id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.101 Rolnummer: A. 130288/XIV-12929 Zaak: Arrest 157101 - - 29/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-04 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 15:51 Fiche Arrest nr 157.101 van 29 maart 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.101 van 29 maart 2006 in de zaak A. 130.288/XIV-12.
- In zake :
- XXX,
- XXX, handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. GROUWELS, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Adolphe Lacomblélaan 59-61, bus 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen XXX en XXX, allen van Bosnische nationaliteit, op 9 december 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 29 oktober 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 12 december 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; XIV-12.929-1/8 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 17 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. VAN BAELEN die, loco Advocaat M. GROUWELS verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX en zijn echtgenote XXX, beide van Bosnische nationaliteit, dienen op 20 oktober 2001 een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 29 oktober 2002 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard. Dit is de bestreden beslissing : “(...) Mijnheer de Burgemeester, Onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die bij U werd ingediend door: XXX + echtgenote + 2 kinderen nationaliteit : Bosnië-Herzegowina (Rep.) geboren te Hardrovci op 05/11/1968 ex-kandidaat vluchteling adres: te 1652 Alsemberg in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mee dat dit verzoek onontvankelijk is. Redenen: XIV-12.929-2/8 De redenen die werden aangehaald -waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland kunnen niet als uitzonderlijke omstandigheden aanvaard worden. Dat betrokkenen schoollopende kinderen hebben, dat zij zich hebben ingeschreven voor een cursus Nederlands is niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat hun aanvraag in België wordt ingediend. Zij wisten dat hun verblijf van tijdelijke aard was en enkel werd toegestaan op basis van de asielaanvraag. Zij wisten dat zij bij een eventuele negatieve beslissing het land dienden te verlaten. De problemen in hun land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen door het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 10/04/2001 en kennis gegeven op 12/04/
- Hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. De situatie in het land van herkomst is duidelijk gewijzigd sinds betrokkenen uit hun land zijn gevlucht. Dat betrokkenen niet terug kunnen keren naar Bosnië-Herzegovina kan niet aanvaard worden. Uit onze informatie blijkt dat talrijke andere moslims zijn teruggekeerd naar Bosnië-Herzegovina om daar een nieuw leven te beginnen en mee te helpen aan de wederopbouw van het land. Hierbij kunnen ook zij gebruik maken van interne programma's om de wederopbouw mogelijk te maken. Het medisch probleem is niet van die aard opdat een regularisatie kan worden toegestaan. Momenteel kan Mevrouw Ibricic Senada echter niet behandeld worden in Bosnië-Herzegovina. Gelieve daarom de nodige instructies te geven aan uw diensten ten einde het bevel om het grondgebied te verlaten te verlengen vanaf heden tot 31/03/
- Voor een verdere verlenging dient U contact op te nemen met onze diensten. (...).”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoert : “ENIG MIDDEL: inbreuk op de artikelen 9 alinea 3 en 62 van Vw.; inbreuk op de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 inzake de formele motivering van administratieve beslissingen; miskenning van de algemene rechtsbeginselen van behoorlijk bestuur o.m. het algemene beginsel rekening te houden met alle pertinente elementen in een dossier en de redelijkheidsnorm: inbreuk op artikel 3 E.V.R.M. EERSTE ONDERDEEL: De beslissing van tegenpartij is niet afdoende gemotiveerd - inbreuk op de artikelen 9 alinea 3 en 62 Vw, artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve beslissingen. A. PRINCIPES Artikel 9 alinea 3 Vw. voorziet in een uitzondering op het principe vermeld in artikel 9 alinea 1 en 2 Vw., waarin wordt gesteld dat een aanvraag tot machtiging voor verblijf voor meer dan drie maanden in principe moet aangevraagd worden in de Belgische ambassade in het land van oorsprong. De uitzondering bestaat erin dat “in buitengewone omstandigheden" deze machtiging kan aangevraagd worden bij de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling verblijft. Een aanvraag gebaseerd op artikel 9 alinea 3 dient dan ook dubbel gemotiveerd te worden (zie omzendbrief van 15 december 1998 Deel I,2 - Belgisch Staatsblad 19/12/1998 p. 40494 - dat niet werd afgeschaft door de wet van 22 december 1999). l. De buitengewone omstandigheden moeten worden aangetoond. De Raad van State sprak zich er reeds over uit dat zulke buitengewone omstandigheden niet tot “overmacht” moeten worden gereduceerd (RvS 9 april 1998 Nr 73.027, RdE 1997 p.71)
- De redenen waarom de machtiging wordt aangevraagd. XIV-12.929-3/8 De omzendbrief van 15 december 1998 vermeldt in Deel I dat een aanvraag gebaseerd op artikel 9 alinea 3 onontvankelijk wordt verklaard "indien er geen buitengewone omstandigheden aanwezig zijn". B. TOEPASSING IN CASU De aangevochten beslissing stelt dat het verzoek gebaseerd op artikel 9 alinea 3 Vw. onontvankelijke is. In de aangevochten beslissing wordt echter de medische toestand van tweede verzoekster niet onderzocht als een "buitengewone omstandigheid” die een aanvraag in België in plaats van in Bosnië zou verantwoorden. Nochtans is dit de voornaamste en eerste ontvankelijkheidsreden die in de brieven van 20 oktober 2001 en 6 mei 2002 werden ingeroepen: "Ontvankelijkheid. De eerste reden steunt op de zware ziekte van mijn vrouw" (Aangetekende brief 20 oktober 2001 p. 2) "Ontvankelijkheid.
