidsongeschiktheid van de patiënt langer duurt, dan zij -bij veronderstelling- zou hebben geduurd, mochten er niet die moeilijkheden bij het verwerken van de aandoening zijn geweest, kan rechtens niet worden verantwoord”; dat ook door het XII-4455-8\13 gebruik van de term “voorlopig” in de laatste overweging van haar beslissing volgens verzoeker elke samenhang in de oordeelsvorming van de pensioen-commissie zoek is; dat verzoeker de pensioencommissie ten slotte verwijt enkel naar een middel gezocht te hebben om hem onder druk te zetten, het werk opnieuw te hervatten; Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt het moeilijk te hebben met het volgen van verzoekers redenering; dat zij het logisch vindt, wanneer verzoekers bezwaar tegen de in eerste aanleg genomen beslissing en de oproep van zijn behandelend geneesheer gehoor krijgen bij de beroepscommissie, dat in die omstandigheden nog geen eindbeslissing wordt genomen omtrent het feit dat verzoeker door een ernstige of langdurige ziekte zou zijn aangetast; dat volgens haar de vermelding “vanaf 18 april 2000” haar volle betekenis heeft omdat in eerste aanleg vanaf die datum verzoeker definitief ongeschikt verklaard werd om zijn functies te vervullen; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord repliceert dat de bestreden beslissing op geen enkele manier verduidelijkt om welke dienstige reden een ernstige of langdurige ziekte niet langer een ernstige of langdurige ziekte is; dat verzoeker verklaart de pensioencommissie niet te verwijten dat zij “terecht” het “evolutief karakter van de aandoening” aanvaardt, maar wel dat zij lichtzinnig oordeelt door “enerzijds te oordelen dat het verderduren van [zijn] arbeidsongeschiktheid, het gevolg is van steeds dezelfde aandoening [en] anderzijds te stellen dat het verderduren van de arbeidsongeschiktheid, met name na januari ’01, van aard lijkt te zullen zijn [dat hij] definitief arbeidsongeschikt zal dienen beoordeeld”; Overwegende dat de partijen in hun laatste memorie geen nieuwe argumenten bijbrengen; 6.
  16. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord alvast het evolutief karakter van zijn aandoening erkent; dat een ziekte die “ernstig” was wegens haar fysieke en psychologische elementen dit niet ipso facto blijft indien de ziekteverschijnselen verminderen en, bij voorbeeld, enkel nog psychologische elementen resteren; dat een ziekte die eerst als “langdurig” wordt ingeschat, een jaar later dank zij de behandeling en de remissie dit karakter voor de toekomst kan verliezen; dat, met andere woorden, de vroegere beslissingen van de AGD om de ziekte van verzoeker als ernstig of langdurig te bestempelen uit zichzelf geen bewijs leveren voor wat na een nieuw medisch onderzoek over verzoeker geoordeeld moet worden op 14 juni 2000; XII-4455-9\13 Overwegende dat verzoeker voorts er aan voorbij gaat dat de bestreden beslissing eerst is tot stand gekomen nadat en omdat hij zelf beroep had aangetekend tegen zijn definitieve ongeschiktverklaring, die tot zijn voortijdige pensionering zou leiden; dat verzoeker er geen belang bij heeft de bestreden beslissing die zijn beroep inwilligt te verwijten gehoor te hebben gegeven aan de argumenten die hijzelf bij monde van de door hem aangeduide geneesheer in zijn beroepschrift heeft naar voren gebracht, namelijk dat hij weliswaar nog steeds werkonbekwaam is, na een “[z]owel fysisch als psychisch” moeizame recuperatie, maar dat “er toch een verdere geleidelijke recuperatie optreedt zowel op psychisch als fysisch vlak” en dat “kan worden aangenomen dat er een verder herstel zal optreden over de komende maanden tot jaren”, waarbij hij zijn jonge leeftijd en “zijn wil om bij verder herstel het werk, eventueel in aangepaste vorm, te hervatten” onderstreept; dat het in het licht van die argumenten is dat de bestreden beslissing moet worden begrepen, waar zij uitdrukkelijk verwijzend “naar het bezwaarschrift” “de toestand in remissie” noemt met “heel wat fysische klachten die de oorzaak vormen dat betrokkene het werk niet kan hernemen” en vervolgens stelt “dat een werkhervatting binnen een aanvaardbare termijn haalbaar moet zijn zoniet kan geen verder uitstel meer overwogen worden”, aan verzoeker “nog een kans” wordt gegeven “op verder psychologisch herstel” en hem wordt gevraagd zich na zes maanden aan een nieuw onderzoek te laten onderwerpen “tenzij [hij] inmiddels zijn functies hervat heeft”; dat een eventuele tegenspraak die verzoeker ziet in het “tussentijds” niet meer én nog niet als ernstig of langdurig bestempelen van zijn ziekte met andere woorden verklaard is omdat hijzelf een werkhervatting in het vooruitzicht stelt, hetgeen hem “binnen een aanvaardbare termijn” wordt gegund en hetgeen na zes maanden getoetst zal worden; dat verzoeker niet aantoont dat de pensioencommissie niet mocht oordelen dat omwille van de in het vooruitzicht gestelde beterschap, de aandoening niet meer hetzelfde ernstig of langdurig karakter had als voorheen; dat het middel ongegrond is; 7.
