id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.792 Rolnummer: A. 167246/VII-34801 Zaak: Arrest 156792 - - 23/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-03 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 14:48 Fiche Arrest nr 156.792 van 23 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.792 van 23 maart 2006 in de zaak A. 167.246/VII-34.801. In zake : 1. Arthur VAN CAMP, 2. Magda VAN DAMME, 3. Emiel JANSSENS, 4. Marcel VAN CAMP, 5. Marijke VERGAUWEN, 6. Alphons TIERENS, die woonplaats kiezen bij Advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te GENT, Kasteellaan 141 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. tussenkomende partij : de gemeente PUURS, die woonplaats kiest bij Advocaat B. MARTENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 106. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Arthur VAN CAMP, Magda VAN DAMME, Emiel JANSSENS, Marcel VAN CAMP, Marijke VERGAUWEN en Alphons TIERENS op 26 oktober 2005 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 12 september 2005, houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 10 maart 2005, houdende enerzijds het verlenen van de milieuvergunning aan het gemeentebestuur van Puurs om een jeugdontmoetingscentrum gelegen te Puurs, Brandstraat z/n te exploiteren, en anderzijds de aktename van de in klasse 3 ingedeelde onderdelen van de inrichting; VII-34.801-1/32 Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 23 januari 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 9 februari 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. L'HEUREUX die, loco Advocaat P. DE SMEDT verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat P. LOUAGE die, loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat W. VANDENBERGHE die, loco Advocaat B. MARTENS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat met een verzoekschrift van 8 december 2005 de gemeente PUURS, begunstigde van de bestreden beslissing, vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat haar verzoek kan worden ingewilligd; 2. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. Het betrokken perceel is krachtens het bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976 vastgestelde gewestplan Mechelen gelegen in een recreatiegebied. Er bestaat voor het gebied waarbinnen het perceel is gelegen geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. De verzoekende partijen wonen in een woongebied van hetzelfde gewestplan. Het woonperceel van de vierde verzoekende partij paalt aan het perceel waarop de VII-34.801-2/32 vergunning betrekking heeft. Ook de woningen van de tweede en derde verzoekende partij bevinden zich in de onmiddellijke omgeving van het betrokken perceel. 2.2. Op 21 februari 2005 verleent de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar een stedenbouwkundige vergunning aan het gemeentebestuur van Puurs voor het bouwen van een jeugdontmoetingscentrum op het betrokken perceel. 2.3. Op 10 maart 2005 verleent de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen aan de gemeente Puurs de milieuvergunning om een jeugdontmoetingscentrum te Puurs, Brandstraat z/n te exploiteren en neemt zij akte van de in klasse 3 ingedeelde onderdelen van de inrichting. 2.4. Op 27 april 2005 tekent de raadsman van de verzoekende partijen administratief beroep aan tegen voormelde beslissing van de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen. 2.5. Bij een op 27 april 2005 ter post aangetekende akte vorderen de verzoekende partijen voor de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 21 februari 2005 van de Gewestelijk Stedenbouwkundige ambtenaar houdende afgifte van een stedenbouwkundige vergunning aan het gemeentebestuur van Puurs, strekkende tot het bouwen van een jeugdontmoetingscentrum op het betrokken perceel (zaak A. 162.064/X-12.288). 2.6. Op 6 juni 2005 adviseert de AROHM gunstig voor het afleveren van de milieuvergunning. 2.7. Op 7 juni 2005 adviseert het hoofdbestuur van AMINAL- milieuvergunningen het beroepen besluit te bevestigen en als bijzondere voorwaarde toe te voegen dat het gebruik van externe muziekinstallaties verboden is. 2.8. Op 20 juni 2005 adviseert de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie het beroepen besluit te bevestigen en als bijzondere voorwaarde toe te voegen dat het gebruik van externe muziekinstallaties verboden is. VII-34.801-3/32 2.9. Op 12 september 2005 neemt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur het bestreden besluit waarbij de beroepen ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. 2.10. Met het arrest nr. 149.198 van 21 september 2005 schorst de Raad van State de tenuitvoerlegging van de stedenbouwkundige vergunning van 21 februari 2005 omdat uit de overwegingen van het bestreden besluit niet blijkt dat bij de toetsing aan de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening in afdoende mate rekening is gehouden met de onmiddellijke omgeving en er in hoofde van tweede, derde en vierde verzoekende partij voldaan is aan de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. 2.11. Op 7 november 2005 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar aan de gemeente Puurs een nieuwe stedenbouwkundige vergunning voor de betrokken inrichting, die meer uitgebreid wordt gemotiveerd dan de stedenbouwkundige vergunning van 21 februari 2005 die ingetrokken wordt; 3. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen het eerste middel nemen "uit de schending van de bestemming 'recreatiegebied' van het Gewestplan Mechelen, vastgesteld bij K.B. van 5 augustus 1976, artikel 2, 1, lid 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, artikel 16.5.0 van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, artikel 52, 3/,
- b)van het Besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (VLAREM I), en uit een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek van het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht, doordat de Minister in de bestreden milieuvergunningsbeslissing het bezwaar van verzoekers in verband met de planologische onverenigbaarheid van de vergunde inrichtingen verwerpt en vervolgens haar beslissing terzake steunt op volgende motivering : VII-34.801-4/32 'Overwegende dat de polyvalente zalen en de feestzaal deel uitmaken van een gemeentelijk multifunctioneel jeugdontmoetingscentrum, waarvoor de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar op 2l februari 2005 de stedenbouwkundige vergunning heeft gegeven; Overwegende dat het project in zijn geheel dient te worden bekeken, waarbij blijkt dat een jongeren-ontmoetingscentrum, waar wordt voorzien in een repeteerlokaal, jeugdatelier, speel-en voetbalzone, zandbak, enz., een duidelijke recreatieve functie vervult; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften' terwijl, eerste onderdeel, de bestreden vergunningsbeslissing moet worden beoordeeld in het licht van de gewestplanbestemming waarin het bouwproject zich situeert, namelijk een 'recreatiegebied', dat verordenende kracht bezit en waarin volgens artikel 16 van het K.B. van 28 december 1972 volgende werken en activiteiten kunnen worden uitgevoerd : 'de recreatiegebieden zijn bestemd voor het aanbrengen van recreatieve en toeristische accommodatie, al dan niet met inbegrip van de verblijfsaccommodatie. In deze gebieden kunnen de handelingen en werken aan beperkingen worden onderworpen ten einde het recreatief karakter van de gebieden te bewaren'. en terwijl, de bestemming en de aard van de activiteiten waarvoor het betrokken gebouwencomplex bestemd blijkt te zijn, bepalend is voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de bestemming recreatiegebied van het gewestplan (R.v.St., Luyckx, nr. 81.368, 28 juni1999); en terwijl, enerzijds, het bestek voor het aanstellen van een ontwerper voor het bouwen van een jeugdontmoetingscentrum te Puurs (stuk 5a-5b), de onteigeningsbeslissing dd. 26 juni 2003 (stuk 6), het stedenbouwkundig attest dd. 5 november 2002 (stuk 10) en de stedenbouwkundige vergunning dd. 21 februari 2005 en de bouwplannen (stuk 11 a -11 b), en, anderzijds, uit de bestreden milieuvergunningsbeslissing zelf, eenduidig blijkt dat het gebouwencomplex waarin het gemeentelijk jeugdontmoetingscentrum (JOC) zal worden ondergebracht wordt beheerst door de aanwezigheid van een polyvalente zaal, die blijkt geconcipieerd te zijn om er grote evenementen in te organiseren, meer specifiek dansfeesten en muziekoptredens, waarvan bezwaarlijk kan worden aangenomen dat deze inrichtingen in wezen, laat staan in hoofdzaak zijn gericht op 'accommodatie voor recreatie of toerisme', temeer nu het plaatsvinden van die activiteiten de maat van het occasionele te boven gaat (reden waarom een milieuvergunning werd aangevraagd voor onder andere de rubriek 32.1 van de indelingslijst van VLAREM I die immers niet is vereist wanneer de dansfeesten eerder occasioneel plaatsvinden), en mede omwille van het grootschalig karakter ervan in redelijkheid moet worden aangenomen dat deze activiteiten voornamelijk een commerciële connotatie zullen hebben; en terwijl, uit het geheel van de hierboven uiteengezette gegevens blijkt dat het jeugdontmoetingscentrum met polyvalente evenementhall waarin de vergunde inrichtingen (meer in het bijzonder de feestzaal met dansgelegenheid en de polyvalente zaal voor schouwspelen, daarin begrepen de muziekoptredens), zullen worden geëxploiteerd, niet in essentie (...) gericht (zijn) op recreatie en toerisme, zodat aldus dient aangenomen te worden dat het betrokken gebouwencomplex niet in wezen geacht kan worden een 'recreatieve en toeristische accommodatie' te zijn in de zin van artikel 16 van het K.B. van 28 december 1972, opgevat in zijn spraakgebruikelijke betekenis (R.v.St., v.z.w. Buurtcomité Beneden-Kessel, nr. 35.397, 5 juli 1990); VII-34.801-5/32 en terwijl, gelet op voorgaande, tevergeefs wordt gesteld dat Uw Raad reeds heeft geoordeeld dat een ontmoetingscentrum kan worden beschouwd als een recreatieve accommodatie (R.v.St. Vandezande, nr. 44.222, 23 september 1993), nu de aard en de bestemming van de activiteiten uiteraard niet zonder meer te beoordelen zijn in het licht van de 'benaming' die de initiatiefnemer aan het betrokken project heeft gegeven (in casu 'jeugdontmoetingscentrum'), doch in concreto dienen beschouwd te worden in het licht van onder meer de aard van de activiteiten die er worden gepland en de bestemming van de gebouwen waarin die activiteiten worden ondergebracht, waarbij in casu, gelet op hetgeen hierboven werd uiteengezet, onafwendbaar tot het besluit moet worden gekomen dat het project in wezen niet is gericht op de realisatie van een recreatieve of toeristische accommodatie; dat het enkele feit dat aan de vergunde activiteiten in bepaalde mate een recreatief aspect verbonden is of die activiteiten worden georganiseerd in een gebouw waar ook nog andere activiteiten plaatsvinden die wel een recreatief karakter hebben, evident ontoereikend is om te stellen dat de hinderlijke inrichtingen die het voorwerp uitmaken van de bestreden milieuvergunning thuishoort in een gebied met recreatieve en toeristische bestemming in de zin van artikel 16.5.0; En terwijl, tweede onderdeel, daarenboven, de overwegingen waarop de bestreden beslissing in casu de conformiteit van het project met de betrokken gewestplanbestemming steunt, niet pertinent en draagkrachtig zijn, en wel omwille van volgende redenen : • De overweging in de bestreden beslissing dat 'de polyvalente zalen en d e fe e s t z aal deel uit ma k e n va n e e n g e me e n t e lijk jeugd-ontmoetingscentrum, waarvoor de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar op 21 februari 2005 de stedenbouwkundige vergunning heeft gegeven', is niet draagkrachtig, nu de vraag naar de planologische of stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van de milieuvergunningsaanvraag uiteraard niet op een afdoende wijze wordt beantwoord door te verwijzen naar het feit dat eerder voor het project een stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd. Een dergelijke motivering houdt een manifeste. ontkenning in van de eigen, zelfstandige beoordelingsbevoegdheid van de overheid die moet oordelen over de milieuvergunningsaanvraag, wat