id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.791 Rolnummer: A. 84816/VII-18645 Zaak: Arrest 156791 - - 23/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-03 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 14:47 Fiche Arrest nr 156.791 van 23 maart 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.791 van 23 maart 2006 in de zaak A. 84.816/VII-18.645. In zake : de n.v. SLACHTHUIS APPELS WESTERLO, die woonplaats kiest bij Advocaat M. VAN PASSEL, kantoor houdende te ANTWERPEN, Frankrijklei 146 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. BALLON, kantoor houdende te ANTWERPEN, Britselei 39. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. SLACHTHUIS APPELS WESTERLO op 18 juni 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 21 april 1999 waarbij haar beroep tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 24 september 1998, houdende de gedeeltelijke weigering van de vergunning om haar inrichting, gelegen te Westerlo, Olenseweg 125, verder te exploiteren en te veranderen, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 83.827 van 2 december 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; VII-18.645-1/15 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 5 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 16 januari 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 16 februari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. DE BECKER die, loco Advocaat M. VAN PASSEL verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat H. VAN OPSTAL die, loco Advocaat M. BALLON verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feitelijke gegevens van de zaak Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaak zich als volgt aandienen: 1.1. De verzoekende partij stelt, hierin niet tegengesproken door de verwerende partij, dat er sinds 1949 te Westerlo een slachthuis wordt geëxploiteerd, eerst door de heer HEYLEN, later door de firma's b.v.b.a. Vleesgroothandel HEYLEN en de b.v.b.a. Slachthuis WESTERLO VEE. Op 20 mei 1949 wordt aan de heer HEYLEN een exploitatiever- gunning gegeven voor een openbaar slachthuis. Deze vergunning wordt verleend voor een termijn van dertig jaar. Nadat de basisvergunning verstreken is worden nog VII-18.645-2/15 vergunningen verleend, onder meer voor de uitbreiding van het de facto bestaande slachthuis, voor de lozing van afvalwaters en voor de verwerking van vleesafval. De b.v.b.a. Slachthuis WESTERLO VEE en de b.v.b.a. Vlees- groothandel HEYLEN worden overgenomen door de heer Appels in het voorjaar van 1996, na faillissement van de beide firma’s. Blijkens een ontvangstbewijs wordt op 27 maart 1998 melding gedaan van die overname. 1.2. Op 6 april 1998 dient de verzoekende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een milieuvergunningsaanvraag in om een inrichting gelegen te Westerlo, Olenseweg 125, te veranderen door uitbreiding en wijziging. Onder meer wordt gevraagd om maximum 35.200 runderen per jaar te mogen slachten. 1.3. Op 24 september 1998 gaat de bestendige deputatie over tot het gedeeltelijk verlenen van de gevraagde vergunning voor een termijn verstrijkend op 1 september 2011 en onder bepaalde voorwaarden. Eén van die voorwaarden luidt als volgt: "Er mogen geen rustverstorende activiteiten plaatsvinden tussen 19 uur en 7 uur, o.a. is tussen deze uren het aanvoeren, het laden en het lossen verboden". De vergunning wordt geweigerd voor: S de aanvoer van extern slachtafval, inbegrepen het slachtafval van het bedrijf te Mol; S de slachtcapaciteit boven de 12.000 dieren per jaar. 1.4. Op 20 november 1998 dient de verzoekende partij tegen voornoemd besluit van 24 september 1998 een omstandig gemotiveerd beroepschrift in bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu. De grieven van de verzoeken- de partij zijn in essentie gericht tegen: S de weigering van een slachtcapaciteit boven de 12.000 dieren per jaar; S de weigering van aanvoer van extern slachtafval; S de voorwaarde inzake het verbod van rustverstorende activiteiten tussen 19 uur en 7 uur. 1.5. In het kader van de beroepsprocedure wordt een reeks adviezen uitgebracht: (
- a)de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM) stelt dat zij geen adviesbevoegdheid heeft over slachtcapaciteit en geluidshinder; VII-18.645-3/15 voor het overige adviseert zij gunstig voor het verwerken van dierlijk afval afkomstig van derden, op voorwaarde dat enkel slachtafval wordt aangevoerd van het slachthuis van Mol; (
