← België

Arrest 156919 - - 27/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.919 Rolnummer: A. 63186/IX-1098 Zaak: Arrest 156919 - - 27/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-06-29 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 15:23 Fiche Arrest nr 156.919 van 27 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.919 van 27 maart 2006 in de zaak A. 63.186/IX-

  1. In zake : Danny NOLF, wonende te GULLEGEM, Laagweide 35 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Danny NOLF op 8 april 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 4 januari 1995 waarbij zijn aanvraag om een bijkomende bezigheid te mogen uitoefenen geweigerd wordt; Gelet op het arrest nr. 54.193 van 3 juli 1995 waarbij de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit en tot het bevelen van voorlopige maatregelen worden verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikking van 29 april 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 21 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 januari 2006; IX-1098-1/13 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, die persoonlijk verschijnt, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het behalve wat de kosten betreft eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  3. Verzoeker neemt op 27 september 1982 dienst in de rijkswacht. Sedert 4 september 1989 is hij als opperwachtmeester tewerkgesteld in de functie van gerechtelijk codeur op de sectie staf van het rijkswachtdistrict Gent. 1.
  4. Op 21 juni 1994 dient verzoeker, via een model B, een “aanvraag tot cumulatie van een bijkomende betrekking met het beroep van Rijkswachter” in. Zijn “uiteenzetting” luidt als volgt : “Ondergetekende vraagt hierbij de toestemming om praktische rijles te mogen geven in een erkende autorijschool. Ik ben geslaagd in het examen voor het bekomen van het brevet van beroepsbekwaamheid II uitgeschreven door het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur. In de schoot van het district Gent bekleed ik een administratieve funktie en werk alle dagen van 08.00 uur tot 17.00 uur. Zodanig is er geen onverenigbaar- heid tussen mijn actuele taak als chef Codeur van het district en het lesgeven in een autorijschool. De rijschool waar ik mijn stage kan doorlopen ligt in het district Kortrijk. Het beroep van rijschoollesgever is zodanig opgevat en gereglementeerd door het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur dat ik door de kennis van de wegcode alleen de goeie naam van de Rijkswacht eer kan aandoen.” 1.
  5. Op 27 juni 1994 geeft de commandant van het district Gent het volgende “gunstig” advies : IX-1098-2/13 “Er is geen onverenigbaarheid tussen de huidige administratieve funktie van betrokkene en de gevraagde bijkomende betrekking. Bij wijziging van zijn funktie als gevolg van mutatie kan de intrekking van de machtiging steeds overwogen worden.” 1.
  6. Op 8 augustus 1994 geeft de commandant van de rijkswacht het volgende “ongunstig” advies : “Gelet op de bepalingen van het Art 24/12 van de wet van 27 Dec 73 betreffende het statuut van het personeel van het actief kader van het operatio- neel korps van de rijkswacht, kan die bezigheid, in het bijzonder het geven van praktische rijlessen, in bepaalde omstandigheden, van aard zijn om tot interferen- ties met zijn professionele activiteiten te leiden, waardoor het algemeen belang van de dienst in de rijkswacht kan worden geschaad.” Verzoeker dient een omstandig gemotiveerd verweerschrift in. Daarin wijst hij erop dat de verwijzing naar interferenties met de professionele activiteiten een stereotiepe motivering is, dat in zijn geval deze interferentie minimaal en zelfs onbestaande is, dat er binnen het rijkswachtkorps zelf rijles wordt gegeven door instructeurs, dat een rijkswachter ook aan zijn kinderen praktische rijles kan geven, dat het geven van praktische rijlessen het rijkswachtkorps dichter bij de burger brengt en dat, wat de gemeentelijke politiekorpsen betreft er, volgens de onderrich- tingen van het ministerie van Verkeer, geen onverenigbaarheid meer bestaat. De commandant van de rijkswacht reageert daarop als volgt : “Ik heb kennis genomen van het verweerschrift dat OWM NOLF naar aanleiding van mijn ongunstig advies heeft opgesteld. De door OWM NOLF aangevoerde argumenten zijn niet van aard om mijn advies te herzien om volgende redenen: a. bij het geven van praktische lessen op de openbare weg bestaat de mogelijkheid dat de bestuurder van het scholingsvoertuig een strafbaar feit