impliceert dat zij het voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag toetst aan de conformiteit van geldende plannen van aanleg en de daarbij horende stedenbouwkundige voorschriften (Cf. R.v.St., 10 maart 2005, nr. 141.835, Maes-Hellings); • Ook de overweging 'dat het project in zijn geheel moet worden bekeken, waarbij blijkt dat een jongeren-ontmoetingscentrum, waar wordt voorzien in een repeteerlokaal, jeugdatelier, speel- en voetbalzone, zandbak, enz., een recreatieve functie vervult', mist draagkracht, nu deze overweging niets concreet zegt over de verenigbaarheid van de activiteiten die het voorwerp uitmaken van de milieuvergunningsaanvraag met de gewestplanbestemming in kwestie. Het is al te eenvoudig te poneren dat de activiteiten waarop de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft (in casu, het exploiteren van een feestzaal met dansgelegenheid met een voor het publiek toegankelijke oppervlakte van 545m² (rubriek 32.1) en een polyvalente zaal (rubriek 32.2.1)) thuishoren in een recreatiegebied, omwille van het enkele feit dat zij een affiniteit (zouden) hebben met andere activiteiten die in het gebouwencomplex plaatsvinden. • De overweging, tot slot, 'dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften', is een nietszeggende VII-34.801-6/32 stijlformulering, die uiteraard niet bijdraagt tot een draagkrachtige motivering met betrekking tot de te beantwoorden vraag naar de planologische of stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van het project, want al te oppervlakkig en te stereotiep. zodat moet worden vastgesteld dat de oprichting van het jeugdontmoetingscentrum dat niet is gericht op het aanbrengen van recreatieve en toeristische accommodatie maar waarvan de bestemming in wezen is gericht op de realisatie van allerlei vormen van dienstverlening, alsmede het organiseren van allerlei mega-evenementen ter realisatie waarvan de bestreden milieuvergunning wordt afgeleverd, niet bestaanbaar is met de betrokken gewestplanbestemming 'recreatiegebied', en in ieder geval op basis van de formeel uitgedrukte motieven van de bestreden beslissing niet kan worden uitgemaakt of de overheid een juiste toepassing heeft gemaakt van de betrokken stedenbouwkundige voorschriften; Het eerste middel is in al zijn onderdelen, zowel afzonderlijk als in samenhang beschouwd, ernstig"; 3.1.2. Overwegende dat met betrekking tot het eerste middel de verwerende partij in haar nota als volgt antwoordt : "Verzoekende partijen stellen in een eerste onderdeel dat de vergunde activiteiten, die zullen worden uitgeoefend binnen een recreatiegebied op het geldende gewestplan, geen voldoende recreatief karakter vertonen, zodat de vergunde exploitatie strijdig zou zijn met de bestemming van artikel 16.5.0. van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. In een tweede onderdeel betogen verzoekende partijen dat het bestreden besluit alleszins niet afdoende motiveert waarom de vergunningverlenende overheid van oordeel is dat de exploitatie inpasbaar is binnen de gewestplanbestemming recreatiegebied. 1.2. Verzoekende partijen stellen in het eerste onderdeel van het eerste middel onterecht dat de activiteiten waarvoor een milieuvergunning wordt aangevraagd niet thuishoren in een recreatiegebied. Een jeugdontmoetingscentrum, waarin naast onder meer de jeugddienst, buitenschoolse kinderopvang, jeugdateliers, repeteerruimte voor muziekgroepjes etc. eveneens is voorzien in een polyvalente zaal waarin dansfeesten en muziekoptredens zullen plaatsvinden, vervult een recreatieve functie. De vaststelling dat daarvoor een milieuvergunning wordt aangevraagd, waardoor blijkt dat deze activiteiten niet louter sporadisch zullen plaatsvinden, doet geen afbreuk aan hun recreatief karakter. De bestemming van het gebouw waarin de activiteiten zullen plaatsvinden betreft een jeugdontmoetingscentrum, dat ontegensprekelijk bestaanbaar is met de gewestplanbestemming recreatiegebied, hetgeen door verzoekende partijen niet wordt ontkend, en door Uw Raad eerder werd bevestigd in het arrest Vandezande. In de zaak die leidde tot dit arrest werd door verzoekende partijen onder meer gesteld dat het nieuwbouwontmoetingscentrum gezien zijn omvang misschien wel kon worden beschouwd als een welbepaalde, maar dan eerder grootschalige, industriële en massale recreatieve en toeristische accommodatie, hetgeen dan, gezien zijn inplanting, veeleer tot beperkingen zou dienen te leiden, onder meer omwille van de nabijheid van woningen in de omgeving. Uw Raad stelde daartegenover dat het betreffend ontmoetingscentrum, gezien het was bestemd voor recreatieve activiteiten, de bestemming van artikel 16.5.0. van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen niet schond, terwijl de beperkingen die luidens voormeld artikel in dergelijk gebied kunnen worden opgelegd, enkel ertoe strekken het recreatief karakter van het gebied te bewaren. VII-34.801-7/32 Dit arrest is ook relevant in voorliggende zaak, waarin de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, evenals de andere activiteiten die in het betreffende gebouw zullen worden georganiseerd, een recreatief karakter hebben. Dit blijkt overigens ook uit de titel van de rubriek in de als bijlage bij het VLAREM I gevoegde lijst van de als hinderlijk beschouwde inrichtingen waarin ze worden ondergebracht, en die spreekt van ontspanningsinrichtingen, hetgeen overigens overeenstemt met de definitie van het begrip 'recreatie', dat in Van Dale wordt geformuleerd als ontspanning, thans vaak in ruimere zin voor vrijetijdsbesteding. Er weze opgemerkt dat zelfs verzoekende partijen stellen dat aan de vergunde activiteiten in bepaalde mate een recreatief aspect is verbonden. Het jeugdontmoetingscentrum, evenals de vergunningsplichtige activiteiten die daarin zullen plaatsvinden, hebben in wezen aldus betrekking op de realisatie van recreatieve accommodatie, en zijn in die zin dan ook bestaanbaar met de geldende gewestplanbestemming, zodat het eerste onderdeel van het eerste middel niet ernstig is. 1.3. Wat betreft het tweede onderdeel van het eerste middel, kan in eerste instantie worden gewezen op de uiteenzetting hierboven, waaruit blijkt dat de vergunde activiteiten duidelijk en evident een recreatief karakter hebben, en derhalve thuishoren in een recreatiegebied, zodat de bestaanbaarheid van deze activiteiten met het geldende gewestplan niet uitgebreid diende te worden gemotiveerd. Het bestreden besluit stelt daaromtrent onder meer het volgende : 'Gelet op het gunstige advies van 6 juni 2005 de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van de AROHM; (...) Gelet op de ligging van de inrichting in een recreatiegebied, volgens het gewestplan Mechelen, vastgesteld hij Koninklijk Besluit van 5 augustus 1976; (...) Overwegende dat de polyvalente zalen en de feestzaal deel uitmaken van een gemeentelijk multifunctioneel jeugd-ontmoetingscentrum, waarvoor de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar op 21 februari 2005 de stedenbouwkundige vergunning heeft gegeven; Overwegende dat het project in zijn geheel dient te worden bekeken, waarbij blijkt dat een jongeren-ontmoetingscentrum, waar wordt voorzien in een repeteerlokaal, jeugdatelier, speel-en voetbalzone, zandbak, enz., een duidelijke recreatieve functie vervult; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat het voorwerp van onderhavige aanvraag een nieuw jeugdontmoetingscentrum met onder meer een jeugddienst, een buitenschoolse kinderopvang, jeugdateliers, een repeteerruimte voor muziekgroepjes en een polyvalente zaal betreft; dat de grote polyvalente zaal overdag zal gebruikt worden als overdekte speelruimte; dat de zaal daarnaast ook zal dienen voor eetfestijnen en fuiven'; Het stond aan de vergunningverlenende overheid om voormelde beknopte motivering te hanteren omtrent de overeenstemming van de exploitatie met het geldende gewestplan, inachtgenomen de duidelijke bestaanbaarheid van de vergunde activiteiten met dit plan. Dat daarbij wordt verwezen naar de reeds verleende stedenbouwkundige vergunning voor het gebouw waarin de activiteiten zullen plaatsvinden, doet geenszins afbreuk aan de eigen beoordelingsbevoegdheid van de vergunningverlenende overheid, die daarmee enkel opmerkt dat ook op stedenbouwkundig gebied werd geoordeeld dat het VII-34.801-8/32 jeugdontmoetingscentrum, evenals de activiteiten die men daarin wenst uit te oefenen, betrekking hebben op de realisatie van recreatieve accommodatie. Wat betreft de verwijzing naar de andere niet-vergunningsplichtige activiteiten die in het centrumproject zullen worden georganiseerd, en die ontegensprekelijk - eveneens- bestaanbaar zijn met de gewestplanbestemming recreatiegebied, weze opgemerkt dat de vergunningverlenende overheid daarmee enkel wenst te benadrukken dat ook de vergunningsplichtige activiteiten een recreatieve aard hebben, inpasbaar in de algemene recreatieve doelstelling van het project. Uit voormelde uiteenzetting blijkt aldus dat de vergunningverlenende overheid in het licht van de concrete omstandigheden afdoende motiveert waarom de activiteiten die het voorwerp uitmaken van de milieuvergunningsaanvraag bestaanbaar zijn met de aldaar geldende gewestplanbestemming, zodat ook het tweede onderdeel van het eerste middel niet ernstig is. Het eerste middel is niet ernstig"; 3.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij als volgt repliceert : "Het geplande jeugdontmoetingscentrum heeft ontegenzeggelijk een recreatieve functie en past dan ook in het gebied met bestemming recreatie. Verzoekers kunnen niet worden begrepen wanneer zij opwerpen dat de geplande activiteiten, waaronder fuiven en muziekoptredens, niet als recreatie kunnen worden aangemerkt. De activiteiten die in het geplande jeugdontmoetingscentrum zullen doorgaan zijn bij uitstek recreatief van aard. Ook de repeteerruimte voor muziekgroepjes en de jeugdateliers hebben duidelijk recreatie als bestemming. De verzoekers tonen niet aan, noch maken zij aannemelijk dat de activiteiten die in het Jeugdontmoetingscentrum (afgekort JOC) zullen kunnen doorgaan, geen recreatief karakter zouden hebben. Overigens wordt door verzoekers foutievelijk enkel gefocust op dansfeesten en muziekoptredens, terwijl dit niet het enige noch het overwegende gebruik van de polyvalente zaal zal uitmaken. Het project moet bovendien in zijn geheel worden bekeken, waarbij blijkt dat een 'jongeren-ontmoetings-centrum' waar wordt voorzien in o.a. repeteerlokaal, jeugdatelier, speel- en voetbalzone, zandbak, ... een duidelijke recreatieve functie vervult. Ook de activiteiten die in de feestzaal en de polyvalente zaal zullen worden georganiseerd (bonte avonden, dia-avonden, fuiven, filmavonden, quizzen,...) zijn recreatief van aard. Zo aanvaardde de Raad van State in haar arrest Vandezande e.a., nr. 44.222 van 23 september 1993, dat een ontmoetingscentrum bestemd voor recreatieve activiteiten in een recreatiegebied past. De opwerping van verzoekers dat de activiteiten de maat van het occasionele zullen te boven gaan, is volkomen irrelevant. Het criterium van 'occasionaliteit' is slechts een criterium om te bepalen of een feestzaal al dan niet aan de milieuvergunningsplicht is onderworpen. (rubriek 32.1 van Bijlage I van Vlarem I) In casu wordt door de gemeente Puurs op geen enkel moment voorgehouden dat voor de zaal geen milieuvergunning zou zijn vereist. Er werd in tegendeel wel degelijk een milieuvergunning aangevraagd en verkregen. Het geplande project is verenigbaar met de bestemming 'recreatie' op het Gewestplan. De inrichting zelf is gepland in een gebied voor recreatie, waar het thuishoort. Uit het gewestplan blijkt dat helemaal geen onredelijke plaats werd gekozen voor de inplanting van het jeugdontmoetingscentrum. De plaatsing is aan een uitloper van de woonzone, terwijl er toch maar weinig huizen in de onmiddellijke buurt staan. Deze ligging laat toe om zo min mogelijk hinder te veroorzaken aan zo VII-34.801-9/32 weinig mogelijk mensen, terwijl de ligging toch centraal genoeg is om jongeren toe te laten ernaartoe te fietsen. Op die manier kunnen de meeste auto’s worden thuisgelaten, hetgeen op alle vlakken een goede zaak is. De bewering van verzoekers op pagina 12 van hun verzoekschrift dat de activiteiten een commerciële connotatie zullen hebben, is volkomen uit de lucht gegrepen. Het beheer van het JOC zal gebeuren door het gemeentebestuur in volle beheer. De 'VZW JOC' waarvan sprake in het verzoekschrift bestaat niet. De bewering van verzoekers steunt dan ook op verkeerde feiten. De taak van het bestuur is om faciliterend te werken en voorwaarden te scheppen opdat verenigingen en individuen in haar gemeente zich kunnen ontwikkelen. De gemeente heeft geen winstoogmerk. Zij zal de ruimtes in het JOC aan verenigingen ter beschikking stellen tegen een retributie, die niet op winst is gericht. