id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.924 Rolnummer: A. 170943/IX-5264 Zaak: Arrest 156924 - - 27/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-03-31 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 15:26 Fiche Arrest nr 156.924 van 27 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.924 van 27 maart 2006 in de zaak A. 170.943/IX-
- In zake : Musa ASOGLU, die woonplaats kiest bij advocaat J. FERMON, kantoor houdende te BRUSSEL, Haachtsesteenweg 55 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat B. DERVEAUX, kantoor houdende te KORTENBERG, Veldstraat
- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Musa ASOGLU op 13 maart 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 1 maart 2006, ter kennis gebracht op dezelfde datum, genomen door F. TIJSEBAERT, directeur Penitentiair Complex te Brugge en waarbij ten opzichte van verzoeker beslist werd hem te onderwerpen aan een regime met dertien specifieke maatregelen; Gezien het op dezelfde datum ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 14 maart 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 maart 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 20 maart 2006, om 14.00 uur; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; IX-5264-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. FERMON, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat B. DERVEAUX en attaché L. SEMPOT, die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Op 28 februari 2006 wordt verzoeker door de correctionele rechtbank te Brugge veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar, een geldboete i van 5 500 of drie maanden vervangende gevangenisstraf, een ontzetting uit de rechten van artikel 31 SWB gedurende tien jaar en de kosten. De onmiddellijke aanhouding van verzoeker wordt bevolen en verzoeker wordt diezelfde dag opgesloten in de gevangenis van Brugge. Verzoeker is veroordeeld samen met andere medestanders, waarvan er twee ook werden aangehouden en opgesloten in de gevangenis te Brugge en een andere voortvluchtig is. 1.
- De directeur van de strafinrichting te Brugge neemt op 1 maart 2006 de volgende beslissing : “Gezien dat ASOGLU Musa op 28 februari 2006 veroordeeld is tot een gevangenisstraf van 6 jaar G + OA door de correctionele rechtbank van Brugge; Gezien dat de feiten waarvoor betrokkene is veroordeeld klaarblijkelijk verband houden met terroristische activiteiten; Gezien het gevaar dat zulke feiten betekenen voor de veiligheid van de inrichting en van haar personeel, evenals voor de maatschappij; Gezien de noodzaak om aldus alle nodige maatregelen te treffen om de veiligheid van de inrichting en van de maatschappij te vrijwaren, en onder andere om ontvluchting te vermijden; Gezien aldus de noodzaak om de contacten tussen ASOGLU Musa en andere gedetineerden, evenals met de buitenwereld, zoveel mogelijk te beperken Wordt ASOGLU Musa onderworpen aan het volgende regime : . Verblijf alleen op cel . Individuele wandeling, douche en bezoeken IX-5264-2/6 . Geen werk noch gemeenschappelijke activiteit . Brieven worden enkel ontvangen of verstuurd mits toelating van de directie na controle; brieven dienen in één van de landstalen geschreven te worden . Strikte toepassing van de regels betreffende advocaten, tolken en diplomaten . Geestelijke bijstand op cel . Privégeneesheer enkel mogelijk mits toelating van de directie na controle . Enkel familiebezoek (max. 3e graad) op voorlegging van een bewijs van bloedverwantschap, mits akkoord van de directie na controle . Enkel telefoon aan familie (max. 3e graad) op voorlegging van een bewijs van bloedverwantschap, mits akkoord van de directie na controle, of aan advocaat . Geen bezoeken van de Dienst Sociale Reïntegratie of vzw, behalve mits specifieke toelating van de Directeur-generaal of zijn vervanger . Speciale bewaking (30’) . Betrokkene kan aan een naaktfouille onderworpen worden wanneer hij zijn cel heeft verlaten en er terugkomt. Deze fouille heeft als doel te vermijden dat betrokkene voorwerpen in zijn cel binnenbrengt die een gevaar zouden kunnen betekenen voor de veiligheid en die via de toegestane contacten aan hem zijn overgemaakt . Geen toelating voor bezoek zonder toezicht Dit regime zal regelmatig geëvalueerd worden. Gedaan op 01.03.06 in aanvulling van de reeds lopende ordemaatregel.” Dit is de beslissing waarvan verzoeker de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid vraagt.
- Overwegende dat de Raad van State ambtshalve dient na te gaan of hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen; 2.
- Overwegende dat de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen tegen beslissingen genomen door de directeur van een strafinrichting, die als zodanig onder de uitvoerende macht ressorteert, indien deze daarbij rechtstreeks meewerkt aan de uitvoering van de vonnissen en arresten van de strafrechter; dat evenmin voor vernietiging door de Raad van State in aanmerking komen, de maatregelen die weliswaar zekere ongemakken of onaangenaamheden kunnen meebrengen doch die de directeur neemt met het oog op de goede werking van en de goede orde in de strafinrichting, in zoverre die maatregelen uitsluitend of hoofdzakelijk zijn ingegeven door veiligheids- en voorzichtigheidsoverwegingen, tenzij wanneer de maatregel er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekt een gedetineerde te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen ; dat, ten slotte, de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van middelen waarin een verzoeker doet gelden dat de bestreden beslissing een schending van zijn subjectieve rechten uitmaakt; IX-5264-3/6 2.
- Overwegende dat de bestreden maatregel zich aandient als louter een maatregel van orde; dat verzoeker in zijn annulatiemiddelen evenwel betoogt dat het effect van de genomen maatregel of althans van sommige onderdelen ervan verder reikt dan noodzakelijk is om de orde en de veiligheid in de strafinrichting waar verzoeker verblijft te vrijwaren, op zijn minst dat zij die noodzaak niet afdoende verantwoordt; 2.
