id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.097 Rolnummer: A. 132471/XIV-13676 Zaak: Arrest 157097 - - 29/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-12 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 15:50 Fiche Arrest nr 157.097 van 29 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.097 van 29 maart 2006 in de zaak A. 132.471/XIV-13.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. MEULEMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Koningin Astridlaan 143 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 25 november 1960, en XXX, geboren op 8 juni 1966, beiden met Azerbeidzjan (Nagorno-Karabach) als land van verblijf en van Armeense origine, op 23 januari 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 december 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 1 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 4 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 20 augustus 2004, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 23 augustus 2004; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-13.676-1/8 Gelet op de beschikking van 10 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 22 februari 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-Afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen komen België binnen op 25 september 2000 en verklaren zich vluchteling op 26 september
- 1.
- Op 1 februari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 24 december 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. Dit zijn de bestreden beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten opzichte van XXX, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, geboren en getogen te Begun-Sarov (Nagorno-Karabach, Azerbeidjan) en van Armeense origine kende problemen omwille van hiernavolgende redenen. U en uw echtgenote XXX werden op 15 maart 1989 door het Azeri leger uit Begun-Sarov verdreven. Vanaf 1988 was de etnische spanning tussen de Azeri en de Armeense gemeenschap langzaam opgelopen. Bij de evacuatie op 15 maart 1989 liet één van uw twee kinderen het leven, nadat jullie onder geweervuur kwamen te XIV-13.676-2/8 liggen. U trok hierop met uw echtgenote XXX en uw zoon V. naar Kislovodsk (Russische Federatie) waar jullie tickets kochten om naar Oekraïne te reizen. In Oekraïne installeerde uw familie zich in Nikopol. U deed er verschillende pogingen, tevergeefs, om nieuwe documenten en een propiska te bekomen, aangezien uw USSR-paspoort door de Azeri militairen werd ingehouden. Na de onafhankelijkheid van Oekraïne begon u problemen te krijgen met de politie, aangezien u in niet- legale toestand in het land verbleef. U werd in Nikopol regelmatig aangehouden door de politie omdat u niet over de nodige documenten beschikte. Om deze reden werd u in november of december 1995 gedurende één maand opgesloten door de politie. In mei 1996 verhuisde u van Nikopol naar Marganets, omdat uw huisbaas niet langer een appartement aan illegalen wenste te verhuren. In Marganets werd u in december 1998 gedurende 10 dagen va(s)tgehouden door de politie wegens het ontbreken van uw documenten. In de lente van 2000 deed u klusjes voor een zekere Pjotr. Naderhand weigerde hij u het overeengekomen bedrag te betalen. Nadat u hem gevraagd had om te betalen, kreeg u op 9 juni 2000 bezoek van twee van Pjotr’s handlangers, die u in elkaar sloegen. U hield hier verschillende verwondingen aan over. Op 10 juni 2002 ging u daarom bij de politie langs om klacht in te dienen tegen Pjotr. U werd echter aangehouden omwille van uw illegale toestand. U werd tien dagen lang opgesloten. U werd door de agenten eveneens geslagen. Na tien dagen verscheurde u de klacht die u tegen Pjotr had opgesteld. Bij uw vrijlating kreeg u een bevel om het land te verlaten binnen de 48 uur. U dook onder met behulp van uw werkgever, en woonde gedurende vier maanden in Dnepopetrovsk. U verliet Oekraïne op 22 september 2000, tezamen met uw echtgenote en uw minderjarige zoon V.. U bereikte België op 25 september
- U diende op 26 september 2000 uw asielaanvraag in. U bent in het bezit van een geboorteakte en twee documenten van de Oekraïense politie. U verklaarde (Commissariaat-generaal p.1, Dienst Vreemdelingenzaken pt.42) van uw geboorte tot 1989 in Azerbeidzjan gewoond te hebben. Hierna verbleef u tot 2000 in Oekraïne waar u er echter niet bent in geslaagd uw verblijfstoestand te legaliseren. (Commissariaat-generaal p.6-11; zie ook twee door u neergelegde documenten van de Oekraïense politie). Deze feiten in acht genomen wordt uw asielaanvraag beoordeeld ten aanzien van Azerbeidzjan, het laatste land waar u legaal heeft verbleven. Bijgevolg dient te worden opgemerkt dat uw vrees voor vervolging, zoals bepaald in artikel 1A