- b)de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert voorwaardelijk gunstig; (
- c)de administratie Gezondheidszorg adviseert als volgt: "(...) S gunstig voor het slachten van 26.000 dieren per jaar; S ongunstig voor de aanvoer van extern slachtafval, omwille van mogelijke extra geluids- en geurhinder; S ongunstig voor het wijzigen van de bijkomende voorwaarden, aangezien deze bedoeld zijn om de geur- en lawaaihinder te beperken."; (
- d)de Vlaamse Landmaatschappij onthoudt zich van enig advies; (
- e)de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen (AROHM) adviseert gunstig; (
- f)de afdeling Milieuvergunningen van Aminal adviseert om het beroep van de verzoekende partij gegrond te verklaren; (
- g)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert eveneens gunstig. 1.6. Op 21 april 1999 wordt het thans bestreden besluit genomen. Het beroep wordt ongegrond bevonden. De motivering van dit besluit luidt als volgt: "Gelet op de ligging van de inrichting binnen de grenzen van het bijzonder plan van aanleg 'Ambachtelijke Zone', goedgekeurd bij besluit van gemeen- schapsminister van 11 oktober 1988; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat het beroep van de aanvrager in essentie gericht is tegen S de weigering van een vergunning voor het slachten van meer dan 12.000 dieren per jaar, S de weigering van een vergunning voor de aanvoer van extern afval, inbegrepen het slachtafval van het bedrijf te Mol, S de opgelegde bijzondere voorwaarde om geen rustverstorende activiteiten uit te voeren tussen 19 uur 's avonds en 7 uur 's morgens, onder andere het verbod tussen deze uren tot het aanvoeren, het laden en het lossen; Overwegende dat de gedeeltelijke weigeringsgrond voornamelijk is gesteund op volgende gegevens: S de milieuhinderklachten van de omwonenden zijn de laatste 2 jaar zowel in intensiteit als in aantal gestegen; S de klachten van burenhinder staan rechtstreeks in verband tot het aantal slachtingen; S de adviezen van het Schepencollege, de afdeling Milieuvergunningen en de Provinciale Milieuvergunningscommissie, houden niet voldoende rekening VII-18.645-4/15 met de ingediende bezwaren bij het openbaar onderzoek waardoor zich beperkingen opdringen; Overwegende dat sinds 1949 een slachthuis wordt geëxploiteerd op huidig adres (eerst door de heer Heylen, later door de firma's BVBA Vleesgroothandel Heylen en Slachthuis Westerlo Vee BVBA) ; dat deze inrichting herhaalde malen werd uitgebreid en er in 1982 een inrichting kwam voor de verwerking van slachtafval, afkomstig van de eigen slachterij, met name een vetsmelterij; dat de vroegere BVBA Heylen jaarlijks (tussen 1992 en 1996) gemiddeld 12.000 dieren slachtte en er daarenboven in de Vetsmelterij tussen 1991 en 1995 gemiddeld 4.850.000 kg slachtafval per jaar werd verwerkt; dat begin 1996 de firma's Heylen failliet gingen; dat de huidige exploitant namelijk de NV Slachthuis Appels Westerlo in juni 1996 de exploitatie van de Vleesgroothandel Heylen en het Slachthuis Westerlo Vee heeft overgenomen; dat deze firma's door betrokken exploitant werden ondergebracht in 2 vennootschappen: enerzijds de NV Slachthuis Appels voor de slachtactiviteiten en anderzijds de NV ADEV voor de vetsmelterij; dat beide vennootschappen een milieutechnische eenheid vormen; Overwegende dat de huidige aanvraag een verandering betreft onder meer door wijziging van de bestaande waterzuiveringsinstallatie en ombouw tot een nieuwe waterzuiveringsinstallatie voor bedrijfsafvalwater welke bestaat uit een fysico-chemische behandeling, namelijk een zeefbocht en flotatie; dat het effluent van de flotatie verder biologisch wordt behandeld in een actief slib systeem; dat de fysico-chemische behandeling reeds operationeel is en de biologische behandeling operationeel zal zijn tegen augustus 1999; dat de ontwerpcapaciteit van de rioolwaterzuiveringsinstallatie van Westerlo 46.000 IE bedraagt en momenteel onderbelast is; dat het bedrijfsafvalwater wordt geloosd in de riolering. van de Slachterijstraat en volgens een opgelegde bijzondere voorwaar- de ten laatste tegen 24 september 1999 moet afgekoppeld worden