id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.037 Rolnummer: A. 170026/XII-4642 Zaak: Arrest 157037 - - 28/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-04 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 15:43 Fiche Arrest nr 157.037 van 28 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.037 van 28 maart 2006 in de zaak A. 170.026/XII-
- In zake : Arlette DE KOCK, die woonplaats kiest bij advocaat F. Delporte, kantoor houdende te Kuurne, Koning Albertstraat 13 tegen : de SCHOLENGROEP 18, die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Amerikalei 220, bus
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Arlette De Kock op 7 februari 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 25 januari 2006 van de raad van bestuur van Scholengroep 18 van het Gemeenschapsonderwijs, waarbij zij preventief wordt geschorst met ingang van 27 januari 2006; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekster de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door auditeur D. Mareen op grond van artikel 94 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door auditeur D. Mareen; XII-4642-1\6 Gelet op de beschikkingen van 8 maart 2006 houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 maart 2006; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Delporte, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat J. Fransen, die loco advocaat M. Stommels verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Feitelijke gegevens
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Verzoekster is vast benoemd lerares secundair onderwijs in de middenschool van Lokeren. Op 25 oktober 2004 wordt haar de evaluatie “onvoldoende” toegekend, die gehandhaafd blijft op 18 november
- Op 9 of 10 november 2005 wordt haar opnieuw de evaluatie “onvoldoende” toegekend, waartegen zij beroep aantekent bij de raad van beroep. Op 25 januari 2006 overweegt de raad van bestuur van de scholen- groep dat verzoekster als gevolg van deze evaluaties en de procedure hangende voor de raad van beroep “in de school volledig de pedalen verloren heeft”, dat “er sprake is van een ernstige ordeproblematiek”, dat verzoekster “bij steeds meer incidenten betrokken raakt”, “en wel in die mate dat de werking van de MS Lokeren onmogelijk XII-4642-2\6 wordt” - en beslist de raad van bestuur vervolgens om verzoekster preventief te schorsen met ingang van 27 januari 2006 voor zes maanden. Op 27 januari 2006 wordt de beslissing tegen ontvangstbewijs aan verzoekster overhandigd, waarbij de algemeen directeur haar meedeelt dat zij gehoord zal worden op de vergadering van de raad van bestuur van 22 februari
- Bij aangetekend schrijven van 3 februari 2006 wordt verzoekster opgeroepen voor de hoorzitting op 22 februari 2006; Ten gronde
- Overwegende dat verzoekster als “eerste” (maar ook enig) middel de schending aanvoert van artikel 59 van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (hierna: rechtspositiedecreet) en van artikel 16 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en de tucht in het gemeenschapsonderwijs (hierna : tuchtbesluit), alsmede van het recht gehoord te worden als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; dat zij onder meer toelicht dat zij nooit een uitnodiging kreeg om gehoord te worden, dat vooraleer de preventieve schorsing wordt opgelegd de raad van bestuur haar nochtans moest horen en er ten minste, in geval van hoogdringendheid, de verplichting is om haar onverwijld te horen; dat verzoekster vaststelt dat de bestreden beslissing refereert aan de hoogdringendheid en daaruit afleidt dat dienovereenkomstig de procedure van artikel 16, § 4, eerste lid, van het tuchtbesluit gevolgd had moeten worden terwijl geen enkele poging werd ondernomen om haar onverwijld te horen; dat zij ook nog betwist of van hoogdringendheid wel sprake is;
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota in de schorsingsprocedure vooreerst opmerkt dat verzoekster gehoord zal worden, waarna de raad van bestuur een nieuwe beslissing zal treffen zodat de vraag rijst of verzoekster nog wel belang bij de vordering behoudt; Overwegende dat verwerende partij ter terechtzitting als actualisering van het dossier stukken neerlegt en toelicht, waaruit blijkt dat verzoekster op 22 februari 2006 is gehoord door de raad van bestuur en dat eensdeels, de raad van bestuur “beslist de preventieve schorsing uitgesproken bij XII-4642-3\6 hoogdringendheid op 25 januari 2006 te bevestigen maar de schorsing bij hoogdringendheid te beëindigen op 22 februari 2006” en, anderdeels, de raad van bestuur beslist om verzoekster “preventief te schorsen m.i.v. 23 februari 2006, tot de dag na de kennisgeving van de uitvoering door de Raad van Bestuur van de beslissing van de Raad van Beroep inzake de