begaat of een verkeersongeval veroorzaakt. Aangezien een rijks- wachter te allen tijde precies als taak heeft dergelijke feiten te voorkomen of vast te stellen, zou de begeleider dus terzelfdertijd als monitor en als rijkswachter moeten optreden, waardoor hij in een onhoudbare toestand terecht zou komen; b. de autoscholing binnen de rijkswacht door haar strengere begeleiding minder aanleiding kan geven tot conflictsituaties; c. de ouder-kindscholing geen systematisch regelmatig patroon vertoont en door de ouder-rijkswachter kan worden gestuurd afhankelijk van de kennis van het kind; d. de toelating tot cumulatie aan leden van de gemeentelijke politie onder- worpen is aan andere bepalingen (o.a. inzake de beschikbaarheid) die bovendien door een andere overheid worden beoordeeld, waardoor een vergelijking niet opgaat.” IX-1098-3/13 Na een nieuw verweerschrift van verzoeker vervolledigt de commandant van de rijkswacht zijn advies als volgt :
  7. Het laatste verweerschrift van OWM NOLF brengt geen enkel nieuw element naar voor. Hij verwijst naar welbepaalde reglementaire bepaling- en betreffende de uitvoering van gerechtelijke opdrachten en het opstellen van processen-verbaal. Hierbij houdt hij er echter geen rekening mede dat een cliënt van een autorijschool bezwaarlijk als een verwante kan worden beschouwd. Hij geeft ook geen uitsluitsel over wat hij tijdens de uitoefening van zijn bijkomende bezigheid en in zijn hoedanigheid van rijkswachter dient te doen met strafbare feiten die worden begaan door een cliënt-leerling.
  8. De aangevoerde argumenten zijn geenszins van aard mijn op 27 Okt 94 ingenomen standpunten te wijzigen zodat ik mijn ONGUNSTIG advies handhaaf.” 1.
  9. Met een nota van 4 januari 1995 zendt de minister van Binnenlandse Zaken de volgende beslissing aan de commandant van de rijkswacht : “ONDERWERP : Aanvraag om een toelating te bekomen voor uitoefening van een bijkomende bezigheid Betreft : Opperwachtmeester NOLF, Danny (...) Referte : Model B Commandant District GENT (...) van 23 juni 1994
  10. Wettelijke bepalingen Artikel 24/12 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het actief kader van het operationeel korps van de rijkswacht.
  11. Uiteenzetting a. Bij het in referte vermelde model B vraagt Opperwachtmeester NOLF de toelating te bekomen een bijkomende bezigheid uit te oefenen, namelijk tegen bezoldiging praktische rijles te mogen geven in een erkende autorijschool. b. Op 8 augustus 1994 bracht de Commandant van de rijkswacht een ongunstig advies uit aangezien bedoelde bezigheid in bepaalde omstandig- heden van aard kan zijn om tot interferenties te leiden met zijn professio- nele activiteiten, waardoor het algemeen belang van de dienst in de rijkswacht in opspraak kan worden gebracht. c. In zijn eerste verweerschrift stelt Opperwachtmeester NOLF dat de uitoefening van voornoemde bijkomende bezigheid om verschillende redenen niet tot interferenties kan leiden met zijn professionele activiteiten. d. Aansluitend op de door belanghebbende in zijn verweerschrift aange- voerde argumenten handhaafde de Commandant van de rijkswacht op 27 oktober 1994 zijn advies omdat :

(1)bij het geven van praktische autorijlessen op de openbare weg steeds de mogelijkheid bestaat dat de bestuurder van het scholingsvoertuig een strafbaar feit begaat of een verkeersongeval veroorzaakt. Aangezien een rijkswachter te allen tijde precies als taak heeft dergelijke feiten te voorkomen of vast te stellen, zou de begeleider dus terzelfdertijd als monitor en als rijkswachter moeten optreden, waardoor hij in een onhoudbare toestand terecht zou komen;
(2)de autoscholing binnen de rijkswacht door haar strengere begeleiding minder aanleiding kan geven tot conflictsituaties; IX-1098-4/13
(3)de ouder-kindscholing geen systematisch regelmatig patroon vertoont en door de ouder-rijkswachter kan worden gestuurd afhankelijk van de kennis van het kind;
(4)de toelating tot cumulatie aan leden van de gemeentelijke politie onderworpen is aan andere bepalingen (o.a. inzake de beschikbaar- heid) die bovendien door een andere overheid worden beoordeeld, waardoor een vergelijking niet opgaat. e. In zijn daaropvolgende verweerschrift verwijst Opperwachtmeester NOLF naar reglementaire bepalingen betreffende de uitvoering van gerechtelijke opdrachten en het opstellen van processen-verbaal. f. De Commandant van de rijkswacht meent dat belanghebbende geenszins zijn op 27 oktober 1994 ingenomen standpunten weerlegt zodat hij zijn ONGUNSTIG advies handhaaft.