  17. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur “zoals, onder meer en meer bepaald, het zorgvuldigheidsbeginsel, het verbod van willekeur, het vereiste van een materiële grondslag in de feiten, het redelijkheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel”; dat hij vooreerst refereert aan de “hoger ontwikkelde grieven”; dat hij vervolgens onvoldoende elementen aanwezig acht om de beslissing enkel te laten steunen op het motief dat hij de aandoening psychisch moeilijk verwerkt en de afwezigheid van fysieke klachten; XII-4455-10\13 Overwegende dat de eerste verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat geenszins in de eindbeoordeling gesteld is dat enkel het psychisch verwerkingsproces oorzaak is geweest van het voortduren van de arbeidsongeschiktheid en dat in duidelijke bewoordingen de fysieke klachten als oorzaak staan vermeld waarom verzoeker het werk niet kan hervatten; Overwegende dat de memorie van wederantwoord noch de laatste memories nieuwe argumenten aanbrengen; 7.
  18. Overwegende dat niet valt in te zien op welke wijze de pensioen- commissie een beginsel van behoorlijk bestuur zou hebben miskend door mede op de door de arts van verzoeker vastgestelde gegevens te steunen; dat verzoeker immers in het voor hem opgestelde bezwaarschrift zelf zijn blijvende psychische problemen te berde brengt, en hij het bestaan ervan dan moeilijk in de procedure voor de Raad van State kan betwisten; dat hij zich daarenboven vergist waar hij meent dat de bestreden beslissing de nog resterende fysieke klachten niet zou hebben erkend; dat, zoals verzoeker het ook doet, de Raad er voorts mee volstaat om naar de beoordeling van het eerste middel te verwijzen; dat het tweede middel niet wordt aangenomen; 8.
  19. Overwegende dat verzoeker in het derde middel miskenning aanvoert “van de regels die bepalen hoe uitwerking in de tijd dient verleend aan de beslissingen van de pensioencommissie”; dat hij refereert aan artikel 117, § 3, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel om te argumenteren dat de beslissing, die “een beslissing in beroep [is] die de aanvankelijke beslissing, genomen door de pensioencommissie in eerste aanleg, niet bevestigt”, hem meegedeeld op 7 juli 2000, volgens die wetsbepaling ten vroegste uitwerking kon hebben op 1 augustus 2000; dat hij ondergeschikt betoogt, mocht bedoelde wetsbepaling niet van toepassing zijn, dat een analoge toepassing ervan dient te worden gemaakt omdat het niet aangaat dat verzoeker met terugwerkende kracht een substantieel deel van zijn inkomen verliest op grond van een medische beslissing die in beginsel slechts zijn toestand kan beoordelen op datum waarop zij is genomen; Overwegende dat de eerste verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat het beroep van verzoeker opschortend is wat betreft de totaliteit van de beslissing in eerste aanleg en dat enkel in geval van een beslissing van pensionering, deze ingaat op de eerste van de maand volgend op de betekening van de nieuwe uitslag; dat zij in de laatste memorie onderstreept dat de bestreden beslissing wegens het bezwaar van verzoeker zelf werd genomen en dat daarin aan XII-4455-11\13 zijn bezwaar werd tegemoet gekomen; dat volgens haar een door een beroepsinstantie genomen beslissing waarin aan een door de beroepsinsteller geformuleerd bezwaar wordt tegemoet gekomen onmogelijk kan worden gekwalificeerd als een beslissing die in het nadeel van de verzoekende partij is genomen en dus met retroactieve kracht kan worden genomen; dat zij stelt er bij te blijven dat het beroep opschortend is wat betreft de totaliteit van de beslissing in eerste aanleg en wel degelijk op 18 april 2000 ingaat; 8.
  20. Overwegende dat artikel 117, § 3, van de wet van 14 februari 1961 de werking in de tijd regelt van de beslissing “die tot het pensioen wegens ongeschiktheid toelaat” en voor zulk een beslissing de retroactiviteit oplegt “wanneer deze, na beroep, is bevestigd”; dat de thans bestreden beslissing evenwel de eerdere vaststelling dat verzoeker de voorwaarden vervult om wegens definitieve ongeschiktheid voor elke functie definitief vroegtijdig te worden gepensioneerd niet bevestigt; Overwegende dat de AGD op 29 januari 1999 beslist had dat verzoeker aangetast was door een ernstige of langdurige ziekte zoals bedoeld in artikel 11 van het koninklijk besluit van 18 januari 1974; dat, terwijl ook de beroepen beslissing verzoeker nog een ernstige of langdurige ziekte toeschreef, de bestreden beslissing hierop terugkomt en alzo een rechtsgevolg doet ontstaan dat nadelig is voor verzoeker; dat verwerende partij voor de terugwerkende kracht van die beslissing geen uitdrukkelijke wettelijke rechtsgrondslag kan doen gelden; dat de Raad ook geen andere in rechte aanvaardbare reden bespeurt, zoals bijvoorbeeld bedrog, die de terugwerking in de tijd opdringt; dat tot de terugwerking van de beslissing in de tijd door het bestuur dan ook niet rechtsgeldig besloten mocht worden; dat het middel in die mate gegrond is, wat de nietigverklaring verantwoordt van de bestreden beslissing, doch enkel in zoverre er terugwerkende kracht aan is gegeven, XII-4455-12\13 BESLUIT: Artikel
  21. Vernietigd wordt de eindbeslissing van 14 juni 2000 van de pensioencommissie, waarbij wordt geoordeeld dat Eddy De Mondt niet is aangetast door een ernstige of langdurige ziekte zoals bedoeld in artikel 11 van het koninklijk besluit van 18 januari 1974, in de mate waarin aan die beslissing retroactieve uitwerking wordt gegeven. Artikel
  22. Het beroep wordt verworpen voor het overige. Artikel
  23. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de eerste verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig maart 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4455-13\13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.754 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.