← België

Arrest 156932 - - 27/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.932 Rolnummer: A. 123438/XIV-10708 Zaak: Arrest 156932 - - 27/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-10 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 15:27 Fiche Arrest nr 156.932 van 27 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.932 van 27 maart 2006 in de zaak A. 123.438/XIV-10.

  1. In zake : XXX, wonende te 2170 MERKSEM, tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 4 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 juni 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 16 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 8 juli 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 17 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-10.708-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat R. AKTEPE verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Iraanse nationaliteit, is België binnengekomen op 24 december 2000 en heeft zich op 27 december 2000 vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 16 maart 2001 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 7 juni 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van deze beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u de toegang tot het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 19 april 2002 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. XIV-10.708-2/5
  6. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  7. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Enig middel Genomen uit de schending van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel Doordat de reden voor de negatieve beslissing enkel gebaseerd is op het feit dat verzoeker geen gevolg heeft gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen die hem werd verstuurd op 19 april 2002; terwijl, de reden voor het niet antwoorden van verzoeker bij het Commissariaat- Generaal zelf ligt, minstens dat het onredelijk is om op basis van dit gegeven een negatieve beslissing te nemen; Zodat, het Commissariaat-Generaal onzorgvuldig is geweest, minstens op een onredelijke wijze tot haar beslissing is gekomen; Toelichting van het middel:
  8. In casu heeft verwerende partij zich enkel gebaseerd op het niet antwoorden van verzoeker op een vraag tot inlichtingen vanwege verwerende partij, aangetekend verstuurd op 19 april
  9. Op 13 mei 2002 kwam deze brief terug aan bij verwerende partij. Zonder zich vragen te stellen, besliste verwerende partij om verzoekers asielaanvraag af te wijzen, aangezien er geen antwoord was gekomen op dit schrijven van 19 april
  10. Alhoewel op de hoofding van de brief van 19 april en gericht aan verzoeker het juiste adres wordt vermeld, heeft verzoekende partij deze brief nooit ontvangen. Verzoeker vraagt dan ook dat verwerende partij het bewijs voordraagt dat deze brief effectief werd verstuurd aan het adres zoals op de hoofding van de brief vermeld. Bij gebreke aan bewijs, is het duidelijk dat de bestreden beslissing is genomen met schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verwerende partij had immers de plicht om de brief van 19 april 2002 aangetekend te verzenden naar verzoeker. Verzoeker treft in deze geen fout, nu hij verwerende partij bij aangetekende zending van 10 januari 2002 van zijn adreswijziging op de hoogte bracht.
  11. Wordt het bewijs geleverd dat de brief daadwerkelijk naar het juiste adres werd verstuurd, is het nog onredelijk om verzoekers asielaanvraag te weigeren. Het ware immers een kleine moeite geweest om na te gaan waarom het aangetekend schrijven van 19 april 2002 verzoeker nooit had bereikt.
  12. Het middel is gegrond.”; 2.2.
  13. Overwegende dat verzoeker zich in zijn enig middel beroept op de schending van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel; dat verzoeker meer bepaald aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onzorgvuldig, minstens op een onredelijke wijze de bestreden beslissing heeft genomen doordat “de reden voor de negatieve beslissing enkel gebaseerd is op het feit dat verzoeker geen gevolg heeft gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen die hem werd verstuurd op 19 april 2002"; dat verzoeker dienaangaande stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dient te bewijzen dat het verzoek om inlichtingen effectief aangetekend werd verstuurd naar het adres van woonplaatskeuze, dat, indien dit bewijs wordt geleverd in tweede orde een weigering van verzoekers asielaanvraag alsnog onredelijk is daar “het ware een kleine moeite geweest om na te gaan waarom het aangetekend schrijven van 19 april 2002 verzoeker nooit had bereikt”; XIV-10.708-3/5 2.2.
  14. Overwegende dat in casu de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de onontvankelijkheid van verzoekers asielaanvraag concludeerde doordat verzoeker geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek om inlichtingen, dat hem aangetekend werd toegestuurd, binnen de termijn van één maand volgend op de verzending van dit verzoek; dat artikel 52, § 2, 4/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) toelaat het verblijf te weigeren aan de kandidaat- vluchteling die binnen een maand na de verzending geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan opgeven; dat uit het administratief dossier blijkt dat aan verzoeker op 19 april 2002 een verzoek om inlichtingen per aangetekend schrijven werd verstuurd naar het adres waar verzoeker luidens het daartoe bestemde formulier laatst woonplaatskeuze deed, met name Bredabaan 730 te 2170 Antwerpen; dat met dit schrijven van 19 april 2002 verzoeker wordt verzocht om binnen de termijn van één maand het verzoek om inlichtingen per aangetekende brief te beantwoorden; dat verzoeker niet reageerde op deze vraag om inlichtingen; dat op de omslag van de aangetekende zending er een klever is aangebracht met de vermelding “afwezig, bericht gelaten op 22.04.02"; dat de aangetekende brief niet werd afgehaald op het postkantoor, waarna hij naar het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd teruggestuurd; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker aanvoert, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geenszins verplicht is na te gaan waarom een aangetekende zending niet werd afgehaald wanneer deze correct werd betekend aan het laatste adres van woonplaatskeuze, wat in casu het geval is zoals uit voorgaande blijkt; dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bij het nemen van de bestreden beslissing het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden; dat het enig middel niet gegrond is;
  15. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  16. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  17. XIV-10.708-4/5 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig maart tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-10.708-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.932 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.