  1. Beslissing Ik sluit mij aan bij de door de Commandant van de rijkswacht uitgebrachte adviezen. Bijgevolg en met toepassing van de supra,
  2. vermelde wettelijke bepalingen wordt de aanvraag van Opperwachtmeester NOLF om een bijkomende bezigheid als monitor voor praktisch onderricht in een erkende autorijschool uit te oefenen, NIET ingewilligd.” Dit is de bestreden beslissing. Op 8 februari 1995 ondertekent verzoeker de nota voor kennis- neming; 2.
  3. Overwegende dat de verwerende partij ter terechtzitting betoogt dat verzoeker het rechtens vereiste actueel belang ontbeert, aangezien hij op een vraag dienaangaande geantwoord heeft dat de verwerende partij met het bestreden besluit zijn grondrechten geschonden heeft en dat een vernietiging zal aantonen dat zelfs een grote organisatie als de toenmalige rijkswacht de fundamentele grond- rechten ten overstaan van zijn personeel moet eerbiedigen; 2.
  4. Overwegende dat verzoeker positief geantwoord heeft op de hem gestelde vraag naar de volgehouden belangstelling voor de gewone afhandeling van het geschil; dat hij ook ter terechtzitting verschenen is en daar zijn belangstelling nogmaals onderstreept heeft; dat de verwerende partij niet aantoont dat de omstandigheden waarin verzoeker thans tewerkgesteld is zodanig gewijzigd zijn dat, in geval het bestreden besluit vernietigd zou worden, hij onmogelijk nog een gunstig antwoord op zijn aanvraag kan verkrijgen; dat er geen reden is om het beroep bij gebrek aan actueel belang onontvankelijk te verklaren; 3.
  5. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van enerzijds artikel 24/12 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het IX-1098-5/13 personeel van het operationeel korps van de rijkswacht en van de motiveringsplicht (eerste onderdeel) en anderzijds van het gelijkheidsbeginsel (tweede onderdeel); Overwegende dat verzoeker het eerste onderdeel van het middel als volgt toelicht: het bestreden besluit steunt op artikel 24/12, § 2, 3/, van de wet van 27 december 1973; de in die bepaling gehanteerde begrippen, waaronder het ‘belang van de dienst’, moeten restrictief uitgelegd worden in het licht van artikel 23 van de Grondwet -de vrije keuze van arbeid-; uit het advies van zijn korpscomman- dant blijkt dat de uitoefening van zijn functie, in concreto, geen enkel beletsel vormt voor een toelating en de vier motieven die in het bestreden besluit vermeld zijn, zijn “stereotiep” en “niet consistent, onwettig en volkomen onredelijk”; dat hij dan de motieven van het bestreden besluit als volgt bekritiseert: tegen het eerste motief kan ingebracht worden dat de monitor die rijlessen geeft in het kader van de scholing bij de rijkswacht of binnen de ouder-kindrelatie in dezelfde conflictsituatie kan komen en dus kan dat motief niet geldig worden ingeroepen; bovendien leidt de stelling van de verwerende partij er zelfs toe dat een rijkswachter nooit als passagier in een wagen plaats zou mogen nemen; het tweede motief is onduidelijk gesteld en waar verwezen wordt naar een “begeleiding” verliest de minister “een alom gekend gegeven uit het zicht, nl. de dubbele besturing voor voertuigen van de rijschool”; de in het derde motief vermelde “impliciete bewering” dat verzoeker de scholing “niet zou kunnen sturen in functie van de kennis van zijn leerlingen”, is een blote en kwetsende bewering en elk redelijk denkend mens zal aanvaarden dat een monitor die over een voertuig met dubbele besturing beschikt zich kan aanpassen aan de “kennis” van zijn leerlingen, het weze kinderen of volwassenen; het vierde motief faalt omdat de korpsen van de gemeentepolitie en de rijkswacht dezelfde beschikbaarheid vereisen, omdat niet blijkt dat hij niet beschikbaar zou