en geloosd worden in de Putloop (basiswaterkwaliteit); Overwegende dat de huidige aanvraag ook een verandering betreft door uitbreiding met verschillende indelingsrubrieken waaronder de rubriek runderslachthuis; dat uit het dossier en de voormelde vergunningsbesluiten blijkt dat de slachterij niet na 1979 hervergund is geweest; dat de slachtafvalverwer- king vergund is tot 1 september 2011 voor verwerking van eigen slachtafval en nu de uitbreiding wordt gevraagd voor verwerking van slachtafval van andere inrichtingen; Overwegende dat sinds de overname verschillende investeringen werden gedaan om de inrichting in overeenstemming te brengen met de bepalingen van titel II van het Vlarem, gebruik makend van de beste beschikbare technologie; dat in 1996 een aantal bouwtechnische aanpassingen werden gedaan; dat in 1997 verder werd geïnvesteerd in de uitrusting en het bijplaatsen van koelruimtes om de geslachte dieren op de vereiste temperatuur te brengen en bovendien werden aan de koelruimtes, en meer bepaald waar de vrachtwagens voor de losactivitei- ten aankoppelen voor het 'elektrisch', koelen, verschillende aansluitingen voorzien zodat alle vrachtwagens konden koelen en zo kunnen laden zonder behulp van de meer luidruchtige dieselmotoren; dat in 1997 belangrijke aanpassingen en investeringen werden gedaan met betrekking tot de vetsmelterij (slachtafvalverwerking), gezien immers een biofilter werd geplaatst teneinde het geurprobleem verder te bestrijden; dat anderzijds nog maatregelen werden genomen met betrekking tot de waterzuivering; dat ook in 1998 aanpassingen naar geuremissies en afvalwater toe werden uitgewerkt; dat verder nog een geurstudie werd uitgevoerd door een erkende deskundige in de discipline lucht handelend in opdracht van de afdeling Milieuinspectie waarvan de resultaten werden samengebracht in het rapport van september 1998 waaruit blijkt dat zowel de afvalwaterzuiveringsinstallatie als de biofilter zeer goed functioneren; dat eveneens een akoestisch onderzoek werd uitgevoerd tussen 6 februari 1998 VII-18.645-5/15 en 10 februari 1998 door de BVBA Andante in opdracht van het bedrijf, met een voorstel van geluidsbeperkende maatregelen; dat in het beroepen besluit bijzondere voorwaarden werden opgelegd in verband met de saneringsvoorstel- len op het vlak van geluid, geur en afvalwater; Overwegende dat de afdeling Milieu-inspectie in haar schrijven van 4 februari 1999, gericht aan de raadsman van de exploitant, stelt dat ze sinds eind oktober 1998 bij dit bedrijf 12 inspecties heeft uitgevoerd waarvan 8 nachtelijke en dat ze hierbij geen geluidsoverlast of geurhinder heeft vastgesteld; Overwegende dat de stelling van de aanvrager dat de vergunde slachtcapaci- teit voor deze installaties uit economische overwegingen te beperkt is, buiten het beoordelingsgebied van de milieuvergunning valt; Overwegende dat in de aanvraag een capaciteit van maximum 35.200 runderen per jaar was gevraagd; dat aanvrager tijdens de procedure heeft gesteld dat een capaciteit van 26.000 runderen per jaar een aanvaardbare capaciteit is; dat beide capaciteiten evenwel een uitbreiding van meer dan 100 % van de bestaande slachtcapaciteit van 12.000 runderen per jaar betreft; dat ten aanzien van het voormelde gunstige advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscom- missie moet gesteld worden dat op dergelijke uitbreiding overeenkomstig artikel 3.2.2.2. van titel II van het Vlarem de afstandsregel van 100 m van een woongebied zoals bepaald in artikel 5.45.1.2. van titel II van het Vlarem van toepassing is; dat de inrichting paalt aan een woongebied zodat de gevraagde aanzienlijke uitbreiding niet kan worden vergund; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits naleving van aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden, enkel tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt voor wat betreft de met de bestreden beslissing vergunde onderdelen; Overwegende dat ten einde de exploitatie van de toelaatbare onderdelen van de inrichting bestaanbaar te maken met de omgeving, zowel op het vlak van de risico's voor de externe veiligheid als op het vlak van de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting, het evenwel noodzakelijk is vergunningsvoorwaarden op te leggen die met de toepassing van een