id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.021 Rolnummer: A. 118585/XIV-9224 Zaak: Arrest 157021 - - 28/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-04 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 15:39 Fiche Arrest nr 157.021 van 28 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.021 van 28 maart 2006 in de zaak A. 118.585/XIV-
- In zake : XXX, wonende te O. tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 22 maart 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 februari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 januari 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 28 maart 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 16 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-9224-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DEKUYPER, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van Armeense nationaliteit, komt België binnen op 18 december 2001 en verklaart zich vluchteling op 4 januari
- 1.
- Op 18 januari 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 20 februari 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen voornoemde beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing : “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaart Armeens staatsburger en van Armeense origine te zijn. Op 17 december 2000 verliet u samen met uw moeder, Petrosyan Gayane (OV 5.061.485), uw land om een tijdje onder te duiken bij een familielid in Georgië. Aanleiding waren de problemen van uw broer, (OV 5.061.448), die omwille van zijn engagement bij de beweging van Arkadi Vardanyan, vervolgd werd. Uw broer en uw vader, (OV 5.061.485) verlieten Armenië eveneens op 17 december 2000, maar zij vluchtten naar België waar ze op 27 december 2000 asiel aanvroegen. In februari 2001 keerde u met uw moeder terug naar Armenië. Vanaf eind februari 2001 werden u en uw moeder echter regelmatig aangesproken over uw broer en uw vader. Dit gebeurde zowel door autoriteiten als door onbekenden. Ze dreigden er mee u naar het leger te sturen als u niet zei waar uw broer en vader zich schuilhielden. U werd hierbij geslagen en éénmaal liet men een hond u verwonden. U werd geconvoceerd door het militair commissariaat. Begin juni 2001 contacteerden jullie uw vader en broer. Ze raadden u aan naar België te komen. In afwachting dat een kennis van uw vader jullie vertrek regelde, zijn jullie tot 12 december 2001 bij een vriendin van uw moeder ondergedoken. Op 12 december 2001 verlieten jullie Armenië. Op 18 december 2001 kwam u samen met uw moeder toe in België. Op 4 januari 2002 heeft u asiel aangevraagd bij de Belgische autoriteiten. U bent in het bezit van uw geboorteakte, studentenkaart, attest van medische geschiktheid voor de legerdienst, en een convocatie voor het militair commissariaat. XIV-9224-2/7 Aangezien uit uw verklaring voor de Dienst Vreemdelingenzaken en uw verzoekschrift tot dringend beroep reeds duidelijk blijkt dat uw asielaanvraag onontvankelijk is, ben ik van oordeel dat het niet nodig is u op opnieuw te horen. Uit uw asielrelaas blijkt immers dat u uw asielrelaas steunt op de motieven welke zijn aangebracht door uw broer,. Ook de door u aangehaalde persoonlijke problemen (zo werd u bedreigd en mishandeld door personen die op zoek waren naar uw broer) zijn rechtstreeks verbonden met deze eerder door uw broer aangehaalde feiten. Aangezien voor het door hem ingediend dringend beroep omwille van het bedrieglijk karakter van zijn asielrelaas, een bevestigende beslissing van weigering van verblijf is genomen, dient ook voor u een bevestigende beslissing van weigering van verblijf te worden genomen. Bijgevolg kan er in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève, worden vastgesteld. De door u neergelegde documenten (geboorteakte, studentenkaart en attest van medische geschiktheid convocatie voor het militair commissariaat) kunnen bovenstaande conclusie niet in een ander daglicht plaatsen. Ook wat betreft de asielaanvraag van uw ouders (O.V. 5.061.485) werd een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen.”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert : “
- EERSTE MIDDEL. Schending van de motiveringsplicht voorgeschreven door art. 62 van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980 en door de art. 2 en 3 van de Motiveringswet van 29/07/
- Het is duidelijk, dat de beslissing heel mank is tot stand gekomen. Eerste Onderdeel. 1.
- Van het dossier is geen enkele inventaris aan te treffen in het dossier zelf, zoals het ter inzage én afschrift ter beschikking is gesteld op het CGVS. Zo heeft de heer Commissaris-Generaal in zijn eindbeslissing ten gronde nagelaten de procedurestukken in detail te vermelden op basis waarvan hij tot zijn besluit komt. Een exacte controle van het dossier is aldus onmogelijk. Tweede onderdeel. 1.