- Overwegende dat in het kader van dit onderzoek naar zijn bevoegdheid, de Raad van State enkel een marginale toetsing kan uitvoeren omtrent het beweerde nodeloos vergaand karakter van de diverse onderdelen van de getroffen maatregel, met andere woorden dat hij enkel heeft na te gaan of de genomen maatregel in redelijkheid gerechtvaardigd wordt door de zorg voor de veiligheid en orde en niet kennelijk tot oogmerk of tot gevolg heeft de verzoeker te onderwerpen aan een pijnlijke, vernederende of soortgelijke behandeling die buiten proportie staat met het nagestreefde doel, met andere woorden dat zij een verdoken strafmaatregel uitmaakt; dat alleszins, in zoverre verzoeker tevens aanvoert dat die maatregelen op zichzelf een schending uitmaken van de rechten welke het EVRM of andere supranationale en nationale rechtsregels hem waarborgen, de bevoegdheid om daarover te oordelen geacht moet worden aan de gewone rechter te behoren; dat dit laatste trouwens wordt bevestigd doordat beide partijen verwijzen naar uitspraken van de gewone rechtsmachten over dergelijke rechten, hetgeen dus aantoont dat deze zich op dat stuk niet onbevoegd verklaard hebben; 2.
- Overwegende dat de bestreden beslissing in haar hiervoor weergegeven motivering verwijst naar verzoekers veroordeling op 28 februari 2006 door de correctionele rechtbank te Brugge, daarbij overwegende dat de feiten die aan die veroordeling ten grondslag liggen “klaarblijkelijk verband houden met terroristi- sche activiteiten”, dat “zulke feiten” een gevaar betekenen voor de veiligheid van de inrichting en van haar personeel, evenals voor de maatschappij en dat het noodzakelijk is maatregelen te nemen om die veiligheid te vrijwaren, onder andere “om ontvluchting te vermijden”; 2.
- Overwegende dat aldus impliciet maar niettemin duidelijk wordt verwezen naar de tenlasteleggingen waaraan verzoeker schuldig bevonden werd in het vonnis dat verzoeker betekend werd op dezelfde dag, dat zijn, op grond van de gegevens waarover de Raad beschikt summier samengevat : bendevorming met het oog op het plegen van aanslagen op de belangen van de Turkse staat, zich daarvoor IX-5264-4/6 explosieven te hebben verschaft, wapens te bezitten, stempels te hebben nagemaakt met de bedoeling de werkelijke identiteit van zichzelf en/of van leden van de DHKP- C te verhullen, valse identiteitskaarten en paspoorten te hebben vervaardigd en gebruikt; dat, ook al zou op het ogenblik dat die misdrijven gepleegd werden het begrip “terroristisch misdrijf” als zodanig nog niet in het Strafwetboek zijn opgenomen en daarbij voorzien zijn in zwaardere straffen dan die welke verzoeker opgelopen heeft, die feiten, in hun samenhang gezien, redelijkerwijze in het normale taalgebruik gekwalificeerd konden worden als “verband houdende met terroristische activiteiten”; dat verzoeker bovendien als aanstoker, hoofd of enig bevelvoerend lid van de bende wordt gekwalificeerd; dat verzoeker geen enkel gegeven aanreikt waaruit afgeleid zou kunnen worden dat de directeur van de penitentiaire instelling, in tegenstelling tot wat in de formele motivering is gesteld, in werkelijkheid de bedoeling zou hebben gehad verzoeker een straf op te leggen door tegen hem een maatregel te nemen die in de gegeven omstandigheden buiten proportie was met die feiten; 2.
- Overwegende dat de vraag of de diverse onderdelen van de bestreden beslissing al dan niet individueel dienden te worden gemotiveerd, betrekking heeft op de regelmatigheid ervan en niet relevant is ten aanzien van de bevoegdheid van de Raad van State; dat het gegeven dat een vorige detentie van verzoeker geen aanleiding gaf tot problemen in verband met de veiligheid weliswaar een rol zou kunnen spelen bij de beoordeling van de noodzaak om de bestreden maatregel te nemen, doch verwerende partij terecht opmerkt dat dit gegeven van zes jaar geleden dateert en prima facie niet toereikend is om eruit af te leiden dat hij nu niet noodzakelijk kan worden geacht; dat, ten slotte, de vraag of verzoeker het vermoeden van onschuld kan inroepen evenmin relevant is ten aanzien van de noodzaak bepaalde maatregelen te nemen in het belang van de veiligheid en gesteund op feiten waarvan het bestaan, op zijn minst voorlopig, is erkend; dat in de gegeven omstandigheden de vraag of ook maatregelen zoals de “speciale bewaking” met controle om het half uur, zogenaamd “naaktfouille” en beperking van de brief- wisseling met meer bepaald verplichting een van de landstalen te gebruiken, wegens hun onredelijk karakter als verdoken tuchtmaatregelen beschouwd moeten worden, ontkennend beantwoord wordt; dat, immers, zoals hierboven is gesteld, de feiten waaraan verzoeker schuldig is bevonden in het normale taalgebruik als “terroristische activiteiten” beschouwd kunnen worden en in die omstandigheden ontsnapping en samenzwering daartoe niet denkbeeldig zijn; dat niet blijkt dat de bestreden beslissing de bedoeling heeft om, in strijd met de geldende regelingen en fundamentele rechten, IX-5264-5/6 ook de briefwisseling met verzoekers advocaat aan controle te onderwerpen en logischerwijze ook kan worden aangenomen dat zulks niet het geval is; dat bovendien ook wordt vastgesteld dat het opgelegde regime regelmatig geëvalueerd zal worden;
- Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State van de vordering geen kennis kan nemen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijk- heid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig maart 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-5264-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.924 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.372 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.