zijn en omdat het niet opgaat te stellen dat de beslissing van andere overheden uitgaat, aangezien de circulaire waarbij de cumulatie voor autorijscholen wordt toegelaten ook door de minister van Binnen- landse Zaken uitgevaardigd is; volledigheidshalve kan ten aanzien van de bemerking van de commandant van de rijkswacht dat hij geen uitsluitsel geeft over wat er te doen valt wanneer zijn cliënt-leerling strafbare feiten pleegt, opgemerkt worden dat een aantal wettelijke bepalingen aan ambtenaren een aangifte- en vaststellingsplicht opleggen en dat hij nooit gesteld heeft dat hij zich, als monitor, aan die verplichtingen zou onttrekken; Overwegende dat verzoeker de schending van het gelijkheids- beginsel als volgt adstrueert: de minister brengt geen terzake dienende criteria aan die een verschillende behandeling van de leden van de rijkswacht en de andere IX-1098-6/13 politiekorpsen kunnen verantwoorden; zij hebben dezelfde aangifte- en vaststellings- plicht en moeten op dezelfde wijze beschikbaar zijn; dat de beslissing over de cumulaanvraag door een andere overheid genomen dient te worden, gaat niet op aangezien de circulaire waarnaar verwezen wordt -de “omzendbrief rijscholen”- uitgaat van de minister van Binnenlandse Zaken, die aldus bevoegd is om de naleving van deze richtlijnen te waarborgen, “zowel bij de politiekorpsen als in de rijkswacht”; 3.
  6. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord tegen het eerste onderdeel van het middel wezenlijk het volgende inbrengt: - de ouder-kindrelatie bij geven van rijlessen verschilt van de professionele scholing door het occasioneel karakter ervan en doordat de ouder de scholing naar gelang de kennis van het kind-leerling kan uitstellen of de begeleiding zelfs volledig uit handen kan geven; een instructeur in een rijschool moet daarentegen de bevelen van zijn directeur opvolgen en de dubbele besturing belet niet dat de instructeur geen keuzevrijheid heeft; bovendien gaat het argument geput uit de verwijzing naar de onmogelijkheid om zich als passagier in het verkeer te begeven niet op, aangezien het bezit van het rijbewijs een vermoeden van bekwaamheid inhoudt; - ook bij de scholing van leerlingen in de rijkswachtschool kan geoordeeld worden over de opportuniteit om het onderricht op de openbare weg voort te zetten; het behalen van een rijbewijs maakt daar overigens deel uit van de opleiding en is een voorwaarde om aan de noodwendigheden van de dienst te kunnen voldoen; conflictsituaties zullen daar de uitzondering zijn en dat is niet zo voor instructeurs die zich vrijwillig aan dergelijke conflictsituaties blootstellen; - waar verzoeker verwijst naar de wettelijke bepalingen inzake de verplichting om misdrijven aan te geven bewijst hij niet dat er geen interferenties met de ambts- opdrachten kunnen ontstaan, maar toont hij integendeel aan dat het conflict tussen de bijkomende bezigheid en de verplichtingen die het Wetboek van strafvordering hem kan opleggen slechts door tussenkomst van een buitenstaander opgelost zal kunnen worden; Overwegende dat de verwerende partij het tweede onderdeel van het middel als volgt beantwoordt: verzoeker verwijst naar een circulaire die aan de gemeentebesturen gericht is en de instructies -die overigens slechts interpretatieve waarde hebben- zijn dan ook slechts binnen die besturen afdwingbaar; artikel 216 van de Nieuwe Gemeentewet verbiedt de leden van de gemeentepolitie een onverenigbare betrekking uit te oefenen, de leden van de gemeentepolitie hebben dan ook een ander statuut dan de rijkswachters en dus behoort het tot de beleidsvrijheid van de minister om te bepalen dat rijkswachters geen praktisch onderricht mogen geven in rijscholen; IX-1098-7/13 3.