- Door het ontbreken van een chronologische inventaris van alle procedurestukken, correspondentiestukken en overtuigingsstukken (er zijn er heel wat neergelegd door betrokkene én door zijn familie) is het onmogelijk een exacte controle van het dossier te doen. Aan het dossier zijn wel (onvolledige) franse vertalingen toegevoegd, maar zonder enige datum ervan en zonder datum van neerlegging. Op welk moment waren die ter beschikking ? Dit is niet na te gaan. Derde onderdeel. 1.
- Van het verhoor op de DVZ werd aan betrokkene geen kopie afgeleverd, zodat deze nooit in de mogelijkheid is geweest om eventuele foute noteringen te doen corrigeren en desnoods nog aanvullingen te verrichten. Het belang is des te groter, gezien de CGVS geen verhoor in dringend beroep heeft gehouden. Dit DVZ-verhoor werd op vraag van ondervrager overigens eerder beperkt gehouden. De meest recente gebeurtenissen (dus in het jaar 2001) waren nochtans doorslaggevend om ook te vluchten. Gezien geen CGVS-verhoor plaats had, heeft hij zijn volledige verhaal niet kunnen vertellen (in het klassieke vraag- en antwoordsysteem dat aldaar gehanteerd wordt). De CGVS bestempelt de aanvraag van betrokkene als "kennelijk ongegrond" daartoe verwijzend naar de beslissing in hoofde van zijn broer Michaël, waarvan de aanvraag overigens volkomen onterecht - als "bedrieglijk" wordt afgewezen (op grond van "tegenstrijdigheden", die evenwel enerzijds onbenullig van aard zijn daar zij de grond van de asielaanvraag zelf niet aantasten en die anderzijds tot stand komen in een rapport, dat in het Nederlands is opgesteld na een vertaling van gezegdes vanuit het Armeens en dat niet eens na de redactie ervan wordt voorgelezen en zelfs door niemand ondertekend). In de hiernavolgende onderdelen wordt een en ander aangeklaagd. XIV-9224-3/7 Vierde onderdeel. 1.
- De tolk op de DVZ blijkt helemaal geen eed te hebben afgelegd, zelfs de identiteit blijft onbekend : de DVZ-tolk tekent met een onleesbare handtekening (enkel "Karine" staat vermeld). Dit laat de mogelijkheid open, dat de beroepsernst en de verantwoordelijkheidszin van de tolk in kwestie niet optimaal is, gezien iedere controle achteraf onmogelijk is. Daarbij weze uitdrukkelijk opgemerkt, dat tijdens het DVZ- verhoor een raadsman niet toegelaten is. De aanwezigheid van een raadsman vergroot toch enigszins de kans op correcte vertalingen. Ondergetekende laat hic et nunc ook gelden, dat de Armeense tolken zich globaal een uiterst bedenkelijke reputatie hebben weten te verwerven door ongehoord slechte vertalingen. Vijfde onderdeel. 1.