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat het onderdeel niet thuishoort in een schorsingsprocedure voor de Raad van State, maar enkel in een administratief beroep. Het is immers niet de taak of bevoegdheid van Uw Raad om de opportuniteit van de bestreden beslissing te beoordelen. Enkel de wettigheid van de bestreden beslissing is aan de orde. De Raad van State voert slechts een marginale toetsing uit m.b.t. de inhoud van de beslissing en zal derhalve slechts nagaan of de overheid niet kennelijk onredelijk handelde. Het eerste onderdeel, en overigens ook het tweede onderdeel en het tweede middel, zijn gericht op de opportuniteit van de bestreden beslissing, en zijn derhalve geen ernstige middelen in het kader van huidige procedure voor de Raad van State. In het schorsingscontentieux wordt van de verzoekende partij nochtans verwacht dat zij ernstige middelen aanvoert. Onder ernstige middelen moet worden verstaan, middelen die op het eerste gezicht, bij een eerste lezing, ontvankelijk en gegrond lijken, zodat de vernietiging van de bestreden beslissing quasi-onafwendbaar is. (R.v.St., nr. 38.969, 10 maart 1992; R.v.St., nr. 38.417, 24 december 1991; R.v.St., nr. 35.615, 2 oktober 1990; R.v.St., nr. 33.723, 8 januari 1990) Verzoekende partij dient nauwkeurig aan te voeren welke precieze rechtsregel of rechtsprincipe zij geschonden acht en waaruit die schending precies bestaat. In casu worden in het onderdeel, en meer algemeen in beide middelen losweg rechtsregels en beginselen aangehaald die geschonden zouden zijn, terwijl in de verschillende onderdelen niet verder wordt gespecifieerd waaruit die schending precies bestaat. Bijvoorbeeld wordt door verzoekers aangevoerd dat het artikel 2, §1, lid 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en het artikel 52, 3/,
- b)van het Besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning (VLAREM I) zouden zijn geschonden terwijl in de uitwerking van het middel nergens wordt aangegeven waaruit deze schending precies zou bestaan. Het gaat niet op om enkele paragrafen uit de bestreden beslissing te plukken en van elk van die paragrafen te beweren dat zij niet draagkrachtig is voor de beslissing. Er dient naar het geheel van de motivering van de bestreden beslissing te worden gekeken. Daarenboven dient te worden herhaald dat Uw Raad niet oordeelt over de opportuniteit van de beslissing maar enkel omtrent de wettigheid ervan. Aangaande inhoud van de beslissing voert Uw Raad slechts een marginale toetsing uit in het kader van het redelijkheidsbeginsel. De door verzoekers aangevoerde paragrafen zijn wel degelijk pertinente overwegingen; - De overweging 'dat de polyvalente zalen en de feestzaal deel uitmaken van een gemeentelijk jeugdontmoetingscentrum, waarvoor de gewestelijke VII-34.801-10/32 stedenbouwkundige ambtenaar op 21 februari 2005 de stedenbouwkundige vergunning heeft gegeven' is een feitelijke, informatieve overweging. Deze overweging bedoelt niet om de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van de milieuvergunning te schragen door loutere verwijzing naar de stedenbouwkundige vergunning. Er kan dan ook niet worden begrepen wat er mis is met deze overweging. - De overweging 'dat het project in zijn geheel moet worden bekeken, waarbij blijkt dat een jongeren-ontmoetingscentrum, waar wordt voorzien in een repeteerlokaal, jeugdatelier, speel- en voetbalzone, zandbak enz. een recreatieve functie vervult' is wel degelijk pertinent en draagkrachtig. Deze overweging verduidelijkt dat de vergunningsplichtige activiteiten te situeren zijn in het geheel van het Jeugdontmoetingscentrum, als recreatief worden aangemerkt en derhalve thuishoren in een zone voor 'recreatie'. - De derde en laatste bekritiseerde overweging betreft de overweging : 'dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde vergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften'. Deze overweging is een slotbeschouwing aangaande de verenigbaarheid met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften. Er dient te worden opgemerkt dat aangaande de overeenstemming met de gewestplanbestemming in de bestreden beslissing ook de volgende overweging wordt gemaakt : 'Overwegende dat het voorwerp van onderhavige aanvraag een nieuw jeugdontmoetingscentrum met onder meer een jeugddienst, een buitenschoolse kinderopvang, jeugdateliers, een repeteerruimte voor muziekgroepjes en een polyvalente zaal betreft; dat de grote polyvalente zaal overdag zal gebruikt worden als overdekte speelruimte; dat de zaal daarnaast ook zal dienen voor eetfestijnen en fuiven'. Er blijkt uit het geheel van de motivering (zie STUK 1) dat de bestreden beslissing wel degelijk afdoende is gemotiveerd aangaande de overeenstemming met de gewestplanbestemming 'recreatie'. Het is immers overduidelijk dat de activiteiten in het geplande JOC recreatief van aard zijn. Het feit dat er ook een aspect dienstverlening is verweven in deze structuur doet daar geen afbreuk aan. Het spreekt voor zich dat vanzelfsprekendheden niet in alle uitgebreidheid dienen te worden gemotiveerd. Er dient overigens op te worden gewezen dat er in de bestreden beslissing ook werd verwezen naar het gunstige advies van het AROHM Antwerpen, het voorwaardelijke gunstige advies van AMINAL Afdeling Milieuvergunningen en het vo o rwaardelijke gunstige advies van de Gewest elijke Milieuvergunningscommissie. Ook deze adviezen werden gemotiveerd. Uw Raad aanvaardt dat er kan worden gemotiveerd door verwijzing naar andere stukken (R.v.St. Cornet, nr. 53.928, 21 juni1995). In casu is de verwijzing bovendien geenszins de enige motivering maar komt zij bovenop de uitgebreide motivering in de bestreden beslissing. Aangaande de motivering dient tevens te worden opgemerkt dat de deugdelijkheid van de motivering niet in abstracto moet worden beoordeeld maar in het licht van de gegevens van het administratief dossier, onder meer met inachtneming van de gegevens die door de betrokkenen voor wie de motivering bestemd is, reeds gekend zijn (R.v.St., Keukincks, nr. 25.009, 5 februari 1985; R.v.St., stad Aalst, nr. 30.370, 21 juni 1988; R.v.St., George, nr. 76.089, 2 oktober 1998). In casu zijn de betrokkenen zeer zeker op de hoogte van de gegevens van het administratief dossier. Verzoekers hebben reeds verschillende procedurestappen ondernomen tegen de vergunningen voor het VII-34.801-11/32 jeugdontmoetingscentrum. Er kan dan ook terecht worden verondersteld dat zij op de hoogte zijn van de adviezen waarnaar wordt verwezen (zie ook stukken 17 tot 19 in de bundel van verzoekers). De subjectieve invulling van verzoekers dat er allerlei mega-evenementen zullen worden georganiseerd (o.a. p. 13 laatste paragraaf van hun verzoekschrift) wordt tegengesproken door de passage in het bestek die verzoekers zelf aanhalen op pagina 11 van hun conclusie, noot 1 : 'Grote polyvalente zaal (...) Deze polyvalente zaal heeft een capaciteit van ongeveer 700 (fuivende) bezoekers. (...) Kleinere fuiven en optredens tot een 200tal bezoekers moeten in de particuliere jeugdhuizen kunnen doorgaan. Mega manifestaties moeten kunnen doorgaan in tenten of grote sport- of evenementenhallen. Activiteiten met 500 à 700 bezoekers kunnen dan weer best doorgaan in deze polyvalente zaal van het JOC'. Er wordt derhalve uitdrukkelijk gesteld dat zogenaamde mega-manifestaties niet zullen doorgaan in het JOC zelf. De beweringen van verzoekers aangaande de mega-evenementen en de hinder die daaruit zou voortvloeien dienen in hun juiste feitelijk perspectief te worden geplaatst. Het getal van 700 bezoekers is een maximum-aantal. Deze maximumcapaciteit is een belangrijk gegeven voor de architect. Dit betekent niet dat elke weekendavond een fuif zal doorgaan met 700 bezoekers. Ook gaat het niet om de ordegrootte van een echte dancing. Het eerste middel is niet ernstig"; 3.1.4.1. Overwegende dat artikel 16.5.0., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen bepaalt wat volgt : "De recreatiegebieden zijn bestemd voor het aanbrengen van recreatieve en toeristische accommodatie, al dan niet met inbegrip van de verblijfsaccommodatie. In deze gebieden kunnen de handelingen en werken aan beperkingen worden onderworpen teneinde het recreatief karakter van de gebieden te bewaren"; dat bij gebreke aan andersluidende definitie in de toepasselijke reglementering het begrip "recreatieve accommodatie" prima facie in de spraakgebruikelijke betekenis dient begrepen te worden; dat een "recreatieve accommodatie" een accommodatie is die bestemd is voor recreatie en met het oog daarop is ingericht en dat "recreatief" in zijn spraakgebruikelijke betekenis betekent betrekking hebbend op ontspanning of vrijetijdsbesteding; dat anders dan de verzoekende partijen voorhouden activiteiten zoals dansfeesten, schouwspelen en muziekoptredens niet van aard lijken te veranderen omdat ze méér dan occasioneel worden georganiseerd, een grootschalig karakter zouden vertonen of een commerciële connotatie zouden hebben; dat met hun betoog de verzoekende partijen er niet in slagen aan te tonen waarom dansfeesten, schouwspelen en muziekoptredens geen recreatieve activiteiten zouden zijn; dat het eerste onderdeel niet ernstig is; VII-34.801-12/32 3.1.4.2. Overwegende, wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, dat het bestreden besluit onder meer volgende overwegingen bevat : "(...) Overwegende dat de polyvalente zalen en de feestzaal deel uitmaken van een gemeentelijk multifunctioneel jeugd-ontmoetingscentrum, waarvoor de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar op 21 februari 2005 de stedenbouwkundige vergunning heeft gegeven; Overwegende dat het project in zijn geheel dient te worden bekeken, waarbij blijkt dat een jongeren-ontmoetingscentrum, waar wordt voorzien in een repeteerlokaal, jeugdatelier, speel- en voetbalzone, zandbak, enz., een duidelijke recreatieve functie vervult; (...) Overwegende dat het voorwerp van onderhavige aanvraag een nieuw jeugdontmoetingscentrum met onder meer een jeugddienst, een buitenschoolse kinderopvang, jeugdateliers, een repeteerruimte voor muziekgroepjes en een polyvalente zaal betreft; dat de grote polyvalente zaal overdag zal gebruikt worden als overdekte speelruimte; dat de zaal daarnaast ook zal dienen voor eetfestijnen en fuiven; (...)"; dat op grond van voormelde overwegingen en in het bijzonder van de beschrijving van de aard van de activiteiten waarvoor het bestemd is de verwerende partij het gebouw op het eerste gezicht terecht kon beschouwen als een "recreatieve accommodatie"; dat dergelijke motivering afdoende lijkt; dat het tweede onderdeel niet ernstig is; 3.2.1. Overwegende dat de verzoekende partijen het tweede middel nemen "uit schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, artikel 52, 3/,
