id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.096 Rolnummer: A. 129613/VII-36574 Zaak: Arrest 157096 - - 29/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-11 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 15:49 Fiche Arrest nr 157.096 van 29 maart 2006 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 157.096 van 29 maart 2006 in de zaak A. 129.613/XIV-12.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. GROUWELS, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Ad. Lacomblélaan 59-61, bus 5, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 28 oktober 1975 en van Sri Lankaanse nationaliteit, op 21 november 2002 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 maart 2002 waarbij verzoeker wordt uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, aan verzoeker ter kennis gebracht op 22 oktober
- Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling- en; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door Auditeur M. STERCK; Gelet op de kennisgeving van dat voorlopig advies aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 26 oktober 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-12.684-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. GROUWELS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De terzake dienende gegevens van de zaak: 1.
- Verzoeker heeft zich op 24 mei 2005 vluchteling verklaard (adm. dossier, stuk 1). Op 5 juni 1997 heeft de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing genomen dat verder onderzoek noodzakelijk is (adm. dossier, stuk 33). Op 2 augustus 1999 werd verzoeker door de Commissaris-generaal opgeroepen voor verhoor. Tot op heden heeft de Commissaris-generaal nog geen beslissing genomen omtrent de al dan niet erkenning van de hoedanigheid van vluchteling van verzoeker. 1.
- Op 21 januari 2000 heeft verzoeker een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, meer in het bijzonder op basis van artikel 2,2/ van de Regularisatiewet. 1.
- Op 10 oktober 2000 stelde het secretariaat van de Commissie voor regularisatie vast dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig was, en zond de aanvraag met een negatief advies voor beslissing over aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Bij schrijven van 18 oktober 2000 werd aan verzoeker meegedeeld dat hij over een termijn van drie dagen, na kennisgeving van dit negatief advies, beschikte om zijn standpunt uiteen te zetten aan de Minister. 1.
- Op 23 oktober 2000 richtte de toenmalige Advocaat van verzoeker een schrijven met bijkomende stukken naar de Minister van Binnenlandse Zaken. 1.
- Verzoeker is door de Commissie voor Regularisatie op 17 januari 2001, bijgestaan door een Advocaat, gehoord. Ter zitting heeft verzoeker de uitbreiding van zijn aanvraag naar artikel 2, 1/ van de Regularisatiewet gevraagd. 1.
- De 3de Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft op 16 mei 2001 een gunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. XIV-12.684-2/5 1.
- Op 22 maart 2002 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot uitsluiting van verzoeker van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. 1.
- Dit is de thans bestreden beslissing die als volgt luidt: “(...) Gelet op de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij de wetten van 28 juni 1984, 14 juli 1987, 18 juli 1991, 6 mei 1993, 10 en 15 juli 1996, 9 maart 1998, 29 april 1999 en 7 mei
- Gelet op de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. inzonderheid de artikelen 5 en 14; Gelet op het artikel 8 van het Europese Verdrag ter Vrijwaring van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden; Gelet op de regularisatieaanvraag ingediend op 18 januari 2000, door XXX, geboren op 28.10.1975, te Jaffna, van Sri Lankaanse nationaliteit: Overwegende dat betrokkene zijn regularisatieaanvraag heeft gemotiveerd op basis van criterium 2 zijnde in de onmogelijkheid verkeren om naar zijn land van herkomst terug te keren; Overwegende dat hij op 23.05.1997 voor het eerst in het land kwam, op 24.05.1997 het statuut van vluchteling aanvroeg; Overwegende dat op 27.05.1997 de Dienst Vreemdelingenzaken hem de beslissing (van) weigering van toegang tot het grondgebied met terugdrijving betekende, hij hiertegen in beroep ging en dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen zijn asielaanvraag op 05.06.1997 ontvankelijk