  7. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord geen nieuwe argumenten aanvoert ten aanzien van het eerste onderdeel van het middel; dat hij, wat het tweede onderdeel van het middel betreft, nog wel stelt dat er geen manifest verschil bestaat tussen de statuten van het personeel van de rijkswacht en dat van de gemeentepolitie en dat de verwijzing naar de artikelen 8 en 29 van het Wetboek van strafvordering op dezelfde wijze van toepassing zijn op de beide categorieën politieambtenaren; 3.
  8. Overwegende dat verzoeker zich in zijn laatste memorie aansluit bij de conclusie van de auditeur-verslaggever dat zijn situatie onder de toepassing valt van artikel 24/12, § 2, 1/, van de wet van 27 december 1973 -een betrekking in het onderwijs- en dat voor die functies geen algemeen cumulverbod kan gelden; dat hij ook nog verduidelijkt dat ten onrechte verwezen wordt naar een ministeriële omzendbrief van 13 februari 1997, aangezien deze van een latere datum is dan het bestreden besluit en hij overigens overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing dient gehouden te worden; 3.
  9. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie uiteenzet wat volgt: artikel 24/12 van de wet van 27 december 1973 is geënt op de regeling vervat in de artikelen 18 en 19 van het tuchtreglement van de Krijgsmacht en loopt ook parallel met de regeling die geldt voor het rijkspersoneel, in die zin dat er een principieel cumulatieverbod wordt ingesteld maar dat individuele afwijkingen toegestaan kunnen worden; uit de memorie van toelichting bij artikel 24/12 blijkt dat de uitzondering aangaande een betrekking in het onderwijs ook de functie van “monitor in een rijschool of in een manege” beoogt; de wetgever heeft voor betrekkingen in het onderwijs en voor het tijdelijk beheer van familiale belangen een soepeler regime ingesteld dan voor “de residuaire categorie”, waar een dubbele voorwaarde geldt, te weten dat het belang van de dienst niet geschaad wordt en dat de bijbetrekking geen afbreuk doet aan de waardigheid van de status van het personeelslid; de cumulatiemogelijkheid voor betrekkingen in het onderwijs wordt verantwoord door het feit dat rijkswachters “vanuit hun specifieke en unieke ervaring” soms geroepen worden om in het algemeen belang hun kennis over te dragen, maar dat betekent niet dat “nooit rekening zal worden gehouden met het belang van de dienst of met de waardigheid van de status van het personeelslid”; het feit dat er voor betrekkingen in het onderwijs een soepeler regime uitgewerkt is, betekent evenwel niet dat de minister de cumulatieaanvraag niet zou kunnen weigeren, met name wanneer de rijkswachter-lesgever zich voor het geven van de lessen op de openbare weg moet begeven omdat daar het risico bestaat dat de leerling IX-1098-8/13 een misdrijf begaat of een verkeersongeval veroorzaakt en de lesgever dan “terzelfdertijd als lesgever en als rijkswachter zou moeten optreden, waardoor hij in een onhoudbare toestand zou komen”; in die gedachtegang heeft de minister de cumulatie-aanvraag van verzoeker geweigerd en bijgevolg is de motivering van het bestreden besluit niet gebaseerd op het belang van de dienst of de waardigheid van de status, maar op het algemeen belang, met name de uitvoering van de wettelijke opdrachten van de leden van de rijkswacht; de omzendbrief van 13 februari 1997, waarin sprake is van het lesgeven “in” een autorijschool of “in” een manege moet in dezelfde optiek gelezen worden: er wordt geen “absolute onverenigbaarheid” ingesteld, maar de minister zal steeds trachten om de rijkswachters een maximale mogelijkheid tot cumulatie te verlenen; 3.6.