- b)VLAREM I, artikel 30bis VLAREM I in samenhang met artikel 43, § 2 VLAREM I en artikel 4.1.3.2 VLAREM II en de beginselen van milieubeleid vervat in artikel 1.2.1 § 2 Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, meer specifiek het beginsel van preventief handelen, alsmede uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur meer specifiek het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel, doordat in het bestreden vergunningsbesluit de exploitatie van een feestzaal met dansgelegenheid met een voor het publiek toegankelijke oppervlakte van 545 m² met een capaciteit van 700 bezoekers en een polyvalente zaal bestaanbaar wordt geacht met de onmiddellijke omgeving en beantwoordt aan de eisen van een goede plaatselijke ordening, op grond van volgende overwegingen : 'Overwegende dat de exploitatie daarenboven bestaanbaar is met de onmiddellijke omgeving en beantwoordt aan de eisen van een goede plaatselijke ordening omwille van de hierna vermelde redenen : Overwegende dat de aanvraag in bijlage 3 de preventieve voorzieningen vermeldt, die zullen genomen worden om de mogelijke hinder van de inrichting in te perken; dat de mogelijke hinder van dergelijke inrichting VII-34.801-13/32 vooral geluidshinder betreft; dat de aanvraag hieromtrent de volgende preventieve maatregelen voorziet : - de zaal zal gelegen zijn aan de oostzijde, waar geen bewoning is; langsheen de Hof ten Berglaan zal de zaal gebufferd worden door het overige gedeelte van het gebouw; langsheen de zijde van de dichtstbijzijnde woningen zal de zaal worden bedekt met een aarden talud; - de parkeervoorzieningen komen zo ver mogelijk van de bestaande woningen; - de inkom zal beschut liggen en niet gericht zijn naar de woningen; - de plaats voor het lossen en laden zal verwijderd liggen van de woningen en is bewust in een insprong gelegen; deze plaats zal bovendien overkraagd zijn; er is een afzonderlijke geluidssas langs de binnenzijde voorzien; - slechts één nooduitgang zal gericht zijn naar het centrum en deze heeft een volledig akoestische sas; - alle wanden zullen uit een zware en ontdubbelde constructie bestaan : betonmetselwerk/isolatie/beton; het dak van de zaal zal bestaan uit beton met een zwaar groendak; - er zal geen rechtstreekse deur of raam zijn in het repetitielokaal, wel een aparte sas en een aparte verwarming en verluchting; er wordt een ontdubbelde binnenwand voorzien tussen het repetitielokaal en het kleuterlokaal; - de weinige ramen vanuit de zaal zullen enkel naar de open ruimte gericht zijn en zullen bovendien beschikken over zware akoestische beglazing en speciale akoestische binnenluiken; de nooddeur aan de Molenstraat zal speciale akoestische buitenluiken bezitten, die toch noodevacuatie mogelijk laten; - de binnenafstand vanuit de zaal naar de uitgang is zo lang mogelijk voorzien, met twee knikken en een akoestisch absorberend plafond, dit om zowel rechtstreeks geluid te dempen, als het publiek de nodige chillout-mogelijkheid te geven; ('afkoelen' vooraleer op de openbare weg te komen) - in overleg met het studiebureau Technieken werd een luchtverversingssysteem voorzien, dat rechtstreeks contact met de buitenomgeving vermijdt; Overwegende dat de aanvraag tevens vermeldt dat de brandbeveiliging van het gebouw opgesteld werd in samenspraak met de brandweer; Overwegende dat het huishoudelijk afvalwater afkomstig is van de sanitaire installaties; dat dit afvalwater wordt geloosd in de openbare riolering langs de Brandstraat met een maximum debiet van 400 m³/jaar, Overwegende dat de feestzaal met dansgelegenheid een oppervlakte heeft van 300 m² (grote polyvalente zaal); dat het gebouw verder zes polyvalente zalen bevat, waarvan drie zullen worden ingericht als jeugdatelier, twee als kinderopvanggelegenheid en de laatste verbonden is met de grote polyvalente zaal; dat er tenslotte nog een repeteerruimte is voorzien; Overwegende dat de grote polyvalente zaal en de woningen langs de Kimpelberg van elkaar gescheiden zijn door een bestaand speelterrein en een ravotweide; dat het speelterrein gelegen is op het perceel met kadastergegevens, afdeling 1, sectie H, perceelnummer 616/e; dat dit perceel geen onderdeel uitmaakt van onderhavige aanvraag, maar wel een zelfde kadastrale werkzone vormt samen met het perceel met kadastergegevens afdeling 4, sectie A, perceelnummer l/r, dat het voorwerp uitmaakt van onderhavige aanvraag; dat het inplantingsplan (bijlage 3 van de aanvraag) aangeeft dat de achtertuinen van de woningen langs de Kimpelberg op een gemiddelde afstand van ongeveer 80 meter van de grote VII-34.801-14/32 zaal van de inrichting liggen; dat deze woningen afgeschermd zullen worden van de inrichting door middel van een nieuw aan te leggen talud van maximum 1,50 meter hoog, volgens een uitvoeringsplan van de gemeentelijke groendienst; dat de dichtstbijzijnde woning tot de zaal deze is van de heer Van Camp, Kimpelberg 22; dat de afstand van de achtertuin van deze woning tot de zaal ongeveer 50 meter bedraagt; dat deze woning zal worden afgeschermd van de inrichting door nieuw aan te planten bomen rondom het gebouw en een nieuwe talud rondom de bergingen van het gebouw; dat de inrichting hierdoor voor een deel onder de grond zit; dat mede door deze aarden overdekking van een groot deel van het gebouw, de geplande taluds en het geplande groenscherm de visuele hinder minimaal zal zijn; dat de bergingen achteraan het gebouw gelegen zijn (langs de kant van de dichtstbijzijnde woning) ; dat de zaal vooraan het gebouw gelegen is (langs de kant van de Brandstraat)'. en doordat, vervolgens, de aanspraken die de verzoekers in hun beroepschrift met het oog op het waarborgen van de verenigbaarheid van de inrichtingen met de concrete woonomgeving hebben gemaakt onder de vorm van bijzondere vergunningsvoorwaarden, integraal worden verworpen, op grond van volgende motivering : 'Overwegende dat de exploitant volgens de bepalingen van artikel 5.32.2.3 van titel II van het Vlarem verplicht is om uiterlijk tien kalenderdagen voor de eerste ingebruikname van de inrichting op zijn kosten een volledig akoestisch onderzoek te laten uitvoeren door een erkend deskundige in de discipline geluid en trillingen; dat indien nodig bijkomende maatregelen zullen moeten getroffen worden om de geldende geluidsnormen ten alle tijde te respecteren; dat deze voorwaarde niet dient te worden opgenomen in onderhavige beslissing als bijzondere voorwaarde, zoals gevraagd door de beroepsindiener, daar deze voorwaarde al beschreven staat in de sectorale voorwaarden van afdeling 5.32.2 van titel II van het Vlarem; Overwegende dat in bijlage 3 van de milieuvergunningsaanvraag meer dan voldoende maatregelen worden opgesomd om mogelijke geluidsoverlast tegen te gaan, zoals eerder vermeld; dat het daarom niet opportuun wordt geacht om de exploitant nog een plan te laten opmaken, waarin de organisatorische maatregelen ter beperking van de afgeleide geluidshinder worden voorgesteld, zoals voorgesteld door de beroepsindiener; Overwegende dat de door de beroepsindiener voorgestelde beperking van de termijn van de milieuvergunning, mede gelet op de aard en de omvang van het project, niet aangewezen is; Overwegende dat de beroepsindiener stelt dat er geen soepelere afwijking mag worden toegestaan op de sectorale milieuvoorwaarde van artikel 5.32.2.2, § 2 van titel II van het Vlarem in verband met de uitbatingsuren (verboden vanaf 3 uur tot 7 uur, behalve op zon- en feestdagen); dat dit niet gebeurt in de bestreden beslissing; dat daar tevens geen enkele aanleiding toe bestaat; dat voormelde bepaling tevens voorschrijft dat het gebruik van elektronische versterkers die muziek voortbrengen verboden is vanaf 3 uur tot 7 uur, behalve op zon- en feestdagen; dat het niet opportuun wordt geacht dit te beperken tot een bepaalde verdieping, zoals gevraagd door de beroepindiener; Overwegende dat, precies gelet op de aard van de recreatieve activiteiten, het evenmin aangewezen voorkomt om een bijzondere voorwaarde op te leggen die het gebruik van buiten opgestelde muziekinstallaties volledig verbiedt; dat de exploitatie van de inrichting hoe dan ook ten allen tijde de geluidsnormen van titel II van het Vlarem moet respecteren; VII-34.801-15/32 Overwegende dat de beroepsindiener tevens vraagt om de exploitatie met gesloten ramen en deuren te laten gebeuren; dat dit enkel nut zou kunnen hebben bij de grote polyvalente zaal, waar de dansgelegenheden zullen doorgaan; dat deze zaal evenwel over geen ramen en deuren naar buiten toe beschikt, daar de zaal gedeeltelijk onder de grond is gelegen; dat een dergelijke voorwaarde bijgevolg voor deze zaal geen nut heeft; dat het tevens niet opportuun is dit op te leggen voor het jeugdatelier en de buitenschoolse kinderopvang (zijnde de overige polyvalente zalen), om een natuurlijke verluchting van deze lokalen niet in de weg te staan; Overwegende dat het laten voeren van een actief communicatiebeleid met de buurt, het voorzien in een stewardwerking, de aanstelling van een portier bij elke dansgelegenheid en het geven van een centraal contacttelefoonnummer waarop klachten kunnen worden gemeld, alsook de bestrijding van mogelijke afgeleide hinderaspecten, zoals vandalisme en wildplassen, zaken zijn die niet in een milieuvergunning moeten geregeld worden, maar die kunnen geregeld worden door de lokale politie en/of het gemeentebestuur', terwijl, eerste onderdeel, de overheid die over een milieuvergunningsaanvraag moet oordelen, de inrichting(
- en)waarvoor de vergunning wordt aangevraagd op gemotiveerde wijze moet beoordelen in het licht van de vraag naar de verenigbaarheid van de inrichting met de omgeving en de goede plaatselijke aanleg, wat impliceert dat de met de exploitatie onlosmakelijk verbonden hinder voor de omgeving en de kenmerken van de betrokken omgeving die de hinder kan ondervinden, nauwkeurig in kaart wordt gebracht en dat in het licht daarvan de verenigbaarheidsvraag in concreto wordt geëvalueerd; en terwijl, de overheid die over een milieuvergunningsaanvraag moet oordelen op basis van de in artikel 30bis, § 1 VLAREM I vervatte verplichting, in samenhang met de in het middel geciteerde milieubeginsel, inzonderheid het beginsel van preventief handelen, en de beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het zorgvuldigheidsbeginsel, er evenzeer toe gehouden is om bij het verlenen van de milieuvergunning erover te waken dat deze de voorwaarden bevat welke garanderen dat de inrichting voldoet aan de eisen die door titel I en II van het VLAREM zijn vooropgesteld, daarin begrepen de verplichtingen vervat in artikel 43, § 2 VLAREM I en artikel 4.1.3.2 VLAREM II op grond waarvan de exploitant alle noodzakelijke maatregelen moet treffen opdat bij de exploitatie van de inrichting geen schade of hinder voor de buurt wordt veroorzaakt; dat deze milieuvoorwaarde een algemene strekking heeft en alle vormen van hinder en schade die door de exploitatie (kunnen) worden veroorzaakt voor de buurt, voor ogen heeft; dat deze bepalingen aldus ook een belangrijke waarborg vormt bij het verzekeren van de verenigbaarheid van de inrichting met de omgeving en de goede plaatselijke ordening; en terwijl, de vergunningverlenende overheid bij de evaluatie van de verenigbaarheid van de inrichting op de omgeving en de impact van het project op de goede plaatselijke aanleg, mede in het licht van de opmerkingen en bezwaren die dienaangaande werden gemaakt, op grond van de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet en artikel 52, 3/,
- b)VLAREM I ertoe gehouden is in de formeel uitgedrukte motieven van de vergunningsbeslissing de redenen te vermelden die verband houden met de hoger geciteerde verenigbaarheidstoets en met de goede plaatselijke (sic) waarop haar beslissing steunt en waaruit blijkt dat zij, overeenkomstig haar zorgvuldigheidsplicht, is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, dat zij die op correcte wijze heeft beoordeeld en dat zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; en terwijl, in het licht van de hierboven geciteerde wetsbepalingen en principes de motivering van de bestreden beslissing op grond waarvan de Minister tot besluit komt dat de inrichting(