beschikbare technologie die geen overmatige hoge kosten meebrengt, technisch haalbaar zijn: dat op basis van de vanuit dit uitgangspunt gehanteerde technische criteria en de van toepassing zijnde normen, deze noodzakelijke voorwaarden kunnen worden geconcretiseerd als omschreven in de bestreden beslissing; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen;"; 2. De gegrondheid van het beroep 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel neemt uit "de schending van de artikelen 1.1.2, 3.2.2.2. en 5.45.1.2. van het besluit van 1 juni 1995 van de Vlaamse Regering houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II) en de schending van het motiveringsbeginsel"; dat de verzoekende partij in essentie betoogt dat de motivering op grond waarvan de minister een slachtcapaciteit van 26.000 stuks per jaar weigert -motivering dewelke zij citeert- ondeugdelijk is, dat de minister immers ten onrechte uitgaat van een bestaande capaciteit van 12.000 dieren per jaar, dat de oorspronkelijke vergunning VII-18.645-6/15 van 1949, die vooralsnog het uitgangspunt is, nochtans geen maximumcapaciteit oplegde inzake het aantal te slachten dieren, dat vóór 1996 -d.i. vóór het faillissement van de b.v.b.a. HEYLEN- het gemiddeld aantal slachtingen 12.000 per jaar bedroeg, dat nadat de verzoekende partij het bedrijf had overgenomen, zij in 1997 al tot een capaciteit van 17.000 slachtingen per jaar kwam, en in 1998 tot 18.000, dat met de gemiddelde capaciteit van 12.000 dieren vóór 1996 geen rekening kan worden gehouden om twee redenen, namelijk, vooreerst, de bestaande capaciteit van de huidige exploitant, die duidelijk meer dan 17.500 stuks bedraagt, en over de laatste 5 jaar gemiddeld 14.565 stuks bedroeg is relevant, en, ten tweede, de capaciteit van 12.000 stuks per jaar is gebaseerd op een gemiddelde van vóór 1996 dat door een vroegere exploitant werd gehaald die failliet ging; dat zij voorts betoogt dat omwille van de economische rentabiliteit een hogere capaciteit noodzakelijk is, dat uit het vergunningsdossier is gebleken dat de hoofdactiviteit in feite sinds 1979 niet meer vergund was, doch daar er achteraf nog verschillende aanhorigheden aan het slachthuis werden vergund, de inrichting als een bestaande inrichting wordt beschouwd, dat die zienswijze blijkt uit de adviezen van de afdeling Milieuvergun- ningen en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie en uit het bestreden besluit zelf, dat een verhoging van de bestaande, actuele capaciteit van 17.500 dieren per jaar naar 26.000 dieren geen vermeerdering met 100% is en dus geen aanzienlijke verandering in de zin van artikel 3.2.2.2. van Vlarem II, dat artikel 1.1.2. van Vlarem II slechts als een aanzienlijke verandering beschouwt: "de vergroting met meer dan 100% van de capaciteit, de drijfkracht of perceelsoppervlakte, ten aanzien van de voor 1 januari 1993 vergunde situatie", dat, vermits de gevraagde capaciteits- vermeerdering geen aanzienlijke verandering behelst, de afstandsregels zoals bepaald in artikel 5.45.1.2. van Vlarem II niet van toepassing zijn; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat de bestendige deputatie, daarin door haar gevolgd, het aantal slachtingen beperkt tot 12.000 per jaar, aangezien het voorstel om de slachtcapaciteit te bepalen op 17.500 runderen per jaar of 26.000 stuks per jaar niet voldoende rekening houdt met de ingediende bezwaren van reukhinder, die rechtstreeks in verband staan met het aantal slachtingen, dat een capaciteit van 12.000 slachtingen per jaar werd bepaald teneinde de hinderaspecten die tijdens het openbaar onderzoek werden in aanmerking genomen tot een aanvaardbaar niveau te beperken, dat zij na bestudering van het volledige administratief dossier heeft geoordeeld dat de verzoekende partij als een bestaande inrichting kan worden beschouwd, dat, zoniet, zij zelfs verboden zou zijn; dat de verwerende partij tevens meent dat de stelling van de verzoekende partij dat de vergunde slachtcapaciteit voor deze installaties uit VII-18.645-7/15 economische overwegingen te beperkt is, buiten het beoordelingsgebied van de milieuvergunning valt, en dat de aanzienlijke uitbreiding niet vergund kan worden, "daar de inrichting paalt aan een woongebied, waarbij de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting enkel kan gerealiseerd worden door de gevraagde uitbreiding te verwerpen en mits naleving van aangepaste milieuvergunningsvoor- waarden (sic)"; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord vooreerst nog beklemtoont dat zowel de bestendige deputatie als de minister terecht de inrichting hebben beschouwd als een bestaande inrichting, en dat in dat verband ook verwezen kan worden naar het advies van de afdeling Milieuver- gunningen; dat de verzoekende partij vervolgens stelt dat, vermits het om een bestaande inrichting gaat, zich de vraag stelt of de inrichting met meer dan 100% wordt uitgebreid wanneer een vergunning wordt gevraagd voor een capaciteit van 26.000 stuks, dat dit niet het geval is, dat in het auditoraatsverslag dat werd opgemaakt in het kader van de schorsingsprocedure weliswaar wordt gesteld dat de minister mocht uitgaan van een bestaande slachtcapaciteit van 12.000 stuks, maar dat de minister geenszins zo duidelijk en zo eenduidig als in het auditoraatsverslag redeneert, dat, gelet op het enorme belang van de slachtcapaciteit, een duidelijke en uitdrukkelijke motivering nochtans vereist was, dat, bovendien, zelfs als men de bestaande toestand op 1 januari 1993 in aanmerking wil nemen, dit dient te gebeuren op de juiste basis, dat de gekende slachtcapaciteit op 1 januari 1993 de slachtcapaci- teit in 1992 betreft, die toen 15.008 stuks bedroeg en geen 12.000, dat de gemiddelde slachtcapaciteit tussen 1992 en 1996 niet relevant is, dat vanaf 1993 het met de vorige exploitant (en dus met de slachtcapaciteit) immers bergaf ging; 2.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie, voor wat betreft de uiteenzetting van de middelen, naar haar verzoekschrift en memorie van wederantwoord verwijst; 2.1.5.1. Overwegende dat de inrichting waarvoor de verzoekende partij een vergunning vraagt (onder meer) onder de indelingsrubriek 45.1.
- a)van de bijlage 1 van Vlarem I valt; dat op aldaar ingedeelde inrichtingen (onder meer) artikel 5.45.1.2. van Vlarem II, omvattende verbods- en afstandsregels, van toepassing is; dat artikel 5.45.1.2. onder meer bepaalt wat volgt : VII-18.645-8/15 "§1. Het is verboden een inrichting die overeenkomstig rubriek 45 van de indelingslijst is ingedeeld in de eerste klasse te exploiteren: (...) 2/ waarvan de opslagplaatsen en/of bedrijfsgebouwen gelegen zijn op minder dan 100 m afstand van een woongebied of van een recreatiegebied. §2. De verbodsbepalingen van §1 gelden niet voor bestaande inrichtingen of gedeelten ervan."; dat artikel 3.2.2.2. van Vlarem II betrekking heeft op veranderingen aan bestaande inrichtingen; dat paragraaf 1 van die bepaling luidt als volgt: "Voor onderdelen van de bestaande inrichtingen die na 1 januari 1993 aanzienlijk werden of worden veranderd (gewijzigd, uitgebreid of toegevoegd), gelden integraal de voorschriften van dit besluit voor nieuwe inrichtingen, met inbegrip van de inplantingsregels."; dat, wat onder een aanzienlijke verandering moet worden verstaan, terug te vinden is in de definities van artikel 1.1.2. van Vlarem II: "aanzienlijke verandering: de vergroting met meer dan 100% van de capaciteit, de drijfkracht of de perceeloppervlakte, ten aanzien van de vóór 1 januari 1993 vergunde situatie"; 2.1.5.2. Overwegende dat de weigering van de slachtcapaciteit boven de 12.000 dieren is gestoeld op volgende motivering: "Overwegende dat in de aanvraag een capaciteit van maximum 35.200 runderen per jaar was gevraagd; dat aanvrager tijdens de procedure heeft gesteld dat een capaciteit van 26.000 runderen per jaar een aanvaardbare capaciteit is; dat beide capaciteiten evenwel een uitbreiding van meer dan 100% van de bestaande slachtcapaciteit van 12.000 runderen per jaar betreft; dat ten aanzien van het voormelde gunstige advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscom- missie moet gesteld worden dat op dergelijke uitbreiding overeenkomstig artikel 3.2.2.2. van titel II van het Vlarem de afstandsregel van 100 m van een woongebied zoals bepaald in artikel 5.45.1.2. van titel II van het Vlarem van toepassing is; dat de inrichting paalt aan een woongebied zodat de gevraagde aanzienlijke uitbreiding niet kan worden vergund;"; dat in een andere considerans van het bestreden besluit de verwerende partij overweegt "dat de vroegere BVBA Heylen jaarlijks (tussen 1992 en 1996) gemiddeld 12.000 dieren slachtte"; dat dit ook overeenkomt met wat de verzoekende partij in haar beroepschrift stelt: "Uit de feiten blijkt dat vóór 1996, dit wil zeggen tijdens de exploitatie door de BVBA HEYLEN en dit dus voor het faillissement, het gemiddeld aantal slachtingen per jaar 12.000 bedroeg (tussen 1991 en 1996, stuk 23)."; VII-18.645-9/15 2.1.5.3. Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt, en dat door de verzoekende partij overigens niet wordt betwist, dat de vergunning voor de slachterij sedert 20 mei 1979 is verlopen; dat er op 1 januari 1993 voor de inrichting dan ook geen vergunde slachtcapaciteit voorhanden was; dat dienvolgens de door de verzoekende partij gevraagde uitbreiding aan slachtcapaciteit een vergroting met meer dan 100% van de capaciteit ten aanzien van de vóór 1 januari 1993 vergunde situatie betreft en aldus een aanzienlijke verandering inhoudt zoals bedoeld in artikel 1.1.2. van Vlarem II; dat derhalve overeenkomstig artikel 3.2.2.2. juncto artikel 5.45.1.2. van Vlarem II in casu wel degelijk een afstandsregel van 100 meter tot een woongebied geldt; dat de verzoekende partij thans beoogt dat de verwerende partij ter bepaling van de grootorde van de gevraagde "uitbreiding" rekening zou houden met een andere feitelijke slachtcapaciteit, namelijk deze van het jaar 1992, dan zij in de bestreden beslissing heeft gedaan, namelijk de gemiddelde slachtcapaciteit tussen 1992 en 1996; dat evenwel daartoe geen rechtsgrond voorhanden is; dat het middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel neemt uit "de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiveringsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel"; dat het gebrekkig karakter van de motivering volgens de verzoekende partij blijkt uit de omstandigheid dat er geen rekening wordt gehouden met de gunstige adviezen van de adviesverle- nende overheden en de verwerende partij evenmin motiveert waarom zij er geen rekening mee houdt, uit de omstandigheid dat er niet wordt geantwoord op de argumenten in verband met twee beroepsgronden, met name het slachtafval en de bijzondere voorwaarden, terwijl enkel het argument in verband met de capaciteit wordt behandeld, en uit de omstandigheid dat het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing slechts verwijst naar twee beroepsgronden die zij uitdrukkelijk afwijst, met name de capaciteit boven de 12.000 dieren per jaar en het slachtafval van derden, doch niets expliciet zegt over de bijzondere voorwaarde; 2.2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij eerst ingaat op het probleem van de slachtcapaciteit, door te stellen dat in de motivering terzake de verwerende partij geen rekening houdt met de economische realiteit en met de gunstige adviezen, dat de verzoekende partij momenteel een capaciteit van 17.500 dieren heeft, dat met een slachtcapaciteit van 12.000 dieren per jaar haar bedrijf economisch niet rendabel is, en er alsdan ook niet optimaal ecologisch gewerkt kan worden, dat het beweerde rechtstreekse verband tussen het aantal slachtingen en de VII-18.645-10/15 omvang van de geluidshinder geenszins wordt bewezen, en dit verband niet bestaat, dat zij dienaangaande verwijst naar een akoestisch onderzoek, uitgevoerd door ANDANTE, dat het van onbehoorlijk bestuur getuigt om een bedrijf belangrijke milieu-investeringen te laten doen met het oog op een optimale werking, zowel milieutechnisch als milieu-economisch, doch hen niet de mogelijkheid te geven economisch rendabel te werken en dus milieutechnisch verantwoord te exploiteren (eerste onderdeel); 2.2.1.2. Overwegende dat de verzoekende partij vervolgens stilstaat bij het verbod tot het verwerken van slachtafval van derden; dat zij stelt dat de weigering tot de verwerking van dergelijk slachtafval geenszins wordt gemotiveerd, en er absoluut niet wordt ingegaan op haar argumentatie terzake in het beroepschrift, dat ook hier de verwerende partij geen rekening houdt met de uitgebrachte adviezen, dat er evenmin rekening wordt gehouden met de economische en de milieutechnische motieven, noch met het rapport van de onafhankelijke deskundige, dat zij door de verwerking van het slachtafval van haar slachthuis te Mol in haar vetsmelterij te Westerlo, deze