  10. Overwegende dat artikel 24/12 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, ingevoegd bij artikel 5, 2/, van de wet van 24 juli 1992, luidt als volgt : “§
  11. Behoudens de in de bijzondere wetten bepaalde onverenigbaarheden en tenzij de betrokkene zich in non-activiteit wegens persoonlijke aangelegenheden bevindt, is de hoedanigheid van personeelslid onverenigbaar met de uitoefening van: 1/ een ander beroep; 2/ een openbaar ambt, een openbare opdracht of een openbaar mandaat; 3/ een opdracht of een dienst, zelfs als die onbezoldigd is, in particu- liere bedrijven met winstoogmerk; De personeelsleden mogen noch rechtstreeks, noch via een tussen- persoon, enige handel drijven, als zaakbezorger optreden, deelnemen aan de leiding, het bestuur van of het toezicht op handelsvennoot- schappen, nijverheids- of handelsinstellingen. §
  12. Bijzondere afwijkingen van de verbodsbepalingen in § 1 kunnen door de Minister van Binnenlandse Zaken worden toegestaan: 1/ voor bijkomende betrekkingen, beroepen of bezigheden in het onderwijs; 2/ voor het tijdelijk beheer van familiale belangen; 3/ voor bijkomende betrekkingen, beroepen of bezigheden die noch het belang van de dienst schaden, noch afbreuk doen aan de waardig- heid van de status van personeelslid; De toestemming van de Minister van Binnenlandse Zaken moet vooraf worden verkregen. Zij kan steeds worden ingetrokken.”; Overwegende dat de wetgever met die bepaling de bedoeling had voor het rijkswachtpersoneel een “principieel verbod tot cumulatie (in te stellen), maar met de mogelijkheid om individuele afwijkingen toe te staan in de in de wet opgenomen gevallen” (Parl. Doc. Senaat, 1990-1991, stuk 1428/1, p. 10); dat dezelfde memorie van toelichting -pag. 11- met betrekking tot de “bijkomende IX-1098-9/13 betrekkingen, beroepen of bezigheden in het onderwijs”, opgenomen in § 2, 1/, vermeldt: “wat § 2, 1/, betreft, moet het duidelijk zijn dat betrekkingen zoals monitor in een rijschool of in een manege eveneens beoogd worden” (Franse tekst: “moniteur d’auto-ecole ou d’équitation”); dat afgaand op die uiteenzetting, aangenomen wordt dat het geven van onderricht in een autorijschool een betrekking of een bezigheid “in het onderwijs” vormt; 3.6.
  13. Overwegende dat de beslissingen van de minister om van het principieel cumulatieverbod af te wijken uiteraard steeds hun grondslag moeten vinden in de behartiging van het algemeen belang; dat de omstandigheid dat de minister de cumulaanvragen die worden ingediend overeenkomstig artikel 24/12, § 2, 3/, kan toelaten wanneer zij het dienstbelang niet schaden of de waardigheid van de functie niet aantasten -twee bijzondere aspecten van het algemeen belang-, niet betekent dat de aanvragen die steunen op artikel 24/12, 1/ of 2/ niet, of niet met dezelfde gestrengheid, aan dezelfde criteria getoetst zouden mogen worden; 3.6.
  14. Overwegende dat het bestreden besluit niet steunt op enig gegeven met betrekking tot de wijze waarop verzoeker concreet zijn ambt uitoefent; dat er ook niet wordt gerefereerd aan enige omstandigheid die de waardigheid van zijn ambt zou aangaan; Overwegende dat, blijkens zijn advies van 8 augustus 1994, de commandant van de rijkswacht -daarin bijgevallen door de minister- zich op het standpunt geplaatst heeft dat “praktische rijlessen” in bepaalde omstandigheden tot “interferenties met de professionele activiteiten van rijkswachter” kunnen leiden, hetgeen “het algemeen belang van de dienst in de rijkswacht” kan schaden; dat dit standpunt verduidelijkt is in het bijkomend advies van 27 oktober 1994 van de commandant van de rijkswacht -waar wordt vermeld dat “bij het geven van praktische lessen op de openbare weg de mogelijkheid (bestaat) dat de bestuurder van het scholingsvoertuig een strafbaar feit begaat of een verkeersongeval veroor- zaakt (en dat), aangezien een rijkswachter te allen tijde precies als taak heeft dergelijke feiten te voorkomen of vast te stellen (...), de begeleider dus terzelfdertijd als monitor en als rijkswachter moet optreden, waardoor hij in een onhoudbare toestand terecht zou komen”- en dat voorts, na woord en wederwoord, die redenering uitgegroeid is tot de motivering die de minister in het bestreden besluit verwoord heeft en waartegen verzoeker punctuele wettigheidsbezwaren aanvoert; IX-1098-10/13 3.6.