- en)verenighaar is met de omgeving en met de goede plaatselijke ordening en het administratief beroep van VII-34.801-16/32 verzoekers, meer specifiek de daarin geformuleerde aanspraken in verband met de op te leggen (bijzondere) vergunningsvoorwaarden, wordt verworpen, feitelijk, rechtens noch beleidsmatig aanvaardbaar is, om volgende redenen : • In de bestreden beslissing een decisief argument om de verenigbaarheid van de inrichting met de omgeving en met de goede plaatselijke ordening en om de aanspraak van de verzoekers in dit verband (inz. het opstellen van een maatregelenplan, met organisatorische maatregelen ter beperking van de afgeleide geluidshinder) te verwerpen, wordt geput uit de verwijzing naar de maatregelen die door de exploitant in bijlage 3 bij de vergunningsaanvraag zijn gevoegd (stuk 1, pag. 7-8, 10). In het vergunningsbesluit wordt terzake meer specifiek overwogen : 'Overwegende dat de exploitatie daarenboven bestaanbaar is met de onmiddellijke omgeving en beantwoordt aan de eisen van een goede plaatselijke ordening omwille van de hierna vermelde redenen : Overwegende dat de aanvraag in bijlage 3 de preventieve voorzieningen vermeldt, die zullen genomen worden om de mogelijke hinder van de inrichting in te perken, dat de mogelijke hinder van dergelijke inrichting vooral geluidshinder betreft, dat de aanvraag hieromtrent de volgende preventieve maatregelen voorziet (...); Overwegende dat in bijlage 3 van de milieuvergunningsaanvraag meer dan voldoende maatregelen worden opgesomd om mogelijke geluidsoverlast tegen te gaan, zoals eerder vermeld; dat het daarom niet opportuun wordt geacht om de exploitant nog een plan te laten opmaken, waarin de organisatorische maatregelen ter beperking van de afgeleide geluidshinder worden voorgesteld, zoals voorgesteld door de beroepsindiener. Deze argumentatie mist evenwel draagkracht, nu : Primo. De maatregelen (...) in bijlage 3 hebben immers vrijwel uitsluitend betrekking op hinder afkomstig van de activiteiten binnen het gebouwencomplex zelf, inzonderheid de geluidsoverdracht van binnenuit het gebouw, met uitsluiting van allerlei andere (afgeleide) hindervormen die kunnen worden veroorzaakt buiten de gebouwen (al dan niet op het eigen exploitatieterrein 5), en die, naar algemene ervaringsregels, onlosmakelijk verbonden zijn aan de exploitatie van de vergunde inrichting verbonden aan de exploitatie van een inrichting van dergelijk aard en omvang (een feestzaal met dansgelegenheid (fuifzaal) en polyvalente zaal waarin onder meer muziekoptredens worden georganiseerd met een oppervlakte van 545 m² en een capaciteit van 700 bezoekers gelegen in de onmiddellijke nabijheid van een woonkern). Deze door verzoekers in hun beroepschrift aangevoerde hindervormen, zoals nachtlawaai van bezoekers op en buiten het exploitatieterrein of verkeershinder, hinderaspecten die naar algemeen bekende gegevens nochtans (...) onlosmakelijk zijn verbonden met de exploitatie van een fuifzaal of polyvalente zaal van een dergelijke omvang (o.a. R.v.St., Van Doren, 10 maart 1997, nr. 65.064; R.v.St., d’Heygere, 21 juni 2004, nr. 132.707), worden gemarginaliseerd. Uw Raad heeft nochtans reeds geoordeeld dat de overheid die oordeelt over een milieuvergunningsaanvraag, in het kader van haar onderzoek naar de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van de betrokken inrichtingen en de verenigbaarheid ervan met de concrete omgeving, alle relevante vormen van hinder die de betrokken activiteiten kunnen veroorzaken in aanmerking moeten worden genomen (R.v.St., Wolfs, nr. 76.457, 15 oktober 1998). De overheid is in dit verband overigens gerechtigd, niet alleen rekening te houden met de hinder die voortvloeit uit de vergunningsplichtige inrichting als zodanig, maar ook met alle hinder die onlosmakelijk verbonden is met en haar wezenlijke oorzaak vindt in de exploitatie van die inrichting, en moet dienvolgens ook rekening houden met de hinder voortvloeiend uit het gebruik VII-34.801-17/32 van bijvoorbeeld de parking horend bij de exploitatie of met de hinder die als gevolg van de exploitatie ontstaat door een verhoogde verkeersdruk of door straatlawaai van de bezoekers van de betrokken inrichting (R.v.St., NV New Tito's, nr. 93.651, 1 maart 2001). Secundo. De in bijlage 3 opgesomde maatregelen zijn overigens niet als een (bijzondere) vergunningsvoorwaarde(
- n)opgenomen in de vergunningsbeslissing, zodat deze maatregelen het karakter hebben van een vrijblijvend engagement van de exploitant, dat tot niets verbindt. In dit opzicht kan in de beslissing niet nuttig worden verwezen naar deze maatregelen als motivering voor de verenigbaarheid van de inrichting(
- en)met de omgeving en de goede plaatselijke ordening. • De overwegingen dat de eigendommen (toebehorend aan tweede, derde en vierde verzoekers) onmiddellijk palen aan het exploitatieterrein 'zullen worden afgeschermd van de inrichting door een nieuw aan te leggen talud van maximum 1,50 meter hoog' en dat de dichtstbijzijnde eigendom bovendien 'zal worden afgeschermd van de inrichting door nieuw aan te planten bomen rondom het gebouw en een nieuw talud rond de bergingen van het gebouw' (stuk 1, pag. 8-9), dragen evenmin bij tot een afdoende motivering terzake de meervermelde verenigbaarheidsvraag en de verwerping van de in het kader hiervan opgeworpen beroepsgrieven. Het is immers niet duidelijk is en in de formeel uitgedrukte motieven van de bestreden beslissing wordt evenmin aangegeven in welk opzicht deze maatregelen bijdragen tot de beheersing van de opgeworpen geluidshinderproblemen of de verkeershindertoestand. Meer nog in het besluit wordt enkel aangegeven dat door die maatregelen 'de visuele hinder minimaal zal zijn' (stuk 1, pag. 9). Het is evenwel niet zozeer de visuele hinder die door de verzoekers in het kader van hun beroep tegen de toegekende milieuvergunning als griefhoudend wordt beschouwd, doch wel de afgeleide hindervormen zoals geluidsoverlast, verkeershinder en vandalisme. • Eveneens wordt de door verzoekers in hun beroepschrift opgenomen bijzondere vergunningsvoorwaarde in verband (met) de termijn van de milieuvergunning op grond van een al te summiere en eenvoudige motivering verworpen, met name op onder verwijzing naar de al te algemeen geformuleerde en dus nietszeggende overweging dat de voorgestelde termijn niet aangewezen is 'mede gelet op de aard en de omvang van het project' (stuk 1, pag. 10). • Hetzelfde geldt voor de overweging op grond waarvan de nochtans wèl door de Afdeling Milieuvergunningen en de Gewestelijke Milieuvergunningscommis- sie weerhouden vergunningsvoorwaarde met betrekking tot het gebruik van buiten opgestelde muziekinstallaties. In het bestreden besluit leest men daaromtrent : 'Overwegende dat, precies gelet op de aard van de recreatieve activitei- ten, het evenmin aangewezen voorkomt om een bijzondere voorwaarde op te leggen die het gebruik van buiten opgestelde muziekinstallaties volledig verbiedt; dat de exploitatie van de inrichting hoe dan ook ten allen tijde de geluidsnormen van titel II van het Vlarem moet respecteren'. Ook deze motivering mist draagkracht, en wel om volgende redenen : Primo. Het enkele feit te voldoen aan de milieutechnische normen, inzonderheid de geluidsnormen, impliceert niet (ipso facto) dat de te vergunnen hinderlijke inrichting ook vanuit oogpunt van een goede ordening van de omgeving aanvaardbaar is (R.v.St., Wolfs, nr. 76.457, 15 oktober 1998). Secundo Bovendien levert de verwijzing naar de geluidsnormen van titel II van het VLAREM (zonder meer), allerminst een afdoende motivering op, nu op basis hiervan helemaal niet kan worden ingezien of de overheid bij de beoordeling van de geluidshinderimpact op de omgeving, rekening heeft gehouden met de VII-34.801-18/32 uitzonderingsbepaling van artikel 4.5.6.1 VLAREM II op grond waarvan de vergunningverlenende (...) overheid in of in de omgeving van stiltebehoevende zones (zoals woongebieden) strengere geluidsnormen kan opleggen. • De litigieuze beslissing wimpelt de problematiek in verband met de afgeleide hinderaspecten (zoals nachtlawaai of verkeershinder) en de maatregelen die terzake door de verzoekers werden voorgesteld in hun beroepschrift (voeren van een actief communicatiebeleid met de buurt, aanstelling van een portier, contacttelefoonnummer, ...), overigens al te eenvoudig af onder het voorwendsel dat dit aspecten betreffen die kunnen worden geregeld door de lokale politie en/of het gemeentebestuur en niet in een milieuvergunning moeten worden geregeld (stuk 1, pag.). Deze motivering is rechtens en beleidsmatig onaanvaardbaar, nu de erin tot uitdrukking gebrachte zienswijze manifest afbreuk doet aan de verplichtingen van de vergunningverlenende overheid, vervat in artikel 30bis § 1 VLAREM I, in samenhang beschouwd met artikel 43, § 2 VLAREM I en artikel 4.1.3.2 VLAREM II met het beginsel van preventief handelen en het zorgvuldigheidsbe- ginsel, om in de milieuvergunning voorwaarden op te nemen die ertoe strekken dat de exploitant voldoende en afdoende maatregelen treft om te vermijden dat bij de exploitatie van de vergunde inrichting(en), zoals in casu het organiseren van (mega)fuiven en muziekoptredens, hinder voor de buurt ontstaat. En terwijl tweede onderdeel, geplaatst voor de hierboven beschreven en aannemelijk gemaakte nabuurschapnadelen die door de exploitatie van het project, gelet op de omvang, de aard en de concrete inplantingplaats ervan, kunnen worden opgelegd aan de nabuurpercelen, waaronder het eigendom van de verzoekende partijen, geen enkele in redelijkheid optredende overheid in de uitoefening van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid dergelijke beslissing zou hebben genomen, meer specifiek te weten dat : • de infrastructuur van de inrichting, met een polyvalente zaal die 700 bezoekers tegelijk kan ontvangen, is voorzien en gericht op mega-activiteiten (fuiven, muziekoptredens), die ontegenzeglijk een reëel gevaar op (afgeleide) geluidsoverlast en verkeersproblemen impliceren; • niet kan worden ontkend noch in de bestreden beslissing wordt tegengespro- ken dat deze inrichtingen worden ondergebracht en geëxploiteerd in de onmiddellijke nabijheid van een woongebied, waarbij een aantal tuinen onmiddellijk palen aan het exploitatieterrein, die bij gevolg zullen worden blootgesteld aan allerlei hindervormen, inzonderheid geluidshinder en verkeershinder, die onlosmakelijk verbonden zijn met de exploitatie van een inrichting met dergelijke omvang en van die aard; • uit de bouwplannen duidelijk blijkt dat de inrichting slechts beschikt over een beperkt aantal parkeerplaatsen in verhouding tot de totale bezoekerscapaci- teit, waardoor de aanpalende straten en bermen noodzakelijkerwijs als parkeergelegenheid zullen dienen wat uiteraard de kans op straatlawaai en verkeershinder alleen maar kan doen toenemen. Het tweede middel is eveneens in al zijn onderdelen, zowel afzonderlijk als in samenhang beschouwd, ernstig"; 3.2.2. Overwegende dat met betrekking tot het tweede middel de verwerende partij in haar nota als volgt antwoordt : "2.2. Verzoekende partijen kunnen niet worden gevolgd in hun redenering bij het eerste onderdeel van het tweede middel, gezien het bestreden besluit wel degelijk op een concrete en afdoende wijze motiveert waarom de vergunde activiteiten verenigbaar zijn met hun omgeving en de goede plaatselijke aanleg, onder VII-34.801-19/32 verwijzing naar de hinder die daaruit voortvloeit voor de omgeving en de kenmerken van deze omgeving. 