← België

Arrest 157018 - - 28/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.018 Rolnummer: A. 171042/X-12738 Zaak: Arrest 157018 - - 28/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-03 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 15:38 Fiche Arrest nr 157.018 van 28 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.018 van 28 maart 2006 in de zaak A. 171.042/X-12.

  1. In zake : de nv Firma JOS. RULAND, die woonplaats kiest bij Advocaat B. MARTENS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 106 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg
  2. tussenkomende partij : de stad HASSELT, die woonplaats kiest bij Advocaat H. LAMON, kantoor houdende te 3500 HASSELT, De Schiervellaan
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de nv FIRMA JOS. RULAND op 15 maart 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te vorderen van het besluit van 9 februari 2006 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening "houdende de toepassing van de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte (Hasselt : '24 Ter Stationsomgeving')"; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 16 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 maart 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; X-12.738-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat W. VANDENBERGHE die loco Advocaat B. MARTENS verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat J. DECKMIJN die loco Advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat H. LAMON die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur J. STEVENS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de stad Hasselt met een ter terechtzitting neergelegd verzoekschrift heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening bij het bestreden besluit van 9 februari 2006 heeft beslist dat het algemeen nut de onmiddellijke inbezitneming vordert van de percelen aangegeven op het onteigeningsplan dat behoort bij het BPA "24 Ter Stationsomgeving", van de stad Hasselt, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 12 oktober 2004, en aan de stad Hasselt de machtiging tot onteigening heeft verleend met mogelijke toepassing van de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte, bepaald bij de wet van 26 juli 1962; dat de eigendom van verzoekende partij, gelegen te Hasselt, Grote Breemstraat-Tramstraat, kadastraal bekend 6e afdeling, sectie F, nr. 110 n, inneming 5 vormt van het onteigeningsplan; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van X-12.738-2/5 de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat verzoekende partij het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het aangevochten besluit kan berokkenen, uiteenzet als volgt : "De bestreden beslissing heeft tot gevolg dat het perceel van verzoekende partij onteigend zal worden. Zoals supra werd aangetoond werd de machtiging tot onteigening ingegeven door redenen andere dan de hoogdringendheid en het algemeen nut. Door de onteigening wordt verzoekende partij alle kansen het perceel zelf verder te exploiteren ongedaan gemaakt. In de mate door verzoekende partij een stedenbouwkundig attest nr. 2 werd aangevraagd dd. 30 januari 2006 met betrekking tot de afbraak van de kolenhaven en het bouwen van appartementen, handels- en kantoorruimtes met inbegrip van een ondergrondse garage (STUK 7), zal de verdere exploitatiemogelijkheid van het bewuste perceel onmogelijk worden. Ieder verder initiatief met betrekking tot het bewuste perceel wordt verzoekende partij dan ook ontnomen. Dit impliceert meteen het einde van het bestaan van verzoekende partij aangezien geen alternatief wordt aangeboden om haar activiteiten verder te zetten. Het lijdt geen twijfel dat zonder de schorsing alle activiteiten van verzoekende partij stopgezet dienen te worden. In casu vormt de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zelf dan ook aan verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. De aanwezigheid van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van verzoekende partij staat derhalve onbetwistbaar op rechtstreekse, persoonlijke en individuele wijze vast (...)"; Overwegende dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zijn rechtstreekse oorzaak moet vinden in het aangevochten besluit; dat dit besluit enkel de verklaring van openbaar nut van de onmiddellijke inbezitneming van de betrokken percelen evenals de machtiging tot onteigening met mogelijke toepassing van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte tot voorwerp heeft; dat het door X-12.738-3/5 verzoekende partij aangevoerde nadeel zijn rechtstreekse oorzaak vindt, niet in het aangevochten besluit, maar in de onteigening van het betrokken perceel; dat de verzoekende partij pas uit haar eigendom zal worden ontzet als de vrederechter de onteigening zal hebben toegestaan; dat de vrederechter die onteigening slechts kan uitspreken en de provisionele vergoeding slechts kan bepalen nadat hij het bestreden machtigingsbesluit zowel op zijn interne als op zijn externe wettigheid heeft getoetst; dat de verzoekende partij de wettigheidsbezwaren die zij thans aanvoert, nog zal kunnen doen gelden voor de vrederechter, dat deze er uitspraak over zal moeten doen en dat, indien zij gegrond worden bevonden, het risico van het verlies van verzoeksters eigendom alsnog afgewend zal kunnen worden; dat, zonder te moeten nagaan of de dreiging van het verlies van de betrokken eigendom een ernstig nadeel betekent voor de verzoekende partij, deze alleszins geen moeilijk te herstellen karakter heeft in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan één van de door artikel 17, §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
  4. Het verzoek tot tussenkomst van de stad Hasselt in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel
  5. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. X-12.738-4/5 Artikel
  6. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig maart 2006, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. J. CAMU, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CAMU. J. BOVIN. X-12.738-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.018 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.159 ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.673 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.