id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.943 Rolnummer: A. 159020/XIV-21537 Zaak: Arrest 156943 - - 28/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-10 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 15:31 Fiche Arrest nr 156.943 van 28 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.943 van 28 maart 2006 in de zaak A. 159.020/XIV-21.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. ROBERT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Ecuadoriaanse nationaliteit, op 7 januari 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 22 november 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 17 januari 2005 waarbij aan de verzoeken- de partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 18 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Ch. VAN CUTSEM die, loco Advocaat P. ROBERT verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-21.537-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 57/12 en 27/22 (lees: 57/22) van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), verzoeker aanvoert dat de kern van zijn vrees bestaat uit het feit dat de Ecuadoriaanse autoriteiten hem met de FARC-guerrilla linken en de politiek sedert september 2001 zeer streng is geworden ten aanzien van het FARC en al wie daarmee verbonden is, dat, om haar beslissing te kunnen nemen, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het nodig achtte eerst een getuige te horen, terwijl het bevelen van een dergelijke onderzoeksmaatregel op zich niet verenigbaar is met het kennelijk ongegrond bevinden van het beroep door een alleenzetelende rechter, dat uit de bestreden beslissing overigens niet blijkt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen deze getuigenis in overweging heeft genomen en evenmin kan worden afgeleid waarom de afgelegde getuigenis niet toelaat te besluiten dat hij wel met het FARC gelinkt werd en om die reden vervolging dient te vrezen; 1.
- Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat G. B.A. K. E. op vraag van verzoeker werd gehoord op de zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 22 november 2004; dat uit de in het verslag van de zitting opgenomen verklaring van voornoemde getuige blijkt dat deze appellant kent uit België via een vriend, dat hij van zijn naam in 1990 hoorde in Ecuador via vrienden van appellant die eveneens in de gevangenis zaten, dat hij over appellant vernam dat hij contacten had met FARC en M19, dat appellant in 1986 in Colombia aan een congres deelnam, waar hij contacten moest leggen met FARC, en dat hij dacht dat appellant geen leider was maar volgens Ramirez wel de capaciteit had om iemand politiek (op) te leiden; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker laat uitschijnen, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wel degelijk rekening heeft gehouden met de afgelegde getuigenis omtrent de gebeurtenissen tussen 1986 en 1990, doch zij tot de vaststelling komt dat:
(1)verzoeker zich tegenspreekt over zijn hoedanigheid bij de deelname aan een congres in 1986 in Colombia (ter zitting van de Vaste Beroepscommis- sie voor vluchtelingen verklaarde hij dat hij als voorman van de MPL aan dit congres deelnam, terwijl hij op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat hij pas vier maanden ná dit congres lid werd van de Ecuadoriaanse MPL),
(2)hij zich tevens tegenspreekt over zijn verblijfplaats na de vijf maanden durende opleiding in Colombia (op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde hij te zijn ondergedoken tussen Quito en Guajaquil, terwijl XIV-21.537-2/4 hij ter zitting geen gewag maakte van een onderduikperiode op een ander adres buiten de stad Quito),
(3)het louter clandestien optreden voor de MPL hem onmogelijk aan de politie kan hebben onttrokken vermits hij beweert tussen 1986 en 1990 meermaals door de politie op straat te zijn aangesproken met de mededeling dat men wist waar hij mee bezig was en men hem aanraadde hiermee rekening te houden, en,
(4)verzoeker ter zitting zelf toegeeft tot 1999, negen jaar na de arrestatie van zijn vrienden, nooit problemen te hebben gekend met de Ecuadoriaanse politionele en/of gerechtelijke autoriteiten; dat deze redengeving nergens doet blijken dat omtrent het lot van verzoekers beroep enige twijfel of betwisting mogelijk was; dat, gelet op het gering belang van voormelde getuigenis de gemachtigde bijzitter, zonder de bepaling van artikel 57/12 van de Vreemdelingenwet te schenden, ervan kon afzien om de zaak naar een drieledige kamer terug te sturen en zich beperken tot de vaststelling “dat deze gebeurtenissen geen rechtstreeks oorzakelijk verband vertonen tot appellants vlucht naar België”; dat het enig middel niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-21.537-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwin- tig maart tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-21.537-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.943 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div