  15. Overwegende dat de door de verwerende partij aangehouden motivering duidelijk, terzake dienend en ook afdoende is; dat de omstandigheid dat zij algemeen gesteld is en aldus, als een beleidslijn, elk lid van het actief kader van het operationeel korps van de rijkswacht verbiedt om praktische rijlessen te geven in opdracht van een autorijschool, de bestreden beslissing niet onwettig maakt; dat de Raad van State in het kader van zijn marginale toetsingsbevoegdheid niet vermag zijn visie over de inhoud van dergelijk motief in de plaats van het bestuur te stellen en dat het niet kennelijk onredelijk is dat de verwerende partij, in de uiteengezette omstandigheden, het niet toelaatbaar acht dat om het even welk lid van het operationeel kader een cumulatieactiviteit uitoefent; dat in die omstandigheden verzoeker niet relevant kan verwijzen naar de bijzondere situatie, zo wat betreft zijn uurrooster als de inhoud van zijn functie, waarin hij zich bevindt en die voor zijn geval een afwijking van de beleidslijn zou rechtvaardigen; dat ook met zijn punctuele kritiek op de argumentatie die de verwerende partij hem als reactie op zijn verweerschriften heeft gegeven, verzoeker de onregelmatigheid van de beleidslijn niet aantoont; 3.6.
  16. Overwegende dat het eerste onderdeel van het middel niet gegrond is; 3.7.
  17. Overwegende dat verzoeker in het tweede onderdeel van het middel de schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel, doordat de leden van de gemeentepolitie wel hun ambt met die van lesgever in een rijschool kunnen combineren; dat hij te dien aanzien in essentie verwijst naar een ministeriële “omzendbrief rijscholen” van 1 september 1993, gericht aan de autorijscholen en uitgaande van het ministerie van Verkeer, waarin gesteld wordt dat “er geen onverenigbaarheid meer voorzien (is) voor de agenten van de gemeentebesturen of de politie, met dien verstande dat hun eigen regels op hen nog van toepassing zijn”; 3.7.
  18. Overwegende dat verzoeker als lid van het operationeel korps van de rijkswacht valt onder het toepassingsgebied van artikel 24/12 van de wet van 27 december 1973, waarin het principieel verbod opgenomen is om betrekkingen te cumuleren behoudens individuele afwijking te verlenen door de minister van Binnenlandse Zaken; dat de situatie van de leden van de gemeentepolitie, waarmee verzoeker zich vergelijkt, geregeld is door artikel 216 van de Nieuwe Gemeentewet, dat op straf van tuchtvervolging de leden van de gemeentepolitie verbiedt om “enige handel te drijven of enige betrekking uit te oefenen die als onverenigbaar met hun ambtsbezigheden kan beschouwd worden”; dat die bepaling inderdaad geen IX-1098-11/13 principieel verbod instelt om cumulactiviteiten te beoefenen, maar dat zij via de uitoefening van het tuchtrecht dergelijke activiteit, wanneer zij “als onverenigbaar met (de) ambtsbezigheden wordt beschouwd”, toch binnen de beoordelingsbevoegd- heid van het bestuur brengt; dat de ministeriële omzendbrief waarnaar verzoeker verwijst -die overigens uitgaat van het ministerie van Verkeer en niet van de minister van Binnenlandse Zaken- in dat licht gelezen moet worden; 3.7.
  19. Overwegende dat verzoeker aldus ten onrechte stelt dat de leden van de gemeentepolitie hun ambt ongehinderd zouden mogen cumuleren met een opdracht van praktijkonderricht in een autorijschool en dat die politieambtenaren derhalve bevoordeeld zouden zijn; dat de omstandigheid dat voor de leden van de twee korpsen terzake een andere procedure uitgewerkt is -regeling die voor elk korps overigens door de wetgever zelf vastgesteld is- op zich niet bewijst dat beide categorieën discriminerend behandeld zijn, nu de uitoefening van een cumulactiviteit voor ieder van hen afhangt van een discretionaire beslissing van hun respectieve overheden; 3.7.
  20. Overwegende dat in de door verzoeker overgelegde gegevens geen bewijs wordt gevonden voor een discriminerende behandeling; dat het tweede onderdeel van het middel eveneens niet gegrond is, IX-1098-12/13 BESLUIT: Artikel
  21. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig maart 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-1098-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.919 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.