id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.930 Rolnummer: A. 157687/XIV-21189 Zaak: Arrest 156930 - - 27/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-04 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 15:27 Fiche Arrest nr 156.930 van 27 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.930 van 27 maart 2006 in de zaak A. 157.687/XIV-21.
(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, van de artikelen 2, 3, 6, 19 en 23 van het Verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de zorgvuldigheidsplicht en uit de manifeste appreciatiefout, verzoekster aanvoert dat zij en haar kinderen van Palestijnse origine zijn en afkomstig zijn uit Rafah, dat twee van haar kinderen ernstige medische problemen hebben, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geenszins haar vrees voor vervolging bij een terugkeer naar Rafah heeft getoetst aan het Vluchtelin- genverdrag, temeer daar zij omwille van haar Palestijnse origine gediscrimineerd wordt op het vlak van toegang tot de gezondheidszorg, zoals tevens ook blijkt uit de door haar geciteerde mensenrechtenrapporten; 1.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. niet dienstig wordt aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een terugleidingsmaatregel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan over de hoedanigheid van vluchteling van betrokkene; dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing de aanvraag van verzoekster wordt verworpen omdat -zoals genoegzaam wordt toegelicht- haar afkomst uit Rafah twijfelachtig is, zij niet kan toelichten waarom haar man, die actief vervolgd zou zijn voor zijn eigen politieke activiteiten, geen asiel aanvraagt, maar appellante, die niet persoonlijk vervolgd wordt, wel meent asiel te moeten aanvragen; dat de bestreden beslissing aldus afdoende is gemotiveerd; dat, wat de ingeroepen medische overwegingen -zoals de ernstige medische problemen van twee van haar kinderen- betreft, de Vaste Beroepscommis- sie voor vluchtelingen niet gemachtigd is een vreemdeling als vluchteling te erkennen op grond van medische overwegingen, zodat zij er in de bestreden beslissing volkomen terecht op wijst “dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen over een gebonden bevoegd- XIV-21.189-2/4 heid beschikt, namelijk een persoon al dan niet te erkennen als vluchteling in de zin van de (het) Verdrag van Genève van 28 juli 1951, en zich niet kan uitspreken over dit humanitaire aspect”; dat zowel uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, als uit het verhoorverslag van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 januari 2004, blijkt dat verzoekster verklaarde (tevens) naar Europa te komen voor (een betere) medische verzorging van haar kinderen; dat zij omwille van haar Palestijnse afkomst gediscrimineerd zou worden op het vlak van medische verzorging voor haar kinderen, een argument is dat uit geen enkel stuk van het administratief dossier, waaronder de diverse verhoorverslagen en het beroepschrift van 7 april 2004, kan worden afgeleid, wel integendeel; dat zij niet voor het eerst voor de administratieve cassatierechter kan aanvoeren dat zij omwille van haar Palestijnse afkomst zou worden gediscrimineerd op het vlak van toegang tot de gezondheidszorg; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-21.189-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenen- twintig maart tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-21.189-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.930 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div