(2)van de Conventie van Genève, niet dient worden afgewogen ten aanzien van Oekraïne. In het kader van de toetsing van uw asielmotieven aan de vluchtelingenconventie kunnen de door u ingeroepen feiten in Oekraïne bijgevolg niet in aanmerking worden genomen. Met betrekking tot de problemen die u in Azerbeidzjan (Nagorno-Karabach) kende, dient te worden vastgesteld dat de verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de Azeri troepen die u en uw familie dwongen Begun-Sarov te verlaten (zie Commissariaat-generaal p.4 : “Azeri’s wilden hun land zuiveren van vreemdelingen”). Ten gevolge van deze etnische zuiveringsacties vluchtte u naar Oekraïne. Uit informatie aanwezig op het Commissariaat-generaal, en waarvan een copie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat na uw vlucht de Armeense troepen de controle verworven hebben over het grondgebied van Nagorno-Karabach, hetgeen werd bekrachtigd door de wapenstilstand in het jaar 1994. De etnische origine van de bevolking van Nagorno-Karabach is op dit ogenblik zo goed als volledig homogeen Armeens. In de gegeven omstandigheden is er géén enkele reden om aan te nemen dat u bij terugkeer naar Nagorno-Karabach omwille van één van de motieven aangehaald in de Vluchtelingenconventie risico op vervolging zou lopen. Uit bovenvermel- de informatie blijkt dat de etnische vervolging tegen de Armeense bevolking,waardoor uw vlucht veroorzaakt werd, immers volledig weggevallen is nu Nagorno-Karabach zich de-facto als een onafhankelijke republiek gedraagt waarbij er sprake is van Armeense invloed op het bestuur en het Armeense leger bescherming biedt. Verder blijkt uit deze informatie dat de Azerbaijaanse autoriteiten momenteel geen enkel zeggenschap meer over deze enclave hebben. Bijgevolg staat niets een terugkeer naar Nagorno-Karabach, buiten de rest van het grondgebied van Azerbeidzjan, in de weg en dient te worden besloten dat er in uw hoofde géén vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bepaald in artikel 1A
(2)van de Conventie van Genève, kan worden weerhouden. De door u ingediende documenten (geboorteakte, 2 politiedocumenten) vermogen aan bovenstaande conclusie géén afbreuk te doen, aangezien ze betrekking hebben op niet betwiste elementen. (...).”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten opzichte van XXX, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. XIV-13.676-3/8 Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, geboren en getogen te Begun-Sarov (Nagorno-Karabach, Azerbeidzjan) en van Armeense origine, kende problemen omwille van hiernavolgende redenen. U en uw echtgenoot XXX werden op 15 maart 1989 door het Azeri leger uit Begun Sarov verdreven. Diezelfde dag werd uw zoontje doodgeschoten door Azeri militairen. Uw paspoorten werden eveneens afgenomen. Tezamen met uw echtgenoot, XXX, en uw andere zoontje V. verliet u het land en trok naar Oekraïne. Jullie vestigden zich in de stad Nikopol. Uw echtgenoot probeerde er meermaals nieuwe documenten te verkrijgen, maar slaagde er niet in. Daarom kregen jullie er ook géén propiska. Nadat Oekraïne onafhankelijk werd, kregen jullie problemen met de politie omdat de documenten niet in orde waren. Uw echtgenoot werd daarom regelmatig meegenomen naar het politiebureau voor één of meerdere dagen. In november-december 1995 werd uw echtgenoot ongeveer 30 dagen opgesloten om diezelfde reden. Omwille van deze opsluiting waren jullie niet langer gewenst door de huisbaas. Daarom verhuisden jullie op 10 mei 1996 naar het dorp Marchens. Op 17 december 1998 werd uw echtgenoot meegenomen door de politie omdat hij geen documenten kon voorleggen. Gedurende tien dagen bleef hij opgesloten. In de lente van 2000 voerde uw echtgenoot werken uit voor een bepaald persoon. Na het beëindigen van deze klus weigerde hij uw echtgenoot het beloofde bedrag uit te betalen. Toen uw echtgenoot hierover opmerkingen maakte, vielen er op 9 juni 2000 twee mannen uw huis binnen en sloegen uw echtgenoot in elkaar. Ook uzelf kreeg klappen. Op 10 juni 2000 ging uw echtgenoot daarom naar de politie om aangifte in te doen. Hij werd evenwel zélf opgepakt en tot 23 juni 2000 vastgehouden. Bij zijn vrijlating kreeg hij een bevel om het grondgebied