2.2.1. Het bestreden besluit stelt daaromtrent immers het volgende : 'Gelet op het feit dat de inrichting paalt aan : - een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter; - een woonuitbreidingsgebied - een agrarisch gebied; (...) Gelet op het feit dat de inrichting gelegen is tussen de Brandstraat, de Molenstraat en de Puursheydestraat; dat de inrichting aan de linkerzijde paalt aan het jeugddorp Vijverbos (met) een gebouw van de KSA, een gebouw van de Chiro en de KAJ, een gebouw van de VKSJ, een grasvlakte en een parking, die tevens wordt gebruikt als skateterrein) en een speelterrein; (...) Overwegende dat de exploitatie daarenboven bestaanbaar is met de onmiddellijke omgeving en beantwoordt aan de eisen van een goede plaatselijke ordening omwille van de hierna vermelde redenen : Overwegende dat de aanvraag in bijlage 3 de preventieve voorzieningen vermeldt, die zullen genomen worden om de mogelijke hinder van de inrichting in te perken; dat de mogelijke hinder van dergelijke inrichting vooral geluidshinder betreft; dat de aanvraag hieromtrent de volgende preventieve maatregelen voorziet : - de zaal zal gelegen zijn aan de oostzijde, waar geen bewoning is; langsheen de Hof ten Berglaan zal de zaal gebufferd worden door het overige gedeelte van het gebouw; langsheen de zijde van de dichtstbijzijnde woningen zal de zaal worden bedekt met een aarden talud; - de parkeervoorzieningen komen zo ver mogelijk van de bestaande woningen; - de inkom zal beschut liggen en niet gericht zijn naar de woningen; - de plaats voor het lossen en laden zal verwijderd liggen van de woningen en is bewust in een insprong gelegen; deze plaats zal bovendien overkraagd zijn; er is een afzonderlijke geluidssas langs de binnenzijde voorzien; - slechts één nooduitgang zal gericht zijn naar het centrum en deze heeft een volledig akoestische sas; - alle wanden zullen uit een zware en ontdubbelde constructie bestaan : betonmetselwerk/isolatie/beton; het dak van de zaal zal bestaan uit beton met een zwaar groendak; (...) Overwegende dat de grote polyvalente zaal en de woningen langs de Kimpelberg van elkaar gescheiden zijn door een bestaand speelterrein en een ravotweide; dat het speelterrein gelegen is op het perceel met kadastergegevens, afdeling 1, sectie B, perceelnummer 616/e; dat dit perceel geen onderdeel uitmaakt van onderhavige aanvraag, maar wel een zelfde kadastrale werkzone vormt met kadastergegevens afdeling 4, sectie A, perceelnummer l/r, dat het voorwerp uitmaakt van onderhavige aanvraag, dat het inplantingsplan (bijlage 5 van de aanvraag) aangeeft dat de achtertuinen van de woningen langs de Kimpelberg op een gemiddelde afstand van ongeveer 80 meter van de grote zaal van de inrichting liggen; dat deze woningen afgeschermd zullen worden van de inrichting door middel van een nieuw aan te leggen talud van maximum 1,50 meter hoog, volgens een uitvoeringsplan van de gemeentelijke groendienst; dat de dichtstbijzijnde woning tot de zaal deze is van de heer Van Camp, Kimpelberg 22; dat de afstand van de achtertuin van deze woning tot de zaal ongeveer 50 meter bedraagt; dat deze woning zal worden afgeschermd VII-34.801-20/32 van de inrichting door nieuw aan te planten bomen rondom het gebouw en een nieuwe talud rondom de bergingen van het gebouw; dat de inrichting hierdoor voor een deel onder de grond zit; dat mede door deze aarden overdekking van een groot deel van het gebouw, de geplande taluds en het geplande groenscherm de visuele hinder minimaal zal zijn (langs de kant van de dichtstbijzijnde woning); dat de zaal vooraan het gebouw gelegen is (langs de kant van de Brandstraat); Overwegende dat uit voormelde gegevens en het bijgevoegde situerings- plan bij de aanvraag kan gesteld worden dat de oriëntering en de infrastruc- tuur van de inrichting zo maximaal mogelijk rekening houdt met de dichtstbijzijnde woningen; Overwegende dat het gebouw twee nooduitgangen zal hebben; dat de toegang tot het gebouw zal geschieden via de Brandstraat; dat het gebouw langs de zijde van de Molenstraat zal worden afgeschermd door een groenscherm (nieuw te plaatsen bomen); Overwegende dat de parkeerplaatsen ook zullen worden voorzien aan de kant van het gebouw die weg is gericht van de woningen; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt,' Uit voormeld tekstfragment blijkt aldus dat de vergunningverlenende overheid, binnen haar ruime discretionaire bevoegdheid, de onmiddellijke en eveneens de ruimere omgeving van het gebouw waarin de vergunningplichtige activiteiten zullen plaatsvinden beschrijft, waarbij onder meer wordt gewezen op de aanwezigheid van andere recreatieve gebouwen in de onmiddellijke omgeving en de parking bij deze gebouwen, evenals op de omliggende woningen. Het bestreden besluit geeft daarbij duidelijk aan hoe deze woningen zich situeren ten opzichte van de inrichting, waarbij in het kader van het onderzoek naar de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving van de door verzoekende partij gecontesteerde polyvalente zaal met de daarbij horende parking, vooral wordt verwezen naar de oriëntering daarvan ten aanzien van de woningen, de kenmerken van het gebouw en de infrastructuur, zoals de toegang en (...) het groenscherm, en de parking. 2.2.2. In tegenstelling tot hetgeen verzoekende partijen aanvoeren, is de bestreden beslissing, waarbij wordt geoordeeld dat de vergunningsplichtige exploitatie verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving en de goede plaatselij- ke aanleg zowel feitelijk, rechtens als beleidsmatig aanvaardbaar en afdoende gemotiveerd. De vaststelling dat het bestreden besluit in dit kader onder meer nadrukkelijk verwijst naar de door de exploitant genomen preventieve maatregelen om de hinder van de inrichting te beperken, en met name vooral de geluidshinder, doet geen afbreuk aan de motivering van het bestreden besluit ten aanzien van de goede ruimtelijke ordening, gezien meerdere opgesomde preventieve maatrege- len niet enkel milieutechnische maatregelen betreffen, doch nauw aansluiten bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening, gezien ze juist zijn ingegeven om deze ordening te vrijwaren. Verzoekende partijen stellen onterecht dat het bestreden besluit, en de daarin opgesomde preventieve maatregelen, vrijwel uitsluitend betrekking hebben op de hinder afkomstig van de activiteiten binnen het gebouwencomplex, zonder rekening te houden met de overige hindervormen. Alhoewel in casu de hinder vanuit de inrichting van groot belang is bij het onderzoek naar de verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving, wordt in het bestreden besluit eveneens rekening gehouden met de afgeleide hindervormen, door onder meer te wijzen op de vaststelling dat de toegang tot de inrichting beschut zal liggen en niet naar de woningen is gericht en de parking ver van de woningen wordt aangelegd, hetgeen uiteraard van VII-34.801-21/32 belang is in het kader van de verhoogde verkeersdruk met het daaraan verbonden straatlawaai. De maatregelen waarnaar wordt verwezen dienden evenmin te worden opgelegd als bijzondere vergunningsvoorwaarden, gezien ze voorname- lijk voortvloeien uit de bouwplannen van het ontmoetingscentrum, die door de exploitant bij de milieuvergunningsaanvraag werden gevoegd en dienen te worden gevolgd. De opmerking van verzoekende partijen dat de verwijzing in het bestreden besluit naar de maatregelen die worden genomen om de dichtstbijzijnde woningen af te schermen van de inrichting, door onder meer een talud aan te leggen en een groenscherm te voorzien, niet bijdragen tot een afdoende motivering in het kader van de goede ruimtelijke ordening, mist feitelijke ernst. Het stond aan de vergunningverlenende overheid om in het kader van de beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting met de goede ruimtelijke ordening te verwijzen naar maatregelen die specifiek worden voorzien om deze inrichting in te passen in de omgeving. Een talud en een groenscherm dragen immers ontegensprekelijk bij tot het voorkomen van mogelijke geluidsoverlast die afkomstig is van -buiten- de inrichting, terwijl ze ook de toegang verhinderen vanop het terrein van de inrichting naar de woningen. Wat betreft de termijn van de milieuvergunning, vermocht de vergunningver- lenende overheid, die beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid, het argument van verzoekende partijen te verwerpen, te meer niet valt in te zien welk belang verzoekende partijen hebben bij een beperking van de vergunning- stermijn, die normaliter twintig jaar bedraagt, waarbinnen verzoekende partijen desgevallend overeenkomstig artikel 45, §1, 5/ VLAREM I aanvullende voorwaarden kunnen vragen. Ook inzake de vraag van verzoekende partijen om een vergunningsvoorwaar- de op te leggen met betrekking tot het gebruik van buiten opgestelde muziekin- stallaties, dient te worden gewezen op de ruime discretionaire bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid, die vermocht te beslissen om geen dergelijke voorwaarde op te leggen, zodat de kritiek van verzoekende partijen daaromtrent een opportuniteitskritiek vormt. Overigens betrof het voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag de exploitatie van een feestzaal en een polyvalente zaal. Wat tenslotte het argument betreft dat de vergunningverlenende overheid de problematiek in verband met de afgeleide hinderaspecten afwimpelt, dient vooreerst nogmaals te worden gewezen op het feit dat de motivering daaraan wel degelijk aandacht besteedt, zoals hierboven uiteengezet. Het eerste onderdeel van het tweede middel is niet ernstig. 2.3. Wat betreft het tweede onderdeel van het tweede middel, kan in hoofdzaak worden gewezen naar hetgeen hierboven werd uiteengezet, waaruit onder meer blijkt dat het bestreden besluit alle relevante vormen van hinder beoordeelt die voor de onmiddellijke omgeving kunnen voortvloeien uit de betrokken exploitatie, en niet alleen de geluidshinder, zodat ook het tweede onderdeel van het tweede middel niet ernstig is. Het tweede middel is niet ernstig"; 3.2.3. Overwegende dat de tussenkomende partij volgende repliek geeft : "Weerlegging Allereerst dient te worden opgemerkt dat het onderdeel duidelijkheid en coherentie mist. Er wordt enkel een samenraapsel van losse beweringen gebundeld. Een middel dat niet duidelijk is, is geen ernstig middel. Uw Raad aanvaardt dat wanneer een middel duidelijkheid mist, het zo dient begrepen te worden zoals de verwerende partij het begrepen heeft (R.v.St. nr. 74.776, VII-34.801-22/32 30 juni 1998). Door de Raad wordt slechts ingegaan op wat haar essentieel overkomt in het betoog van verzoekers (R.v.St. 79.122, 5 maart 1997). Minstens is het middel vaag (cf. R.v.St. 78.469, 1 februari 1999). - In tegenstelling tot wat verzoekers beweren, is het bestreden besluit, zeer omstandig gemotiveerd aangaande de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening (zie p. 7 tot 9 STUK 1) : 'Overwegende dat de exploitatie daarenboven bestaanbaar is met de onmiddellijke omgeving en beantwoordt aan de eisen van een goede plaatselijke ordening omwille van de hierna vermelde redenen : Overwegende dat de aanvraag in bijlage 3 de preventieve voorzieningen vermeldt, die zullen genomen worden om de mogelijke hinder van de inrichting in te perken; dat de mogelijke hinder van dergelijke inrichting vooral geluidshinder betreft; dat de aanvraag hieromtrent de volgende preventieve maatregelen voorziet : - de zaal zal gelegen zijn aan de oostzijde, waar geen bewoning is; langsheen de Hof ten Berglaan zal de zaal gebufferd worden door het overige gedeelte van het gebouw; langsheen de zijde van de dichtstbijzijnde woningen zal de zaal worden bedekt met een aarden talud; - de parkeervoorzieningen komen zo ver mogelijk van de bestaande woningen; - de inkom zal beschut liggen en niet gericht zijn naar de woningen; - de plaats voor het lossen en laden zal verwijderd liggen van de woningen en is bewust in een insprong gelegen, deze plaats zal bovendien overkraagd zijn; er is een afzonderlijke geluidssas langs de binnenzijde voorzien; - slechts één nooduitgang zal gericht zijn naar het centrum en deze heeft een volledig akoestische sas; - alle wanden zullen uit een zware en ontdubbelbare constructie bestaan : betonmetselwerk/ isolatie /beton; het dak van de zaal zal bestaan uit beton met een zwaar groendak; - er zal geen rechtstreekse deur of raam zijn in het repetitielokaal, wel een aparte sas en een aparte verwarming en verluchting; er wordt een ontdubbelde binnenwand voorzien tussen het repetitielokaal en het kleuterlokaal; - de weinige ramen vanuit de zaal zullen enkel naar de open ruimte gericht zijn en zullen bovendien beschikken over zware akoestische beglazing en speciale akoestische binnenluiken; de nooddeur aan de Molenstraat zal speciale akoestische buitenluiken bezitten, die toch noodevacuatie mogelijk laten (sic); - de binnenafstand vanuit de zaal naar de uitgang is zo lang mogelijk voorzien, met twee knikken en een akoestisch absorberend plafond, dit om zowel rechtstreeks geluid te dempen, als het publiek de nodige chill-out-mogelijkheid te geven ('afkoelen' vooraleer op de openbare weg te komen); - in overleg met het studiebureau Technieken werd een luchtverversingssysteem voorzien, dat rechtstreeks contact met de buitenomgeving vermijdt; Overwegende dat de aanvraag tevens vermeldt dat de brandbeveiliging van het gebouw opgesteld werd in samenspraak met de brandweer; Overwegende dat het huishoudelijk afvalwater afkomstig is van de sanitaire installaties; dat dit afvalwater wordt geloosd in de openbare riolering langs de Brandstraat met een maximum debiet van 400 m³/jaar; Overwegende dat de feestzaal met dansgelegenheid een oppervlakte heeft van 300 m² (grote polyvalente zaal); dat het gebouw verder zes polyvalente