vetsmelterij economisch optimaal wil doen renderen, wat eveneens de rendabiliteit van de verschillende verbonden ondernemingen bevordert, dat in de aanvraag ook een milieutechnische verantwoording werd opgegeven voor de wijziging in de capaciteit (mogelijk minder geur door een optimale werking van de installaties), dat de verwerende partij geen rekening houdt met deze technische realiteit, dat de bewering dat de slachtafvalverwerking gepaard gaat met enorme geurhinder die de exploitant niet onder controle krijgt, wordt tegengesproken door het rapport van professor VAN LANGENHOVE van september 1998, dat het bestreden besluit zelf verwijst naar een brief van 4 februari 1999 van de milieu- inspectie waaruit blijkt dat er geen klachten waren over geur- of geluidsoverlast, en dat het bovendien van onbehoorlijk bestuur getuigt om een bedrijf niet de optimale mogelijkheid tot functionering te geven binnen het bedrijf zelf, zowel economisch als milieutechnisch (tweede onderdeel); 2.2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij wat betreft de milieuvoor- waarde houdende het verbod tot het uitoefenen van rustverstorende activiteiten tussen 19 uur en 7 uur stelt, dat het bestreden besluit niet antwoordt op haar argumenten inzake die bijzondere voorwaarde, dat er zelfs geen enkele overweging aan wordt gewijd, dat de uitgebrachte adviezen nochtans gunstig zijn, dat de opgelegde bijzondere voorwaarde de exploitatie van haar vergunde activiteiten onmogelijk maakt, en getuigt van onbehoorlijk bestuur, dat om verschillende redenen de opgelegde voorwaarde niet weerhouden kan worden, dat het met name niet VII-18.645-11/15 bewezen is dat het aanvoeren, laden en lossen tussen deze uren een rustverstorende activiteit is, dat het aanvoeren, laden en lossen tussen deze uren een noodzaak is voor de normale werking van het bedrijf, en dat andere maatregelen, die de exploitatie van het bedrijf niet onmogelijk maken, een oplossing kunnen bieden; dat de verzoekende partij vervolgens uitvoerig en gedetailleerd op deze drie punten ingaat (derde onderdeel); 2.2.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij ten slotte stilstaat bij de voorwaarde inzake het draaien van de laadkade; dat zij dienaangaande stelt dat zij bereid is deze investering te doen, doch dat zulks wel afhankelijk is van de toegelaten slachtcapaciteit, dat ook op deze voorwaarde in het aangevochten besluit niet wordt ingegaan, hetgeen een schending van de motiveringsplicht impliceert (vierde onderdeel); 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: “Ten onrechte is verzoekster van oordeel dat de bestreden beslissing niet afdoende zou gemotiveerd zijn. De Vlaamse Minister van Leefmilieu heeft in de bestreden beslissing op pagina 15 t/m 19 van zijn bestreden besluit uitvoerig uitééngezet waarom hij tot een afwijkende beslissing diende te komen van de voorliggende adviezen en meer bepaald van het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. De Minister heeft geoordeeld dat het toekennen van een milieuvergunning, zoals door verzoekster gevraagd niet kon om volgende redenen: -oorspronkelijk werd door verzoekster een capaciteit van maximum 35.200 runderen gevraagd, doch tijdens de procedure werd gesteld dat een capaciteit van 26.000 runderen een aanvaardbare capaciteit is; Hieruit diende de Minister te concluderen dat de aangevraagde capaciteiten een uitbreiding is met meer dan 100%, wat overeenkomstig artikel 3.2.2.2. van Vlarem II niet kon toegelaten worden. Dat met dit gegeven voorhanden, geen rekening werd gehouden door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. -dat de Minister enkel en alleen een capaciteit van 12.000 runderen per jaar als aanvaardbaar kon aanzien en geen bijkomende activiteiten, waaronder slachtafval van derden, vermits de toegestane activiteiten dan ook bijkomend nog diende gepaard gaan met het opleggen van specifieke voorwaarden om alle mogelijke hinder te voorkomen, waaronder bijvoorbeeld het verbod om activiteiten uit te voeren tussen 19 uur en 7 uur 's morgens. Dat de Vlaamse Minister derhalve rekeninghoudende met deze gegevens dat de uitbreiding in strijd was met artikel 3.2.2.2 van Vlarem II en de toekenning van de milieuvergunning voor de bestaande activiteiten op zich slechts kon mits opleggen van bijkomende