- Door zich te (te) vergenoegen met een verwijzing naar het dossier van zijn broer Michaël en de beslissing daarin, als zou zijn aanvraag gebaseerd zijn op "de motieven welke zijn aangebracht door u broer,". Dit strookt niet met de gegevens van het dossier van betrokkene. Hij heeft zelf een, weze het beperkte, politieke activiteit gehad als student. Bovendien werd hij na zijn terugkeer naar Armenië nog persoonlijk in het gedrang gebracht. Er is zijn eigen DVZ-verhoor en er is zijn eigen beroepsakte. De CGVS had hem minstens de kans moeten laten om in een verhoor zijn persoonlijke vrees voor terugkeer duidelijk te maken. De bestreden beslissing komt derhalve niet tot stand conform de wet. Een juridische motivering i.v.m. de werkelijke weigeringsgronden ontbreekt volkomen. Betrokkene heeft een eigen tekst gemaakt, die hier volgt : Het verslaag van XXX Tot mijn vertrek uit Armenië studeerde ik in de Staats Universiteit als ingenieur. Voor de demonstratie op 30 oktober heb ik pamfletten en het boek brochure over ARKADI VARDANJAN uitgedeeld. Ik heb geen deel genomen aan de demonstratie. Na die demonstratie was mijn broer vaak niet thuis. Als reden gaf hij dat hij in Jerevan verbleef. Mijn vader sprak met mijn broer alleen en ik werd niet ingelicht dit bleef zo duren tot 16 december. Mijn vader zei dat we Armenië moesten verlaten en dat we in gevaar liepen. Ik had mijn proefwerken afgelegd en bereide me voor de examens. De volgende dag 's morgens vertrokken we uit Armenië. Mijn vader samen met mijn broer bleven in de kleine luchthaven van Armenië. Ik met mijn moeder vertrokken naar de familie van mijn oom in Georgië. In het midden van de maand februari keerden we terug naar Armenië met gedacht dat alles genormaliseerd zou zijn. Ik had ook examens die semester. Begin maart legde ik mijn examens af en ging ik terug naar de school. Alles leek in orde te zijn tot 30 april. Die dag kwamen drie politieagenten tegen vijf uur 's morgens langs. Mijn moeder deed de deur open en ze vielen binnen. Ik werd uit mijn bed gesleurd, geslagen en op de vloer geworpen. Ze zeiden dat ze een nieuwe informatie beschikten over de terugkeer van mijn vader en broer. Ze vonden niets en sloegen alles stuk en gingen terug weg. Na die voorval bleef ik twee weken thuis door mijn verwondingen en angst die ik had. Op 14 mei zei de decaan dat ik geschorst ben van de universiteit. Hij gaf als reden mijn afwezigheid op school. Maar die aantal dagen waren niet voldoende voor de schorsing volgens de wet voorziet van een ander termijn. Mijn moeder zei dat de rechercheur zijn beloftes naleeft. Paar dagen later kreeg ik een leger oproepingsbrief thuis gebracht voor de 23 mei. Mijn moeder zei dat ze in beroep zal gaan. Op vijf juni om 10 uur werden we opnieuw gearresteerd. We werden naar Jerevan gebracht op het politiebureau. We werden in aparte kamers ondervraagd. Ik werd bedreigd. De politie zei me daar te houden tot de terugkeer van mijn vader en broer. Om dit te bewijzen lieten ze een hond op me los. De hond beet in mijn been en dan trokken ze de hond terug. Mijn moeder vroeg een advocaat aan en wenste iemand van de mensenrechten organisatie te spreken. Ze grijnsden en gaven haar een stuk papier om haar verklaring. Ze vroegen de verblijfplaats van mijn vader en broer. Mijn moeder beloofde bij een informatie hun op de hoogte te houden. Ze lieten ons een document tekenen over ons huisarrest. De zelfde dag contacteerde we mijn vader. Hij zei dat we moesten onderduiken tot dat hij via zijn vriend ons Armenië kon helpen verlaten. De volgende dag op zes juni hebben we het noodzakelijke ingepakt en zijn bij de vriendin van mijn moeder ingetrokken. Daar bleven we tot 12 december. We zijn vanuit Jerevan XIV-9224-4/7 naar Minsk gereisd. Enkele dagen verbleven we in Brest. OP 18 december arriveerden we in België. De motivering van de CGVS is derhalve niet aanvaardbaar met het oog op het recht, d.w.z. het hanteren van de juiste wettelijke grond en de juiste interpretatie van de wet. Alleszins zijn met de hic et nunc beslissing de grenzen van de redelijkheid overschreden. De zogeheten tegenstrijdigheden en onnauwkeurigheden, die de CGVS meende te moeten constateren in een totaal ander dossier, namelijk dat van zijn broer, zijn niet evident genoeg, het gaat uiteindelijk om details die de kern van het verhaal en dus de aanvraag niet aantasten : betrokkene zelf was zonder enige twijfel een actief voorstander van een politicus en precies daardoor kwam hij in moeilijkheden. Zijn broer was zelf ook actief als student. Juist daarom werden zij allebei belaagd en bedreigd. Ook hun vader kwam door zijn politiek engagement in problemen. Daarbij was een politiebescherming, gelet op de clanvorming en de corruptie in hun land, niet