zalen bevat waarvan drie zullen worden ingericht als VII-34.801-23/32 jeugdatelier, twee als kinderopvanggelegenheid en de laatste verbonden is met de grote polyvalente zaal; dat er tenslotte nog een repeteerruimte is voorzien; Overwegende dat de grote polyvalente zaal en de woningen langs de Kimpelberg van elkaar gescheiden zijn door een bestaand speelterrein en een ravotweide; dat het speelterrein gelegen is op het perceel met kadastergegevens, afdeling 1, sectie B, perceelnummer 616/e; dat dit perceel geen onderdeel uitmaakt van onderhavige aanvraag, maar wel een zelfde kadastrale werkzone vormt samen met het perceel met kadastergegevens afdeling 4, sectie A, perceelnummer 1/r, dat het voorwerp uitmaakt van onderhavige aanvraag; dat het inplantingsplan (bijlage 5 van de aanvraag) aangeeft dat de achtertuinen van de woningen langs de Kimpelberg op een gemiddelde afstand van ongeveer 80 meter van de grote zaal van de inrichting liggen; dat deze woningen afgeschermd zullen worden van de inrichting door middel van een nieuw aan te leggen talud van maximum 1,50 meter hoog, volgens een uitvoeringsplan van de gemeentelijke groendienst; dat de dichtstbijzijnde woning tot de zaal deze is van de heer Van Camp, Kimpelberg 22; dat de afstand van de achtertuin van deze woning tot de zaak ongeveer 50 meter bedraagt; dat deze woning zal worden afgeschermd van de inrichting door nieuw aan te planten bomen rondom het gebouw en een nieuwe talud rondom de bergingen van het gebouw; dat de inrichting hierdoor voor een deel onder de grond zit; dat mede door deze aarden overdekking van een groot deel van het gebouw, de geplande taluds en het geplande groenscherm de visuele hinder minimaal zal zijn; dat de bergingen achteraan het gebouw gelegen zijn (langs de kant van de dichtstbijzijnde woning); dat de zaal vooraan het gebouw gelegen is (langs de kant van de Brandstraat); Overwegende dat uit voormelde gegevens en het bijgevoegde situeringsplan bij de aanvraag kan gesteld worden dat de oriëntering en de infrastructuur van de inrichting zo maximaal mogelijk rekening houdt met de dichtstbijzijnde woningen; Overwegende dat het gebouw twee nooduitgangen zal hebben; dat de toegang tot het gebouw zal geschieden via de Brandstraat; dat het gebouw langs de zijde van de Molenstraat zal worden afgeschermd door een groenscherm (nieuw te plaatsen bomen); Overwegende dat de parkeerplaatsen ook zullen worden voorzien aan de kant van het gebouw die weg is gericht van de woningen'; Dit is een zeer extensieve, in concreto beoordeling en inschatting van de mogelijke hinder die de te vergunnen inrichting zou kunnen veroorzaken. - De artikelen 43 §2 VLAREM I en 4.1.3.2 VLAREM II kunnen niet door verweerster geschonden zijn in het bestreden besluit. Deze artikelen zijn gericht aan de exploitant van de inrichting. Ze vereisen dat ook buiten de verkregen milieuvergunning de exploitant als een goede huisvader steeds de nodige maatregelen moet nemen om hinder voor de buurt te voorkomen. Deze artikelen houden derhalve voor verzoekers een bijkomende waarborg in dat de inrichting geen schade of hinder zal ondervinden van het geplande JOC. Immers zal ook buiten de voorwaarden opgelegd in de milieuvergunning, erop worden toegezien dat het jeugdontmoetingscentrum geen overlast veroorzaakt. Er is dan ook geen sprake van een schending van de artikelen 43 §2 VLAREM I en 4.1.3.2 VLAREM II. - Verzoekers putten een middel uit het feit dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar de maatregelen die door de exploitant in bijlage 3 bij de vergunningsaanvraag zijn gevoegd. Verzoekers stellen dat dit argument draagkracht mist. VII-34.801-24/32 Deze bewering kan in het geheel niet worden bijgetreden. Immers is de verwijzing naar de maatregelen in bijlage 3 bij de vergunningsaanvraag wel degelijk relevant en pertinent. Onder punt E. Preventieve voorzieningen, in de vergunningsaanvraag (STUK 3), wordt verwezen naar bijlage 3. Deze bijlage maakt dan ook volwaardig deel uit van de vergunningsaanvraag. Het afleveren van een milieuvergunning houdt zowieso in dat de elementen van de vergunningsaanvraag als voorondersteld worden beschouwd. Deze door de aanvrager zelf voorgestelde maatregelen hoeven dan ook niet expliciet te worden herhaald als voorwaarden in de vergunning zelf. De milieuvergunning wordt op basis van de gegevens in de aanvraag verleend, waardoor de voorzieningen in de milieuvergunningsaanvraag door de vergunning worden bevestigd en opgelegd. De voorzieningen die door verzoekster tot tussenkomst zelf in bijlage 3 werden voorgesteld onder meer om hinder te beperken zijn derhalve niet vrijblijvend, zoals verzoekers suggereren. De meeste van deze voorzieningen zijn overigens opgenomen in het bouwplan en zijn reeds gedeeltelijk uitgevoerd. Uit de afgeleverde vergunning dd. 10 maart 2005 (STUK 7) zelf blijkt met zoveel woorden dat de preventieve maatregelen in ogenschouw werden genomen. 'Er zijn voldoende veiligheidsmaatregelen getroffen om zowel de evacuatie van de zalen als de repetitielokalen te garanderen. Er zijn ook voorzieningen getroffen om geluidsoverlast te voorkomen. Alle wanden bestaan uit een zware en ontdubbelde constructie (betonmetselwerk/ isolatie/beton). Het dak van de zaal bestaat bovendien uit beton met een zwaar groendak'. Deze overwegingen werden overgenomen uit het gunstige advies van Aminal, afdeling Milieuvergunningen. De vergunning bepaalt in het beschikkend gedeelte : 'De in artikel 1 bedoelde vergunning is afhankelijk van de strikte naleving van de volgende voorwaarden (in bijlage) : § 1. Algemene : V0l, V02, V03; § 2. Sectorale : V40, V71; § 3 Bijzondere: /'. Nu de algemene voorwaarden inzake geluidshinder en oppervlaktewateren en de sectorale voorwaarden inzake schouwspelzalen en inzake koelinrichtingen worden opgelegd, is er geen nood om nog extra voorwaarden op te leggen buiten de maatregelen die reeds zijn genomen om geluidshinder te voorkomen. Deze afweging is een opportuniteitsoverweging. In tegenstelling tot wat verzoekers beweren, handelen de voorzieningen in bijlage 3 niet enkel over de geluidsoverdracht van binnenuit het gebouw. Ook aan een aantal aspecten van mogelijke afgeleide hinder wordt aandacht besteed. - 'De parkeervoorzieningen komen zo ver mogelijk van de bestaande woningen'. Het geluid van dichtslaande deuren en draaiende motoren dat door verzoekers wordt opgeworpen, wordt hiermee ondervangen. Ook wordt daarmee aangegeven dat de verkeers- en parkeerdruk weggehaald wordt van verzoekers en andere omwonenden. - 'De inkom ligt beschut en is niet-gericht naar de woningen'. Deze voorziening is zowel tegen geluidsoverlast als om ervoor te zorgen dat jongeren die eventueel bij de uitgang zouden blijven hangen, dit doen aan de kant die weg is gericht van de bewoners. Hetzelfde geldt voor de voorziening van de laad- en losvoorzieningen : 'Ook de plaats voor laden en lossen ligt weg van de woningen en bewust in een insprong. Zij is bovendien overkraagd en er is langs de binnenzijde een afzonderlijk geluidssas'. De buurtbewoners zullen dan ook geen enkele last ondervinden van leveringen aan het JOC. VII-34.801-25/32 Ook de overweging dat 'De binnenafstand vanuit de zaal naar de uitgang is zo lang mogelijk, met twee knikken en akoestisch absorberend plafond, dit om zowel rechtstreeks geluid te dempen als het publiek de nodige chill-out-mogelijkheid te geven ('afkoelen' vooraleer op de openbare weg te komen)' is duidelijk zowel tegen geluidshinder als voor het tegengaan van hangende groepjes jongeren aan de uitgang. Waar verzoekers op pagina 18 van hun verzoekschrift stellen dat er met geen woord wordt gerept 'over de andere, nochtans vrij toegankelijk (open) terrein dat behoort tot het exploitatieterrein (...)' dient dit stellig te worden tegengesproken. Het omliggende terrein zal 's avonds immers worden afgesloten. Ook het openbaar karakter van de buurtweg wordt afgeschaft. De buurtweg zal bij avondactiviteiten met twee poorten worden afgesloten, één poort aan de tuinen van Kimpelberg nr. 22 en 24, en één poort aan de kant van de Brandstraat. (Zie inplantingsplan bij de vergunningsaanvraag, STUK 3). Op het speelterrein dat grenst aan enkele tuinen van de bewoners van de Kimpelberg zal dus geen overlast kunnen worden veroorzaakt. Ook is niet aannemelijk dat feestgangers helemaal om zullen lopen tot in de Kimpelberg om daar hinder te veroorzaken. Verzoekers baseren hun vordering op ongegronde en onaannemelijke vermoedens. Het vergunningverlenende bestuur daarentegen is verplicht om met de reële concrete gegevens rekening te houden bij het beoordelen van een vergunningsaanvraag. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt overduidelijk dat dit in casu is gebeurd. - De door verzoekers in hun beroepschrift voorgestelde beperking van de termijn van de milieuvergunning werd terecht afgewezen met verwijzing naar de aard en de omvang van het project. Het is immers voor geen enkele redelijke overheid aanvaardbaar dat een project van dergelijke omvang slechts voor beperkte tijd zou worden vergund. - De bestreden beslissing stelt terecht dat het 'gelet op de aard van de recreatieve activiteiten, het evenmin aangewezen voorkomt om een bijzondere voorwaarde op te leggen die het gebruik van buiten opgestelde muziekinstallaties volledig verbiedt; dat de exploitatie van de inrichting hoe dan ook ten allen tijde de geluidsnormen van titel II van het Vlarem moet respecteren'. Verzoekers roepen in dat deze motivering draagkracht mist om twee redenen, redenen dewelke echter zelf niet duidelijk noch gegrond zijn. Primo dient te worden geantwoord dat er in de vergunning reeds uitgebreid werd ingegaan op de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening van het geplande centrum. Er diende dan ook niet nogmaals een toetsing te gebeuren. Secundo stellen verzoekers dat niet kan worden nagegaan of de overheid rekening heeft gehouden met de uitzonderingsbepaling van artikel 4.5.6.1 Vlarem II op grond waarvan de vergunningverlenende overheid in of in de omgeving van stiltebehoevende zones strengere geluidsnormen kan opleggen. Hierop dient te worden opgemerkt dat de vergunningverlenende overheid niet verplicht is te verwijzen naar alle mogelijke uitzonderingsbepalingen waarvan ze de toepassing niet inroept. Het gaat om een mogelijkheid voor de overheid, niet om een verplichting. - In de bestreden beslissing wordt terecht gesteld dat de hinderaspecten van veiligheid, mobiliteit en dergelijke niet binnen het kader van de milieuvergunning passen. Het subjectieve onveiligheidsgevoel bv. waar verzoekers blijkbaar nu reeds op anticiperen, kan geen element zijn in het al dan niet toekennen van een milieuvergunning. Het is enkel de hinder 'die de inrichting veroorzaakt' die in aanmerking moet worden genomen. De Raad van State besliste reeds in haar arrest van 25 februari 1999 dat de hinder die niet door de inrichting zelf wordt voortgebracht maar door de bezoekers van de inrichting, niet moeten worden begrepen in de milieuvergunning. (R.v.St. Spielothek, nr. 78.960 van 25 februari 1999) VII-34.801-26/32 Het arrest stelt onder andere : 'Het gaat hierbij overigens niet om het lawaai van het lunapark op zichzelf maar de hinder die buiten het lunapark zal worden veroorzaakt door de bezoekers ervan'. Over de door de verzoekers opgeworpen hindervormen van vandalisme, lawaai, vervuiling, ... stelt de Raad : 'dat evenwel deze vormen van hinder voortspruitend uit onrechtmatige daad buiten het kader van de milieureglementering vallen'; Ook in casu roepen verzoekers vermeende hinder in die zou kunnen worden veroorzaakt door de bezoekers van het centrum. De hinder komt niet vanuit de inrichting zelf, en kan dan ook niet worden begrepen in de milieuvergunning. Voor het sanctioneren van eventueel ongewenst gedrag van bezoekers, gelden politiewetten over o.a. nachtlawaai of vandalisme. Tweede onderdeel Standpunt van verzoekers Verzoekers menen dat, gelet op de opgeworpen hinder, geen enkele in redelijkheid optredende overheid de bestreden beslissing zou hebben genomen. Weerlegging Eerst en vooral moet worden benadrukt dat het niet aan de Raad van State is om de beoordeling van de opportuniteit van een milieuvergunning nog eens over te