← België

Arrest 156994 - - 28/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.994 Rolnummer: A. 168277/XII-4594 Zaak: Arrest 156994 - - 28/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-04 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 15:34 Fiche Arrest nr 156.994 van 28 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 156.994 van 28 maart 2006 in de zaak A. 168.277/XII-

  1. In zake :
  2. Margareta VANOUTRIVE, wonende te Lokeren, Gentse Steenweg 20
  3. Linda POPPE, wonende te Zottegem, Berthoflos 8
  4. Marie-Reine VAN DEN STEEN, wonende te Gent, Nieuwebosstraat 58
  5. Catherine BEKAERT, wonende te Gentbrugge, Emiel Verhaerenlaan 14
  6. Beatrijs DE WIT, wonende te Brussel, Maria Hendrikastraat 34
  7. Hilde VAN DER KEULEN, wonende te Denderleeuw, Opgeëistenstraat 41 tegen : de STAD GENT, die woonplaats kiest bij advocaat P. Devers, kantoor houdende te Gent, Kouter 71-
  8. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Margareta Vanoutrive, Linda Poppe, Marie-Reine Van Den Steen, Catherine Bekaert, Beatrijs De Wit en Hilde Van Der Keulen op 30 november 2005 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 28 juni 2005 van de gemeenteraad van Gent houdende vakantie- en prestatieregeling voor het personeel ressorterende onder het “Statuut Rechtspositie Personeelsleden Onderwijs-Stad Gent”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeksters de nietigverklaring vorderen van hetzelfde besluit; Gezien de nota van de verwerende partij; XII-4594-1/5 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 14 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. Kympers, die loco advocaat J. Vande Moortel verschijnt voor verzoeksters, en van advocaat H. Vermeire, die loco advocaat P. Devers verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Voorgaanden Overwegende dat alle verzoeksters vast benoemd zijn als paramedisch personeelslid, specialiteit logopedie, bij de stedelijke lagere scholen van de stad Gent in een niet gesubsidieerde betrekking; Overwegende dat de gemeenteraad van de stad Gent op 28 juni 2005 beslist om de niet gesubsidieerde logopedisten werkzaam in het basisonderwijs op te nemen in het kader van het Centrum voor leerlingenbegeleiding van de stad en met het thans bestreden raadsbesluit van diezelfde datum de vakantie- en prestatieregeling goedkeurt voor het personeel ressorterende onder het “statuut rechtspositie personeelsleden onderwijs - stad Gent”; XII-4594-2/5 Ontvankelijkheid van de vordering Overwegende dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Beoordeling van de schorsingsvoorwaarden Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeksters doen gelden wat volgt : “Het nadeel bestaat erin dat verzoeksters, die intussen al jarenlang volgens een geijkte prestatie- en vakantieregeling werken en reeds de leeftijd van 45 jaar hebben bereikt of ruimschoots hebben overschreden, plots geconfronteerd worden met een werkregime dat in totaal een meerprestatie vergt dat hun vorige regime met ruim 50% overschrijdt. Het gevoel voor maat en verhouding is in casu ver te zoeken : 50% extra werk eisen (hetgeen op zich al een nadeel vormt) zonder dat er ook maar enige extra verloning of ander voordeel tegenover staat, is een eis die diametraal ingaat tegen de redelijkheid en bovendien verzoeksters morele en materiële schade toebrengt. Het hoeft verder ook niet gezegd dat de reeds van kracht zijnde bestreden beslissing de verzoeksters tot op heden -maar ook verder in de toekomst- een moeilijk te herstellen nadeel toebrengt dat enkel kan worden hersteld indien de beslissing wordt geschorst in afwachting van haar vernietiging”; Overwegende dat verzoeksters met die uiteenzetting het nadeel dat zij ondergaan duidelijk beschrijven: het “bestaat erin dat [zij] geconfronteerd worden met een werkregime dat in totaal een meerprestatie vergt dat hun vorige regime met ruim 50% overschrijdt”; dat grif wordt aangenomen dat zulks, zoals zij ook schrijven “op zich al een nadeel vormt”; dat dit echter niet volstaat om de schorsing te bevelen; dat daartoe het nadeel dat verzoeksters ondergaan ook ernstig moet zijn én moeilijk te herstellen; dat het de verzoeksters toevalt om daarover in hun inleidende vordering XII-4594-3/5 aan de Raad van State alle nuttige en specifieke gegevens te verschaffen, toegespitst op hun concrete situatie; dat de aangehaalde uiteenzetting dit nalaat; dat de Raad ze ook niet spontaan ziet; dat immers het werkregime waar verzoeksters zich ingevolge de bestreden maatregel thans aan onderworpen zien, hetzelfde is als het werkregime waaraan reeds al de gesubsidieerde personeelsleden van het centrum voor leerlingenbegeleiding zich te houden hebben, namelijk een regime van 36 werkuren per week; dat het zonder nadere toelichting van verzoeksters voor de Raad niet duidelijk is waarom zulke prestatieregeling als een ernstig nadeel is te bestempelen; dat verzoeksters daarenboven met geen woord verduidelijken waarom zij onmogelijk dit voor hen nieuwe werkregime voorlopig kunnen ondergaan, in afwachting van een eventueel uit te spreken vernietiging die hen weer zou plaatsen in de situatie als voorheen; dat een uiteenzetting over het moeilijk herstelbare van dit nadeel met andere woorden insgelijks ontbreekt; Overwegende dat niet voldaan is aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen, BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  10. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-4594-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig maart 2006, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4594-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.994 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.774 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.