toegekende evaluaties ‘onvoldoende’”; Overwegende dat verzoeksters raadsman ter terechtzitting repliceert dat er vragen kunnen rijzen of de preventieve schorsing met ingang van 23 februari 2006, waartoe de raad van bestuur besloten heeft op 22 februari 2006, als een “nieuwe” beslissing te begrijpen is, maar dat hoe dan ook in de huidige procedure enkel de beslissing van 25 januari 2006 binnen de bevoegdheid van de Raad van State is gebracht; Overwegende dat de Raad van State wat het voorwerp van de zaak betreft de conclusie van deze repliek bijvalt, wat onmiddellijk betekent dat de Raad zich niet over de vraagstelling naar de beslissing van 22 februari 2006 moet of mag uitspreken in zoverre die de preventieve schorsing oplegt vanaf 23 februari 2006; dat, nu de raad van bestuur de thans bestreden beslissing op 22 februari 2006 uitdrukkelijk heeft bevestigd, wel duidelijk is dat de in haar nota tentatief geformuleerde exceptie van verwerende partij over verzoeksters belang zonder grond is;
- Overwegende dat verwerende partij ten gronde op het middel antwoordt : verzoekster is reeds op 27 januari 2006 mondeling en op 3 februari 2006 schriftelijk uitgenodigd voor een hoorzitting op 22 februari 2006; tot heden heeft geen enkele wettelijke bepaling het begrip “onverwijld” ingevuld; “onverwijld” betekent “zonder uitstel”; verzoekster is uitgenodigd “op de eerste daartoe nuttige vergadering van de Raad van Bestuur”, namelijk op 22 februari 2006; bij de planning van vergaderingen moet rekening worden gehouden met de quorumvereiste en zo “is het niet zo gemakkelijk om een vergadering te beleggen, waarop voldoende leden kunnen aanwezig zijn”; Overwegende dat verwerende partij ter terechtzitting nogmaals de praktische redenen herhaalt, zijnde de “drukke bezigheden van de leden van de raad van bestuur”; XII-4642-4\6
- Overwegende dat artikel 16, § 4, van het tuchtbesluit, waarvan de toepasselijkheid te dezen niet wordt betwist, het volgende voorschrijft : “Vooraleer de preventieve schorsing wordt opgelegd, hoort de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder het personeelslid. De redenen om over te gaan tot een preventieve schorsing worden ten laatste vier werkdagen, voorafgaand aan dit verhoor, schriftelijk meegedeeld aan het personeelslid. In hoogdringende gevallen kan de raad van bestuur de preventieve schorsing onmiddellijk uitspreken met de verplichting het personeelslid onverwijld te horen.”;
- Overwegende dat artikel 16, § 4, van het tuchtbesluit vooreerst het beginsel stelt dat het horen van het personeelslid aan de preventieve schorsing moet voorafgaan en het achteraf horen slechts als uitzondering toelaat in hoogdringende gevallen; dat die vaststelling op zich reeds laat verstaan dat ter vrijwaring van het recht om gehoord te worden, het horen achteraf zo snel als mogelijk moet geschieden, ten einde niet méér dan nodig af te wijken van het beginsel zelf; dat voorts, zo de term “onverwijld” wettelijk niet nader is omschreven, dit betekent dat de decreetgever er de spraakgebruikelijke betekenis aan heeft willen geven; dat “onverwijld” betekent, volgens de veertiende uitgave van het van Dale groot woordenboek van de Nederlandse taal, “niet uitgesteld, dadelijk plaatshebbend”; dat -daargelaten nog de vaststelling dat de agenda’s van de leden van de raad van bestuur door verwerende partij niet eens worden overgelegd, zodat de Raad niet eens in de mogelijkheid wordt gesteld de bewering te beoordelen dat een eerdere vergaderdatum onmogelijk was- een schoolbestuur zich zo dient te organiseren dat het de op hem rustende verplichtingen nakomt, desnoods door bijzondere vergaderingen te beleggen; dat drukke bezigheden van de raadsleden kennelijk geen verontschuldiging kunnen vormen voor een horen op 22 februari 2006, terwijl dit te rekenen vanaf 26 januari 2006 in principe niét uitgesteld mag worden en dadelijk moet plaatshebben; dat het middel minstens in de besproken mate kennelijk gegrond is, zonder dat nog dient te worden onderzocht of de hoogdringendheid terecht is ingeroepen;
- Overwegende dat het annulatieberoep kennelijk gegrond is; De vordering tot schorsing
- Overwegende dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de door verzoekster ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geen voorwerp meer heeft, XII-4642-5\6 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 25 januari 2006 van de raad van bestuur van Scholengroep 18 van het Gemeenschapsonderwijs, waarbij Arlette de Kock preventief wordt geschorst met ingang van 27 januari
- Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig maart 2006, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4642-6\6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.037 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.