id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.871 Rolnummer: A. 131019/XIV-13181 Zaak: Arrest 156871 - - 24/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-04 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 15:09 Fiche Arrest nr 156.871 van 24 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.871 van 24 maart 2006 in de zaak A. 131.019/XIV-13.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. DELFORGE, kantoor houdende te 5000 NAMEN, Rue de Tanneries 13b tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 6 oktober 1965, en XXX, geboren op 8 oktober 1974, beiden van Servische nationaliteit, op 20 december 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 november 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 9 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 2 juni 2004, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 7 juni 2004; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-13.181-1/7 Gelet op de beschikking van 19 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 8 februari 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HEYNDRICKX die, loco Advocaat M. DELFORGE, verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen komen België binnen op 17 november 2000 en verklaren zich vluchteling op 23 november
- 1.
- Op 6 februari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 22 november 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. Dit zijn de bestreden beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten opzichte van XXX, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u een etnische Albanees afkomstig uit Zuid-Servië, meerbepaald uit Samolic (gemeente Bujanovac). U bent gehuwd met XXX en hebt samen twee minderjarige kinderen. U zou sedert 1996 een gewoon lid geweest zijn van de “Partij voor Democratische Actie” (P.V.D.) en in het bezit geweest zijn van een lidkaart. Uw politieke activiteiten zouden bestaan hebben uit het helpen van kinderen en bejaarden. U zou ook verschillende sportactiviteiten in uw dorp georganiseerd hebben en een fitnessgroep geleid hebben. Omwille van deze activiteiten zou u door de politie in de gaten gehouden en XIV-13.181-2/7 ondervraagd zijn. Volgens u dacht de politie dat de mensen in de fitnessgroep opgeleid werden voor het Albanees bevrijdingsleger. Na het vertrek van uw broer in januari 1999, omwille van problemen die hij zou gekend hebben met de politie omdat hij zich zou ingezet hebben voor de Albanezen, zou de Servische politie bij u thuis langsgekomen zijn voor een wapencontrole. Na afloop zou u meegenomen zijn voor ondervraging. De politie zou gevraagd hebben naar wapens omdat ze dacht dat u iets te maken had met het “Kosovaars Bevrijdingsleger” (UCK). Dit zouden echter valse beschuldigingen geweest zijn. In de periode van de Navo-bombardementen zou u schriftelijk(e) geconvoceerd zijn door het Joegoslavische leger om Servië te verdedigen tegen de Navo. U zou geweigerd hebben hierop in te gaan omdat alle Albanezen dit weigerden en u niet wou vechten tegen de Albanezen. Van maart tot juni 1999 zou u omwille van de oorlog in Kosovo bij een tante in Kumanovo (Macedonië) verbleven hebben. Nadien zou u naar Samolic zijn teruggekeerd. Op 20 september 1999 zou de Servische politie bij u thuis langsgekomen zijn en aan uw vrouw gezegd hebben dat u zich de volgende dag op het politiebureau in Bujanovac moest aanmelden. U zou zich gaan aanmelden zijn, maar omdat de inspecteur er niet was, zou u een week later moeten terugkomen zijn. Toen u zich een week later ging aanmelden, zou u gedurende een uur ondervraagd zijn over waar u was tijdens de Navo- bombardementen en uw activiteiten tijdens de Kosovo-oorlog. De politie zou gedacht hebben dat u tijdens de Kosovo-oorlog bezig was geweest met voorbereidingen voor het “Bevrijdings- leger van Preshevë, Medvegjë en Bujanovc” (UCPMB). Dit zouden echter valse beschuldiging- en geweest zijn. Op 13 juni 2000 zou u ’s avonds door de politie meegenomen zijn en gedurende een week in een kelder in het politiebureau van Bujanovac opgesloten zijn. U zou mishandeld en ondervraagd zijn over uw verblijfplaats tijdens de Navo-bombardementen en over uw (vermeende) banden met het UCPMB. Daarna zou u vrijgelaten zijn. Op 1 september 2000 zou u een convocatie ontvangen hebben om op 29 september 2000 te verschijnen voor de rechtbank van Vranje. Volgens u zou u gedagvaard zijn omdat u ervan verdacht werd een terrorist te zijn en banden te hebben met het UCPMB. Uit schrik zou u zich niet gaan aanmelden zijn. Tot 13 november 2000 zou u bij een neef in Zhurmice (Preshevë) verbleven hebben en van daaruit zou u samen met uw vrouw en uw twee minderjarige kinderen uw land van herkomst verlaten hebben. Toen u bij uw neef verbleef, zou de politie verschillende keren langsgekomen zijn om u te zoeken en zou uw vrouw fysiek mishandeld zijn. Op 23 november 2000 diende u in België een asielaanvraag in. U bent in het bezit van volgende documenten: een Joegoslavische identiteitskaart, uitgereikt op 30 juni 2000 in Bujanovac, een Joegoslavische identiteitskaart van uw vrouw, uitgereikt op 1 september 1998 in Bujanovac, een Joegoslavische nationaliteitsverklaring van uw oudste zoon, uitgereikt op 16 oktober 2000 in Preshevë, een Joegoslavische huwelijksakte, uitgereikt op 4 november 1996 in Preshevë, een Macedonische geboorteakte van uw vrouw, uitgereikt op 8 augustus 1996 in Skopje, een attest van de gemeente Preshevë, uitgereikt op 7 december 1992, waarin vermeld wordt dat uw vrouw de Joegoslavische nationaliteit heeft, een Joegoslavische geboorteakte van uw jongste zoon Dritil, uitgereikt op 13 januari 2000 in Biljaci en een lidkaart van de “Partij voor Democratische Actie” (P.V.D.), uitgereikt op 20 maart 1996 in Bujanovac. Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende concrete feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat u op dit moment omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie niet zou kunnen terugkeren naar uw land van herkomst. Wat betreft de door u aangehaalde problemen die u zou gekend hebben met de politie omdat u er (ten onrechte) van verdacht werd banden te hebben met het UCPMB - meerbepaald uw ondervragingen, de beschuldigingen dat u tijdens de Kosovo-oorlog bezig was geweest met voorbereidingen voor het UCPMB, het feit dat u in juni 2000 één week bent vastgehouden door de politie en de convocatie van de rechtbank van Vranje om u aan te melden op 29 september 2000 - dient te worden vastgesteld dat deze problemen anno 2002 niet meer beantwoorden aan een objectief, juridisch gegeven. Sedert 3 juli 2002 is er in de Federale Republiek Joegoslavië immers een wet van kracht die amnestie verleent aan personen die ervan verdacht worden tussen 1 januari 1999 en 31 mei 2001 bepaalde criminele activiteiten te hebben gepleegd op het grondgebied van de gemeenten Preshevë, Medvegjë en Bujanovac. In dit verband heeft u niet aannemelijk gemaakt dat deze amnestiewet om één van de redenen voorzien in voornoemde Conventie niet van toepassing zou zijn op u en dat een eventuele gerechtelijke procedure tegen u omwille van voornoemde feiten op dit moment nog opgestart of niet onmiddellijk stopgezet zou worden. Wat uw weigering betreft om in de periode van de Navo-bombardementen in te gaan op een convocatie van het Joegoslavische leger om Servië te verdedigen tegen de Navo, dient te worden vastgesteld dat uw vrees voor eventuele moeilijkheden hierdoor anno 2002 eveneens niet meer beantwoordt aan een objectief, juridisch gegeven. Sedert 3 maart 2001 is in de Federale Republiek Joegoslavië immers een wet van kracht die onder meer amnestie voorziet voor personen die - zoals u - vóór 7 oktober 2000 niet zijn ingegaan op een militair oproepings- bevel. U heeft in dit verband ook niet aannemelijk gemaakt dat deze wet om één van de redenen voorzien in voornoemde Conventie van Genève niet van toepassing zou zijn op u. Hierbij aansluitend dient eveneens te worden vastgesteld dat de objectieve situatie in Zuid- Servië sedert uw vertrek in november 2000 aanzienlijk verbeterd is. Zo werd in samenwerking met de OVSE (Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa) in de regio een multi- XIV-13.181-3/7 etnische politiemacht opgericht met daarin een duidelijke vertegenwoordiging van etnische Albanezen in die Servische gebieden -zoals Preshevë- waar een groot aantal etnische Albanezen woont. In de week van 19 oktober 2001 is de eerste multi-etnische groep politie-officieren, opgeleid door de OVSE, afgestudeerd in Mitrovo Polje. Deze politie-officieren, waaronder enkele tientallen etnische Albanezen, doen sedert 24 oktober 2001 effectief samen dienst in Preshevë en elders in Zuid-Servië, waar zij een belangrijke rol spelen in het herstel van het vertrouwen tussen de verschillende etnische groepen. In geval van moeilijkheden bij een eventuele terugkeer naar uw land van herkomst kunt u zich dan ook steeds wenden tot deze (nieuwe) multi-etnische politiemacht, waarvan een substantieel aantal agenten etnische Albanezen zijn. Hier kan nog aan toegevoegd worden dat bij de laatste gemeenteraads- verkiezingen (28 juli 2002) in Bujanovac voor de eerste keer een etnisch Albanese burgemeester verkozen werd. Daarenboven kan nog vermeld worden dat de veiligheidssituatie in heel Joegoslavië momenteel gestabiliseerd is en dat de politieke verhoudingen er ook fundamenteel gewijzigd zijn. Zo is het voormalige (autoritaire) regime van S. Milosevic sinds eind 2000 vervangen door een democratisch verkozen regering geleid door president V. Kostunica. Ten slotte kan nog vermeld worden dat ik ook ten aanzien van uw vrouw, XXX, een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen heb. (...).”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten opzichte van XXX, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Er dient te worden opgemerkt dat u uw asielaanvraag volledig steunt op de door uw echtgenoot, XXX, aangehaalde motieven. Aangezien ik in hoofde van deze laatste een bevestigende beslissing van weigering van verblijf heb genomen, kan ten aanzien van u evenmin besloten worden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. (...).”.