te verlaten. Nog diezelfde dag trokken jullie naar Dnepopetrosvk, waar jullie geholpen werden door de baas van uw echtgenoot. U verliet Oekraïne tezamen met uw echtgenoot en uw minderjarige zoon op 22 september 2000, en trok naar België, waar jullie op 26 september 2000 asiel aanvroegen. U bent in het bezit van een medisch attest, 2 politiedocumenten en een geboorteakte van uw echtgenoot. U verklaarde (Commissariaat-generaal p.1, Dienst Vreemdelingenzaken pt.42) van uw geboorte tot 1989 in Azerbeidzjan gewoond te hebben. Hierna verbleef u tot 2000 in Oekraïne waar u er echter niet bent in geslaagd uw verblijfstoestand te legaliseren. (Commissariaat-generaal p.4-7). Deze feiten in acht genomen wordt uw asielaanvraag beoordeeld ten aanzien van Azerbeidzjan, het laatste land waar u legaal heeft verbleven. Bijgevolg dient te worden opgemerkt dat uw vrees voor vervolging, zoals bepaald in artikel 1A
(2)van de Conventie van Genève, niet dient worden afgewogen ten aanzien van Oekraïne. In het kader van de toetsing van uw asielmotieven aan de vluchtelingenconventie kunnen de door u ingeroepen feiten in Oekraïne bijgevolg niet in aanmerking worden genomen. Met betrekking tot de problemen die u in Azerbeidzjan (Nagorno-Karabach) kende, dient te worden vastgesteld dat de verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de Azeri troepen die u en uw familie dwongen Begun-Sarov te verlaten (Commissariaat-generaal p.3). Ten gevolge van deze etnische zuiveringsacties vluchtte u naar Oekraïne. Uit informatie aanwezig op het Commissariaat-generaal, en waarvan een copie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat na uw vlucht de Armeense troepen de controle verworven hebben over het grondgebied van Nagorno-Karabach, hetgeen werd bekrachtigd door de wapenstilstand in het jaar 1994. De etnische origine van de bevolking van Nagorno-Karabach is op dit ogenblik zo goed als volledig homogeen Armeens. In de gegeven omstandigheden is er géén enkele reden om aan te nemen dat u bij terugkeer naar Nagorno-Karabach omwille van één van de motieven aangehaald in de Vluchtelingenconventie risico op vervolging zou lopen. Uit bovenvermelde informatie blijkt dat de etnische vervolging tegen de Armeense bevolking, waardoor uw vlucht veroorzaakt werd, immers volledig weggevallen is nu Nagorno-Karabach zich de-facto als een onafhankelijke republiek gedraagt waarbij er sprake is van Armeense invloed op het bestuur en het Armeense leger bescherming biedt. Verder blijkt uit deze informatie dat de Azerbaijaanse autoriteiten momenteel geen enkel zeggenschap meer over deze enclave hebben. Bijgevolg staat niets een terugkeer naar Nagorno-Karabach, buiten de rest van het grondgebied van Azerbeidzjan, in de weg en dient te worden besloten dat er in uw hoofde géén vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bepaald in artikel 1A
(2)van de Conventie van Genève, kan worden weerhouden. De door u ingediende documenten (medisch attest, 2 politiedocumenten, geboorteakte van uw echtgenoot) vermogen aan bovenstaande conclusie géén afbreuk te doen, aangezien ze betrekking hebben op niet betwiste elementen. (...).”. 2.
- Overwegende dat verzoekers in een enig middel de schending aanvoeren van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); van het Internationaal Verdrag betreffende de status van XIV-13.676-4/8 vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), meer bepaald van artikel 1; van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel en van de materiële motiveringsplicht; Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat het enige motief van de bestreden beslissing is, dat het Commissariaat-generaal over informatie beschikt waaruit blijkt dat na de vlucht van verzoekers, de Armeense troepen controle hebben verworven over Nagorno-Karabach en dat de etnische vervolging tegen de Armeense bevolking zou gestopt zijn; dat verzoekers menen dat de Commissaris-generaal toegeeft dat verzoekers gevlucht zijn omwille van etnische vervolging; dat verzoekers aanvoeren dat deze informatie indruist tegen meer recente informatie die verzoekers via het internet hebben verkregen; dat verzoekers menen dat de motiveringplicht werd geschonden omdat bepaalde documenten die verzoekers hebben voorgelegd niet werden besproken en dat er niet wordt gemotiveerd waarom deze documenten niet nuttig zouden zijn; dat verzoekers betogen dat de bestreden beslissingen evenmin een motivering bevatten aangaande hun Molokkaans geloof; 2.
- Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu ten opzichte van verzoeker tot deze conclusie is gekomen op basis van volgende motieven: - verzoeker woonde van zijn geboorte tot in 1989 in Azerbeidzjan, daarna verbleef hij tot 2000 in Oekraïne waar hij er niet in slaagde om zijn verblijfstoestand te legaliseren; de asielaanvraag van verzoeker wordt daarom beoordeeld ten opzichte van Azerbeidzjan, het laatste land waar hij legaal heeft verbleven; de asielmotieven die verzoeker heeft ingeroepen ten opzichte van Oekraïne worden niet in aanmerking genomen; - de verantwoordelijkheid voor de problemen die verzoeker kende in Azerbeidzjan (Nagorno-Karabach) ligt bij de Azeri-troepen die verzoeker en zijn familie dwongen om Begun-Sarov te verlaten, ten gevolge van deze etnische zuiveringsacties vluchtte verzoeker naar Oekraïne; uit informatie van het Commissariaat-generaal blijkt dat na de vlucht van verzoeker, de Armeense troepen de controle hebben verworven over het grondgebied van XIV-13.676-5/8 Nagorno-Karabach, wat werd bekrachtigd door de wapenstilstand van 1994; de etnische origine van de bevolking van Nagorno-Karabach is momenteel zo goed als volledig homogeen Armeens; er is dus geen enkele reden om aan te nemen dat verzoeker bij zijn terugkeer naar Nagorno-Karabach omwille van één van de motieven aangehaald in de vluchtelingenconventie een risico op vervolging zou lopen; - uit bovenvermelde informatie blijkt tevens dat de etnische vervolging tegen de Armeense bevolking volledig is weggevallen nu Nagorno-Karabach zich de facto als een onafhankelij- ke republiek gedraagt waarbij er sprake is van Armeense invloed op het bestuur en bescherming van het Armeense leger; - uit deze informatie blijkt ten slotte dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten momenteel geen zeggingschap meer hebben over deze enclave, zodat niets een terugkeer van verzoeker naar Nagorno Karabach in de weg staat en dat in hoofde van verzoeker geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging kan worden vastgesteld; - de door verzoeker ingediende documenten doen geen afbreuk aan bovenstaande conclusie omdat ze betrekking hebben op niet betwiste elementen (geboorteakte, politiedocumenten); Overwegende dat de Commissaris-generaal ten opzichte van verzoekster tot dezelfde conclusie komt op basis van identieke motieven; Overwegende dat de informatie waarnaar de Commissaris-generaal verwijst zich in het administratief dossier bevindt, en een duidelijke bronvermelding bevat, met name de Nederlandse Directie Personenverkeer, Migratie en Consulaire Zaken, Afdeling Asiel- en Migratiezaken; dat de Commissaris-generaal zich in het kader van een asielaan- vraag kan en mag informeren over de toestand in het land of de streek van herkomst van de kandidaat-vluchteling en dat hij deze informatie mag gebruiken om over de asielaanvraag te oordelen; dat verzoekers niet aantonen dat deze informatie onjuist zou zijn, of dat hun persoonlijke toestand zou verschillen van wat uit deze informatie blijkt; dat verzoekers verwijzen naar internet-artikelen, waarvan de bron onduidelijk is; dat deze stukken niet aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werden voorgelegd en dat hij met deze stukken bijgevolg geen rekening kon houden; dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat de Raad van State er bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel toe gehouden is na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van het dringend beroep uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat uit de bestreden beslissingen blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van zijn beslissing rekening hield met alle concrete en relevante gegevens van de zaak; dat voornoemde artikelen bijgevolg geen afbreuk kunnen doen aan de vaststellingen van de Commissaris-generaal; dat de hypotheti- sche en niet gefundeerde beweringen van verzoekers evenmin afbreuk doen aan de vaststellingen van de bestreden beslissingen; XIV-13.676-6/8 Overwegende dat de opmerking van verzoekers dat zij in Oekraïne een bevel gekregen hebben om het grondgebied te verlaten, geen afbreuk doet aan de gemotiveerde overweging van de Commissaris-generaal dat de asielaanvraag van verzoekers moet worden behandeld tegenover Azerbeidzjan en niet ten opzichte van Oekraïne; dat verzoekers deze handelwijze voor het overige niet betwisten; Overwegende dat de bestreden beslissingen betreffende het Molokkaans geloof van verzoekers geen aparte motieven inhouden; dat in de bestreden beslissingen wel het algemeen etnisch conflict tussen de Azeri’s en de Armeense bevolking wordt besproken; dat de problemen van verzoekers betreffende hun geloof kunnen worden beschouwd als kaderend binnen dit conflict; Overwegende dat de bestreden beslissingen uitdrukkelijk motiveren waarom de documenten die verzoekers hebben ingediend, geen afbreuk doen aan de vaststellingen van de Commissaris-generaal; dat wat betreft de documenten over de toestand in Nagorno Karabach, wordt herhaald dat deze niet werden voorgelegd aan de Commissaris- generaal, zodat hij er geen uitspraak kon over doen; dat wat betreft de overige documenten, de Commissaris-generaal vaststelt dat deze niet betwiste persoonsgegevens betreffen, omdat het gaat om een geboorteakte van verzoeker, een medisch attest betreffende verzoekster, en twee politiedocumenten; dat deze vaststelling correct is en dat de kritiek van verzoekers hieraan geen afbreuk doet; Overwegende dat de bestreden beslissingen steunen op afdoende, terzake dienende, pertinente en deugdelijke motieven; Overwegende dat verzoekers de schending van artikel 8 van het E.V.R.M., en van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, niet op concrete wijze uiteenzetten; Overwegende dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: XIV-13.676-7/8 Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig maart tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-13.676-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.097 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div