verklaarde en een onderzoek ten gronde startte, een onderzoek dat nog steeds lopende is; Overwegende dat hij door de Veiligheid van de Staat in verband wordt gebracht met Tamil- netwerken die zich in België specialiseren in de smokkel van illegalen naar Europa en meer bepaald het Verenigd Koninkrijk; Overwegende dat uit het voorgaande feit blijkt dat hij de openbare orde schaadt, Overwegende dat dienvolgens hij een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid betekent. BESLIST: - XXX (geboren) op 28.10.1975, te Jaffna, van Sri Lanka nationaliteit, is uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk en zal kunnen verwijderd worden van het Rijk nadat zijn asielprocedure is afgesloten. (...).”.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voornoemd artikel 17, § 2, betreft, verzoeker in een eerste middel in essentie de schending aanvoert van de formele en de materiële motiveringsplicht en van artikel 5 van de Regularisatiewet; Overwegende dat op het eerste gezicht de bestreden beslissing steunt op één determinerend motief dat als volgt luidt: XIV-12.684-3/5 “Overwegende dat hij (verzoeker) door de veiligheid van de Staat in verband wordt gebracht met TAMIL-netwerken die zich in België specialiseren in de smokkel van illegalen naar Europa en meer bepaald het Verenigd koninkrijk; Overwegende dat uit het voorgaande feit blijkt dat hij de openbare orde schaadt; Overwegende dat hij dienvolgens een gevaar voor de openbare orde en de nationale veiligheid betekent” Overwegende dat het perfect mogelijk is voor de verwerende partij om voornoemd motief te concretiseren en te actualiseren, gelet op het tijdsverloop tussen de bestreden beslissing en het in staat stellen van de zaak voor de Raad van State; dat verzoeker blijkbaar enkel beschikt over een verhoor door de politie van Antwerpen in het kader van een niet nader gepreciseerd gerechtelijk vooronderzoek; dat dit verhoor werd vastgelegd in een proces-verbaal dat dateert van 6 februari 2001; dat, hoewel het niet wenselijk lijkt dat de diensten van de Staatsveiligheid hun bronnen prijsgeven in het belang van de handhaving van de interne en externe veiligheid van de Staat, het op het eerste gezicht niet aannemelijk is dat voormeld determinerend motief geen steun vindt in een ander dossierelement dat zou toelaten meer zicht te krijgen op wat verzoeker uiteindelijk eventueel zou kunnen worden ten laste gelegd; dat met verzoeker wordt aangenomen dat voornoemd motief op het eerste gezicht niet afdoend is; dat op dit ogenblik prima facie niet vaststaat dat verzoeker een gevaar zou kunnen betekenen voor de openbare orde of voor de nationale veiligheid; Overwegende dat het eerste middel in de hiervoor bepaalde mate ernstig is; dat is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat het tweede middel vooralsnog niet moet worden onderzocht, gelet op het feit dat dit middel niet tot een ruimere nietigverklaring in een later stadium van de procedure kan leiden; 2.
- Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van voornoemd artikel 17, § 2, betreft, het moeilijk te herstellen nadeel in essentie bestaat in de rechtsonzekerheid waarin verzoeker zich nu al jaren bevindt en waaraan een einde kan worden gemaakt door de verwerende partij door een duidelijk en eenduidig gemotiveerd standpunt in te nemen; dat hetzelfde trouwens geldt voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, dat te dezen evenwel geen tegenpartij is; dat tenslotte het openbaar belang gediend is door een duidelijke stellingname door de verwerende partij in verband met de huidige verblijfssituatie van verzoeker; dat de eventuele intrekking van een weigeringsbeslissing en het nemen van een nieuwe gemotiveerde beslissing door de verwerende partij, ongeacht de strekking van deze beslissing, het moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan verhelpen; dat is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, § 2, BESLUIT: XIV-12.684-4/5 Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 maart 2002 waarbij verzoeker wordt uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Artikel
- De kosten worden in beraad gehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig maart tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-12.684-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.096 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.