milieuvoorwaarden zoals bepaald door de Bestendige Deputatie, wel degelijk op een afdoende wijze geantwoord heeft op de door verzoekster geuite beroepsargumenten en gunstige adviezen, zonder dat expliciet deze beroepsgronden in de bestreden beslissing woordelijk diende vermeld te worden, zoals bijvoorbeeld het verbod om activiteiten uit te oefenen tussen 19 uur en 7 uur 's morgens. VII-18.645-12/15 Dat bijkomend dient benadrukt te worden dat de Vlaamse Minister van Leefmilieu over een discretionaire appreciatiebevoegdheid beschikt om een beroep al dan niet gegrond te verklaren. Dat in casu overduidelijk zoals hierboven reeds aangehaald de voorhanden zijnde gegevens de Vlaamse Minister van Leefmilieu genoodzaakt hebben om de aangevochten beslissing van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen gemotiveerd in al zijn onderdelen te moeten bevestigen, zonder dat evenmin het redelijkheidsbeginsel wordt geschonden. Dat het door verzoekster ingeroepen tweede middel dan ook naar recht faalt en ongegrond is.”; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord inzake de slachtcapaciteit nog betoogt dat de adviezen gunstig waren voor 26.000 stuks per jaar, dat, zoals bij het eerste middel uiteengezet, de argumenta- tie rond de aanzienlijke verandering onjuist is, en dat er voor het overige geen enkel motief wordt opgegeven waarom de slachtcapaciteit niet op 26.000 dieren zou kunnen worden gebracht; dat de verzoekende partij voor wat betreft de overige elementen het auditoraatsverslag dat in het kader van de schorsingsprocedure werd opgemaakt citeert; 2.2.4. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie, voor wat betreft de uiteenzetting van de middelen, naar haar verzoekschrift en memorie van wederantwoord verwijst; 2.2.5.1 Overwegende, wat de weigering van de slachtcapaciteit boven de 12.000 dieren betreft, dat in hoofdzaak kan worden verwezen naar het onderzoek van het eerste middel; dat, voorts, een wettelijk opgelegd verbod tot uitbreiding niet kan wijken voor economische motieven; dat het onderdeel niet gegrond is; 2.2.5.2. Overwegende, wat de overige onderdelen betreft, dat de verzoekende partij in haar administratief beroepschrift uitgebreid heeft geargumen- teerd dat het in eerste aanleg opgelegd verbod tot verwerking van slachtafval van derden en het verbod om rustverstorende activiteiten tussen 19 en 7 uur uit te voeren onterecht is; dat zij daarin ook nog voorbehoud heeft gemaakt inzake de opgelegde voorwaarde betreffende het draaien van de laadkade; dat in de aanhef van het bestreden besluit evenwel geen elementen terug te vinden zijn die zouden kunnen worden beschouwd als een antwoord op de omstandige argumentatie van de verzoekende partij terzake of die zouden kunnen verduidelijken waarom de adviezen die op deze punten andersluidend waren niet werden gevolgd; dat de overwegingen van het bestreden besluit zelfs veeleer tot de conclusie zouden moeten leiden dat wel slachtafval van derden verwerkt moet kunnen worden en dat de betwiste bijzondere VII-18.645-13/15 exploitatievoorwaarden geschrapt moeten worden of toch alleszins in zekere mate versoepeld; dat er immers wordt gewezen op de investeringen die de verzoekende partij reeds deed -voor de verwerking van slachtafval van derden lijkt vooral de biofilter ter bestrijding van de geurhinder van belang- en dat er wordt aangestipt dat de milieu-inspectie niet minder dan twaalf inspecties uitvoerde waarbij telkenmale geen geluidsoverlast of geurhinder werd vastgesteld; dat het tweede, derde en vierde onderdeel van het tweede middel gegrond zijn, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 21 april 1999 waarbij het beroep van de n.v. SLACHTHUIS APPELS WESTERLO tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 24 september 1998, houdende de gedeeltelijke weigering van de vergunning om haar inrichting, gelegen te Westerlo, Olenseweg 125, verder te exploiteren en te veranderen, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. VII-18.645-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig maart tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-18.645-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.791 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.83.827 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div