doen. Enkel voert zij een marginale toetsing uit, waarbij wordt nagegaan of eventueel geen enkele redelijke overheid tot het bestreden besluit zou kunnen zijn gekomen. In casu is duidelijk dat de bestreden beslissing van de minister in alle redelijkheid en na afweging van alle argumenten voor en tegen, tot een goed gemotiveerd besluit is gekomen. Er dient te worden herhaald dat verzoekers enkel en alleen vanuit veronderstellingen en vermoedens argumenteren. Deze vermoedens worden niet aannemelijk gemaakt en zijn in een aantal gevallen ronduit in tegenspraak met de feiten. Verzoekers werpen op dat : • 'de infrastructuur van de inrichting, met een polyvalente zaal die 700 bezoekers tegelijk kan ontvangen, is voorzien en gericht op mega-activiteiten (fuiven, muziekoptredens), die ontegenzeggelijk een reëel gevaar op (afgeleide) geluidsoverlast- en verkeersproblemen impliceren'. Zoals supra reeds aangehaald, zijn de mega-activiteiten minder 'mega' dan verzoekers ze voorstellen. De aangehaalde 'reële gevaren op afgeleide geluidsoverlast en verkeersproblemen' worden niet aangetoond noch aannemelijk gemaakt. De vergunningverlenende overheid heeft alle mogelijke vormen van hinder onderzocht en heeft besloten 'dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt'. (STUK 1, p. 11) • 'niet kan worden ontkend noch in de bestreden beslissing wordt tegengesproken dat deze inrichtingen worden ondergebracht en geëxploiteerd in de onmiddellijke nabijheid van een woongebied, waarbij een aantal tuinen onmiddellijk palen aan het exploitatieterrein, die bijgevolg zullen worden blootgesteld aan allerlei hindervormen, inzonderheid geluidshinder en verkeershinder, die onlosmakelijk verbonden zijn met de exploitatie van een inrichting met dergelijke omvang en van die aard'. Weerom worden hindervormen opgeworpen die niet worden bewezen. Het feit dat de tuinen van enkele verzoekers aan de achterzijde van het betrokken perceel grenzen, zal geen hinder veroorzaken aangezien het terrein rond het JOC bij avondactiviteiten zal worden afgesloten. VII-34.801-27/32 De bezwaren vanwege verzoekers werden gemotiveerd weerlegd en werden niet gegrond bevonden door de Minister. Het gaat om een opportuniteitsoverweging. Zodoende is het niet aan de Raad om zich hierover uit te spreken. • 'Uit de bouwplannen duidelijk blijkt dat de inrichting slechts beschikt over een beperkt aantal parkeerplaatsen in verhouding tot de totale bezoekerscapaciteit, waardoor de aanpalende straten en bermen noodzakelijkerwijs als parkeergelegenheid zullen dienen wat uiteraard de kans op straatlawaai en verkeershinder alleen maar kan doen toenemen'. Verzoekers houden geen rekening met de maatregelen die zullen worden getroffen om mogelijke verkeershinder en de parkeerproblemen tegen te gaan. Weerom dient te worden herhaald dat verzoekers slechts middelen aanbrengen aangaande de opportuniteit van de bestreden beslissing in plaats van middelen aangaande de wettigheid ervan. De Raad van State houdt toezicht op de wettigheid van administratieve rechtshandelingen. Zij spreekt zich niet uit over de opportuniteit. Ten overvloede wordt nog ingegaan op de inhoudelijke toedracht van het opgeworpen onderdeel inzake verkeershinder. Aangaande verkeershinder zullen verzoekers weinig hinder ondervinden. Vertrekkende auto's worden omgeleid via de hoofdweg (Molenstraat en Hof ten Berglaan). De weg Brandstraat wordt eenzijdig afgesloten. De kant Overheide zal dus al zeker geen toegangsweg kunnen worden. De Kimpelberg zelf is een éénrichtingsstraatje waarin niet mag worden gereden in de richting naar de Molenstraat toe. Het zal derhalve niet als invalsweg worden gebruikt. Het verkeer zal logischerwijs via de Molenstraat, en via Hof Ten Berglaan en Liezele-Dorp gaan, en enkel fietsverkeer via een stukje van de Brandstraat, aan de kant van Hof Ten Berglaan. Dit versterkt enkel maar de positie van de Molenstraat als hoofdontsluitingsas voor het gebied. Uitgebreide parkingmogelijkheid (150 auto'
- s)wordt op korte termijn voorzien, tegelijkertijd met de herinrichting van de Molenstraat tegen eind 2006. Op middellange termijn zal een deel van de ruimte aan de andere zijde van het perceel ontwikkeld worden als recreatiegebied met extra parkeermogelijkheden. Er dient tevens rekening mee te worden gehouden dat ook kan worden verwacht dat de Puurse jongeren als doelpubliek van het jeugdontmoetingscentrum veelal met de fiets zullen komen naar het JOC. Een uitgebreide fietsenstalling is voorzien. Uit het stratenplan kan duidelijk worden afgeleid dat Overheide, waar eerste verzoeker woont, op zulke afstand van het geplande JOC is gelegen dat er geen enkel gevaar is dat er ginds zal worden geparkeerd. Er kan zonder gevaar of hinder langs de kant van de Brandstraat worden geparkeerd aan de overkant van de Molenstraat. Dit gebeurt nu reeds door de wandelaars en fietsers die vanuit het Fort van Liezele hun tocht beginnen. Er is alles aan gedaan wat preventief mogelijk is om te verzekeren dat de buurt geen overlast zal worden bezorgd door het Jeugdontmoetingscentrum. Mocht er toch nog hinder zijn, dan is dit een taak voor de gemeentelijke politie"; 3.2.4.1. Overwegende dat, voor wat betreft de beoordeling van de verenigbaarheid van een inrichting met de goede plaatselijke ordening, de Raad van State zich niet in de plaats kan stellen van de terzake bevoegde overheid; dat hij enkel vermag na te gaan of de beoordeling waartoe deze laatste is gekomen, uitgaat van correcte feitelijke en in rechte aanvaardbare gegevens en of haar appreciatie niet kennelijk onredelijk is; dat uit volgende overwegingen uit het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting VII-34.801-28/32 met de goede plaatselijke ordening prima facie in concreto rekening heeft gehouden met de woningen gelegen in de onmiddellijke omgeving van de inrichting : "Overwegende dat de grote polyvalente zaal en de woningen langs de Kimpelberg van elkaar gescheiden zijn door een bestaand speelterrein en een ravotweide; dat het speelterrein gelegen is op het perceel met kadastergegevens, afdeling 1, sectie B, perceelnummer 616/e; dat dit perceel geen onderdeel uitmaakt van onderhavige aanvraag, maar wel een zelfde kadastrale werkzone vormt samen met het perceel met kadastergegevens afdeling 4, sectie A, perceelnummer 1/r, dat het voorwerp uitmaakt van onderhavige aanvraag; dat het inplantingsplan (bijlage 5 van de aanvraag) aangeeft dat de achtertuinen van de woningen langs de Kimpelberg op een gemiddelde afstand van ongeveer 80 meter van de grote zaal van de inrichting liggen; dat deze woningen afgeschermd zullen worden van de inrichting door middel van een nieuw aan te leggen talud van maximum 1,50 meter hoog, volgens een uitvoeringsplan van de gemeentelijke groendienst; dat de dichtstbijzijnde woning tot de zaal deze is van de heer Van Camp, Kimpelberg 22; dat de afstand van de achtertuin van deze woning tot de zaal ongeveer 50 meter bedraagt; dat deze woning zal worden afgeschermd van de inrichting door nieuw aan te planten bomen rondom het gebouw en een nieuwe talud rondom de bergingen van het gebouw; dat de inrichting hierdoor voor een deel onder de grond zit; dat mede door deze aarden overdekking van een groot deel van het gebouw, de geplande taluds en het geplande groenscherm de visuele hinder minimaal zal zijn; dat de bergingen achteraan het gebouw gelegen zijn (langs de kant van de dichtstbijzijnde woning); dat de zaal vooraan het gebouw gelegen is (langs de kant van de Brandstraat); Overwegende dat uit voormelde gegevens en het bijgevoegde situeringsplan bij de aanvraag kan gesteld worden dat de oriëntering en de infrastructuur van de inrichting zo maximaal mogelijk rekening houdt met de dichtstbijzijnde woningen; Overwegende dat het gebouw twee nooduitgangen zal hebben; dat de toegang tot het gebouw zal geschieden via de Brandstraat; dat het gebouw langs de zijde van de Molenstraat zal worden afgeschermd door een groenscherm (nieuw te plaatsen bomen); Overwegende dat de parkeerplaatsen ook zullen worden voorzien aan de kant van het gebouw die weg is gericht van de woningen"; dat op het eerste gezicht de verzoekende partijen niet aantonen dat werd uitgegaan van onjuiste feitelijke of in rechte onaanvaardbare gegevens, noch dat deze appreciatie kennelijk onredelijk zou zijn; 3.2.4.2. Overwegende, wat de door de verzoekende partijen geuite kritiek op de milieuhygiënische beoordeling van de inrichting betreft, dat de verzoekende partijen in hun betoog eraan voorbij lijken te gaan dat de exploitant verplicht is de preventieve voorzieningen ter beperking van de hinder die hij in zijn milieuvergunningsaanvraag vooropstelt, na te leven; dat het in casu gaat om volgende maatregelen : "- de zaal zal gelegen zijn aan de oostzijde, waar geen bewoning is; langsheen de Hof ten Berglaan zal de zaal gebufferd worden door het overige gedeelte VII-34.801-29/32 van het gebouw; langsheen de zijde van de dichtstbijzijnde woningen zal de zaal worden bedekt met een aarden talud; - de parkeervoorzieningen komen zo ver mogelijk van de bestaande woningen; - de inkom zal beschut liggen en niet gericht zijn naar de woningen; - de plaats voor het lossen en laden zal verwijderd liggen van de woningen en is bewust in een insprong gelegen; deze plaats zal bovendien overkraagd zijn; er is een afzonderlijke geluidssas langs de binnenzijde voorzien; - slechts één nooduitgang zal gericht zijn naar het centrum en deze heeft een volledig akoestische sas; - alle wanden zullen uit een zware en ontdubbelde constructie bestaan : betonmetselwerk/isolatie/beton; het dak van de zaal zal bestaan uit beton met een zwaar groendak; - er zal geen rechtstreekse deur of raam zijn in het repetitielokaal, wel een aparte sas en een aparte verwarming en verluchting; er wordt een ontdubbelde binnenwand voorzien tussen het repetitielokaal en het kleuterlokaal; - de weinige ramen vanuit de zaal zullen enkel naar de open ruimte gericht zijn en zullen bovendien beschikken over zware akoestische beglazing en speciale akoestische binnenluiken; de nooddeur aan de Molenstraat zal speciale akoestische buitenluiken bezitten, die toch noodevacuatie mogelijk laten; - de binnenafstand vanuit de zaal naar de uitgang is zo lang mogelijk voorzien, met twee knikken en een akoestisch absorberend plafond, dit om zowel rechtstreeks geluid te dempen, als het publiek de nodige chill-out- mogelijkheid te geven ('afkoelen' vooraleer op de openbare weg te komen); - in overleg met het studiebureau Technieken werd een luchtverversingssysteem voorzien, dat rechtstreeks contact met de buitenomgeving vermijdt"; dat prima facie, rekening houdend met die maatregelen, het oordeel van de verwerende partij dat de hinder tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt niet als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt; dat daaraan geen afbreuk lijkt te doen het gegeven dat het gaat om hinderbeperkende maatregelen die betrekking hebben op de zaal zelf en niet buiten de zaal; dat wat de door de verzoekende partijen aangevoerde aspecten inzake vandalisme, wildplassen en dergelijke meer betreft, de verwerende partij in het bestreden besluit prima facie terecht overweegt dat dit "zaken zijn die niet in een milieuvergunning moeten worden geregeld, maar die kunnen geregeld worden door de lokale politie en/of het gemeentebestuur"; 3.2.4.3. Overwegende dat voor het overige de tussenkomende partij prima facie kan worden gevolgd in haar betoog dat de overige kritiek van de verzoekende partijen louter opportuniteitskritiek betreft waarover de Raad van State geen beoordelingsbevoegdheid heeft; 3.2.5. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat het tweede middel niet ernstig is; VII-34.801-30/32 3.3. Overwegende dat derhalve aan de eerste voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de gemeente Puurs in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-34.801-31/32 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig maart tweeduizend en zes, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-34.801-32/32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.792 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.338 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div