mogelijk. Betrokkene weet trouwens van wanten, hij komt uit een juristenfamilie.”; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker niet concreet aantoont hoe de manier waarop de bestreden beslissing is totstandgekomen een negatieve invloed heeft gehad op de motivering ervan; dat de procedure voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve procedure en geen jurisdictionele procedure is; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van een mondeling verhoor kon afzien indien hij van oordeel was voldoende ingelicht te zijn over de ware toedracht van de zaak; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beweegreden om verzoeker niet te horen uitdrukkelijk heeft uiteengezet in de bestreden beslissing, namelijk dat uit verzoekers verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken en uit het dringend beroep duidelijk blijkt dat zijn asielaanvraag onontvankelijk is; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de bestreden beslissing heeft vastgesteld dat uit verzoekers relaas blijkt dat zijn asielrelaas steunt op de motieven, aangebracht door zijn broer; dat hij overweegt dat ook verzoekers persoonlijke problemen (bedreigd en mishandeld door personen die op zoek waren naar zijn broer) rechtstreeks zijn verbonden met de eerder door zijn broer aangehaalde feiten; dat, aangezien in de zaak van verzoekers broer een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf werd genomen, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen besluit dat er ook ten aanzien van verzoeker een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf moet worden genomen; dat verzoeker aanvoert dat voormelde vaststellingen niet overeenstemmen met de gegevens van het administratief dossier; dat hij aanvoert dat hij een politieke activiteit heeft gehad als student en dat hij bij zijn terugkeer naar Armenië nog “persoonlijk in het gedrang werd gebracht”; dat dient vastgesteld dat de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen namelijk dat verzoeker zijn asielrelaas steunt op de motieven, aangebracht door zijn broer, overeenstemt met de gegevens van het administratief dossier; dat de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet kennelijk onredelijk is; dat voor zover verzoeker aanvoert dat hij als student (beperkte) politieke activiteiten uitoefende, kan worden gesteld dat hij dit gegeven noch op de Dienst Vreemdelingenzaken, noch in zijn dringend beroepschrift heeft vermeld; dat, wat de problemen ná zijn terugkeer naar Armenië betreft, kan worden verwezen naar de bestreden XIV-9224-5/7 beslissing, waarin de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vaststelt dat die problemen rechtstreeks verbonden zijn met de door zijn broer aangehaalde feiten; dat verzoeker niet aantoont dat hij nog andere persoonlijke motieven heeft, die losstaan van de problemen van zijn broer en die niet door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werden omkleed; dat de bestreden beslissing afdoende is gemotiveerd door te verwijzen naar de weigeringsbeslissing die door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd genomen ten aanzien van de asielaanvraag van verzoekers broer, gelet op de feitelijke gegevens van de zaak; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert : “
- TWEEDE MIDDEL. Schending van de voorziene taalregeling, het art. 51/4 van de Vreemdelingenwet van 15.12.
- Door betrokkenes overtuigingsstukken niet te voorzien van een volledige Nederlandse vertaling blijven deze stukken in feite deels onvertaald en in een andere taal dan de proceduretaal in het dossier. Deze stukken aanwenden of eventueel zelfs niet aanwenden om tot de besluitvorming te komen betekent meteen de ingebouwde taalregeling niet naleven. Het gaat om stukken die duidelijk de lijdensweg én de gegrondheid van de aanvraag van betrokkene aantonen. Zi(e)daar het belang ervan. Er wordt ook opgemerkt, dat de ondervrager niet noodzakelijk alle bewoordingen in het Frans correct begrijpt. Een voorbeeld uit de praktijk : een "jurist"-in-opleiding vroeg aan zijn "opleider" in een verhoor van een Albanese vluchteling (in het bijzijn van ondergetekende) wat het woord "interprète" betekent...”; 2.2.
- Overwegende dat in artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen geen op de overheid rustende verplichting kan worden gelezen om anderstalige geschreven stukken die door de asielaanvrager worden ingediend in de taal van de procedure om te zetten; dat het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. XIV-9224-6/7 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig maart tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-9224-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.021 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.