← België

Arrest 156993 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 28/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.993 Rolnummer: A. 168370/XII-4600 Zaak: Arrest 156993 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 28/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-04 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 15:33 Fiche Arrest nr 156.993 van 28 maart 2006 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.993 van 28 maart 2006 in de zaak A. 168.370/XII-

  1. In zake : Filip DORSSEMONT, die woonplaats kiest bij advocaat F. Judo, kantoor houdende te Brussel, Keizerslaan 3 tegen : de UNIVERSITEIT ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaten Chr. Coen en J. Deridder, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Filip Dorssemont op 5 december 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 22 september 2005 van de raad van bestuur van de Universiteit Antwerpen waarbij de vacature voor voltijds Zap-bof in het vakgebied “Juridische aspecten van de internationalisering en europeanisering van de economie” zonder aanstelling wordt afgesloten alsmede van de impliciete beslissing om hem niet te benoemen; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 14 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 maart 2006; XII-4600-1\5 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Judo, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. Deridder, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Voorgaanden Overwegende dat verzoeker zich op 15 februari 2005 kandidaat stelt voor een ambt van het zelfstandig academisch personeel (bijzonder onderzoeksfonds), kort: Zap-bof, van de Universiteit Antwerpen in het domein “juridische aspecten van de internationalisering en de europeanisering van de economie”; dat het dossier zijn weg volgt langs de adviescommissie ad hoc, de facultaire adviescommissie, de facultaire selectiecommissie, de faculteitsraad rechten en de onderzoeksraad van de universiteit; dat de raad van bestuur van de verwerende partij uiteindelijk, op grond van het advies van de faculteitsraad rechten en van de onderzoeksraad, op 22 september 2005 beslist om de vacature af te sluiten zonder aanstelling; dat dit de bestreden beslissing is, welke op 3 oktober 2005 aan verzoeker ter kennis wordt gebracht; Beoordeling van de ontvankelijkheid Overwegende dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; XII-4600-2\5 Beoordeling van de schorsingsvoorwaarden Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker doet gelden wat volgt : “Verzoekende partij, die zijn proefschrift verdedigde in 2001, is sindsdien een tijdlang verbonden geweest aan de Universiteit Antwerpen als doctor-assistent, en is nu docent aan de Universiteit Utrecht. Hij staat dus aan het begin van een academische loopbaan, die er tot voor de bestreden beslissing vrij rooskleurig uitzag. De bestreden beslissing dreigt deze perspectieven echter volledig om te keren, nu deze in de academische wereld, waar reputatie het belangrijkste goed is voor elke kandidaat voor een functie, wel moet overkomen als een publieke blaam. Inderdaad volgt uit de bestreden beslissing dat tegenpartij van oordeel is dat verzoekende partij ongeschikt is om een onderzoeksfunctie uit te oefenen in het kader van een ZAP-BOF mandaat, zelfs met de graad van docent. Vermits hij reeds benoemd werd als docent te Utrecht, moet deze beslissing beschouwd worden als een impliciete kritiek op deze benoeming : hij kan immers niet op één plaats geschikt worden geacht, en op een andere ongeschikt. Te dezen geldt dit nog meer, vermits verzoekende partij in Utrecht werd ingeschaald als Dit geldt des te meer, nu verzoekende partij in 2001 wel principieel geschikt werd geacht, maar dit vier jaar later klaarblijkelijk niet meer is. Elke academische instelling die deze In het licht van al het voorgaande valt een en ander bijzonder op, vermits tegenpartij zich blijkbaar in alle bochten heeft gewrongen om verzoekende partij toch maar niet te moeten benoemen. Het feit dat zij blijkbaar haar dieperliggende motieven niet wenst bloot te geven, kan ook gemakkelijk worden uitgespeeld tegen verzoekende partij, die zich bijgevolg bij zijn te verwachten sollicitaties in de volgende jaren achtervolgd zal weten door deze publieke blamage”; XII-4600-3\5 Overwegende dat wie zich voor een benoeming kandidaat stelt, er rekening moet mee houden dat hij niet als de beste wordt uitgekozen of niet wordt benoemd; dat het met die teleurstelling gepaard gaande morele nadeel geacht wordt door de morele genoegdoening van een later vernietigingsarrest voldoende te worden hersteld; dat uitzonderlijk kan worden aangenomen dat het moreel nadeel enkel door een schorsing van de bestreden handeling wordt weggenomen of vermeden, wanneer daarvoor specifieke redenen gelden; dat als een dergelijke specifieke reden niet kan gelden louter het feit dat de kandidaat teleurgesteld wordt in zijn rechtmatige verwachtingen; dat het risico niet uitverkozen te worden inherent is aan alle kandidaatstellingen; dat verzoeker ook niet het voorwerp is van verdachtmakingen, afkeuring of minachting; dat zijn bewering dat de bestreden beslissing een “publieke blaam” is of een “plechtige onbekwaamverklaring” dan ook niet wordt aangenomen; dat het voorts een loutere bewering is dat de bestreden beslissing zijn loopbaanperspectieven “volledig [zou dreigen] om te keren”; dat verzoeker tussen zijn docentschap in Utrecht en de bestreden beslissing een verband poogt te leggen dat er niet is; dat het de Raad alleszins ontgaat hoe een beslissing om een benoemingsprocedure in de Universiteit Antwerpen stop te zetten begrepen moet worden als een beslissing die beoogt kritiek te geven op een benoeming die plaatsgreep in de universiteit te Utrecht; dat de beweerde weerslag van de bestreden beslissing op toekomstige sollicitaties bij verwerende partij of elders al even hypothetisch is; Overwegende dat ten slotte uit het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij met ingang van 1 oktober 2004 wijzigingen heeft aangebracht in de aanwervingsprocedure voor Zap-bof-mandaten die neerkomen op het invoeren van meer stringente criteria dan voorheen, inzonderheid het moeten behoren tot de top-tien van het betrokken wetenschapsdomein; dat aan een beslissing om een betrekking niet toe te wijzen om reden van die strenge criteria niet alleen de beweerde blamage niet kan worden toegeschreven; dat dit gegeven ook het argument dat verzoeker in 2001 wél principieel geschikt was bevonden zijn waarde ontneemt; Overwegende dat niet voldaan is aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen, BESLUIT: XII-4600-4\5 Artikel
  2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig maart 2006, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4600-5\5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.993 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.052 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.