- Overwegende dat in de verzoekschriften enkel middelen worden aangevoerd tegen de tweede bestreden beslissing; dat tegen de eerste bestreden beslissing, genomen ten opzichte van XXX, geen middelen worden aangevoerd; dat luidens artikel 3, 4/ en artikel 20, tweede lid, 2/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de verzoekschriften een uiteenzetting van feiten en middelen dienen te bevatten die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen rechtvaardigen; dat zulke uiteenzetting ontbreekt wat betreft de eerste bestreden beslissing, zodat de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring gericht tegen deze beslissing, onontvankelijk zijn; 3.
- Overwegende dat verzoekers in een enig middel de schending aanvoeren van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet); van de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de XIV-13.181-4/7 uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat bepaalt dat rekening moet worden gehouden met alle relevante elementen van de zaak; dat verzoekers hieraan toevoegen dat er sprake is van machtsover- schrijding, onvoldoende motivering en een manifeste appreciatiefout; Overwegende dat verzoekers in een eerste onderdeel aanvoeren dat de Commissaris-generaal geen rekening heeft gehouden met de verklaringen die verzoekster heeft afgelegd over haar persoonlijke vervolging en die verschilt van die ondergaan door haar echtgenoot; dat verzoekster tijdens het interview op het Commissariaat-generaal melding heeft gemaakt van de medische en psychologische problemen die zij heeft opgelopen tengevolge van mishandeling en verkrachting door Servische politieagenten, en enkele dagen na het interview documenten heeft ingediend die haar medische toestand staven; dat deze medische toestand, die gepaard gaat met mentale problemen, en haar schaamte over de zaak, volgens verzoekers verklaart waarom verzoekster bij de Dienst Vreemdelingenzaken nog geen melding had gemaakt van dit feit; dat verzoekers in een tweede onderdeel aanvoeren dat de manifeste appreciatiefout erin bestaat dat de feiten die verzoekster heeft aangevoerd, niet in overweging werden genomen; dat verzoekster behoort tot een bepaalde sociale groep die het slachtoffer is van vervolging in de zin van de Conventie van Genève, met name Albanese vrouwen uit Servië die tijdens de oorlog werden vervolgd door de Servische politie; 3.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekers de motieven van de tweede bestreden beslissing kennen, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat verzoekers bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken XIV-13.181-5/7 te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen omdat verzoekster haar asielaanvraag volledig steunt op de motieven die haar echtgenoot, XXX, heeft aangehaald, en dat in zijn hoofde een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, zodat ten aanzien van verzoekster evenmin kon worden besloten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconven- tie; Overwegende dat verzoekster aanvoert dat zij eigen gronden van vervolging heeft aangevoerd en dat hiermee geen rekening werd gehouden; Overwegende dat uit de verklaringen van verzoekster zoals neergeschre- ven in het verhoorverslag, blijkt dat zij deze feiten plaatst in het kader van de zoektocht van de Servische politie naar haar echtgenoot, die verdacht werd van hulp aan het volk; dat de Commissaris-generaal in de eerste bestreden beslissing, waartegen geen middelen worden aangevoerd, heeft vastgesteld dat verzoeker onder de toepassing valt van een amnestie-wet die sinds 3 maart 2001 van kracht is en dat de objectieve situatie in Zuid-Servië sedert verzoekers vertrek in november 2000 aanzienlijk verbeterd is; dat de Commissaris-generaal op goede gronden de feiten die verzoekster heeft aangehaald, heeft beschouwd als steunend op het asielrelaas van haar echtgenoot; dat er geen appreciatiefout werd begaan; Overwegende dat het enig middel, in al zijn onderdelen, ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-13.181-6/7 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring gericht tegen de eerste bestreden beslissing worden onontvankelijk verklaard, de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring gericht tegen de tweede bestreden beslissing worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig maart tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-13.181-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.871 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.