- Zware ziekte van mijn vrouw (Aangetekende brief 6 mei 2002 p. 2) In de brief van 6 mei 2002 wordt trouwens het doktersatttest van psychiater DE RIDDER bijgevoegd waarin uitdrukkelijk wordt vermeld: 'Een terugkeer naar het land van herkomst gaat eerder het ziektebeeld doen opflakkeren aangezien de psychiatrische traumata daar zijn opgelopen.’‘De zieke kan geen lange reis verdragen’. De aangevochten beslissing verwijst voor de onontvankelijkheid enkel naar volgende argumenten: de schoollopende kinderen, de cursus Nederlands, de problemen die verzoekers vrezen in hun land van herkomst. Over het medisch probleem wordt in fine enkel het volgende gesteld: "Het medisch probleem is niet van die aard opdat een regularisatie kan worden toegestaan. Momenteel kan mevrouw XXX echter niet behandeld worden in Bosnië- Herzegovina." Uit deze laconieke zinnen komt naar voor dat tegenpartij, ondanks het onontvankelijk verklaren van de aanvraag - zonder de ook voor de ontvankelijkheid ingeroepen medische redenen zelfs maar te onderzoeken -, zich over de grond heeft gebogen inzake het medisch probleem (over de onverenigbaarheid van deze beslissing, rekening houdend met de stukken van het dossier: zie infra, 2 de onderdeel). Door het verzoek gebaseerd op artikel 9 alinea 3 Vw. van verzoekers onontvankelijk te verklaren zonder te antwoorden op de zware ziekte van tweede verzoekster die als voornaamste reden van ontvankelijkheid werd ingeroepen, en door anderzijds ten gronde een uitspraak te doen stellende dat het medisch probleem niet van aard is een regularisatie toe te staan zonder ook maar enigszins aan te duiden waarop tegenpartij zich steunt om tot dit besluit te komen (een besluit dat trouwens volledig betwistbaar is gelet op de stukken van het dossier - zie infra 2 de onderdeel), begaat tegenpartij een duidelijke fout in de motivering van de aangevochten beslissing waardoor deze vooreerst dient te worden geschorst en vervolgens vernietigd. TWEEDE ONDERDEEL :inbreuk op de artikelen 9 alinea 3 en alinea 62 van de Vw., inbreuk op de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve beslissingen, inbreuk op de verplichting rekening te houden met alle pertinente elementen van het dossier en de redelijkheidsnorm, als algemene rechtsbeginselen van behoorlijk bestuur; inbreuk op artikel 3 E.V.R.M. A. PRINCIPES Inzake de verzoeken gebaseerd op artikel 9 alinea 3 van de Vw. is de appreciatiebevoegdheid van tegenpartij zeer groot. (RvS 4 mei 1988, Nr 29.267, R.A.C.E. 1988; RvS, 8 februari 1989 Nr 31.936, R.A.C.E. 1989, geciteerd door E. Derricks en C. Debroux, J.T. 1995 p. 183 Nr. 6) en discretionair (D. Andries e.a. «Comprendre le statut et le droit des étrangers par les textes », Bruxelles, Bruyland 1997 p. 26, geciteerd door F. Bernard "l'article 9 alinea 3 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, de séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers : une règle de procédure et une règle de fond, commentaire de la circulaire du Ministre de l'Intérieur du 9 octobre 1997 », RdE nr 97 p. 5) Hoe groot de beoordelings- en beleidsvrijheid ook moge zijn, de beslissingen van administratieve overheden dienen de toets aan de norm van de redelijkheid te doorstaan. Het is de enige juridische beperking van de vrije appreciatie van het bestuur dat over een discretionaire bevoegdheid beschikt. Hoe de overheid de in het geding zijnde XIV-12.929-4/8 belangen afweegt, hoe de overheid de in het geding zijnde belangen afweegt, hoe de overheid het gewenste resultaat bereikt, steeds hangt het zwaard van de redelijkheid boven haar hoofd. De overheid moet in alle redelijkheid tot de belangenafweging zijn gekomen, de overheid moet in alle redelijkheid de door haar genomen maatregelen hebben kunnen kiezen; ... Wanneer bij het toetsen wordt vastgesteld dat geen redelijk denkend overheidspersoon tot zo een beslissing kon komen, wordt de beslissing vernietigd." ("Het beginsel van behoorlijk bestuur", A. Van Mensel, Mys en Breesch, 1997, p. 151-152) Verder dient de tegenpartij in deze appreciatiebevoegdheid ook rekening te houden met de rechten en waarborgen opgenomen in Internationale Verdragen, die zowel op burgerlijk als op administratief rechterlijk vlak voorrang hebben op de nationale rechtsregels. (RvS 5 november 1996 nr 62.922, J.T. 1997 p.254) Het controlerecht van de rechter mag zich dan ook niet tevreden stellen met een loutere toetsing in de marge: "un tel examen ne saurait se résigner á n' être que marginal" (P. Martens: respect de la vie familiale et sauvegarde de l’ordre public, noot onder het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 18 februari 1991 R.T.D.H. 1991, p 385). De rechtspraak van de Raad van State (RvS 1 april 1996 nr 1958 969 TVR 1996 p 29 e.v.) leert ons verder dat een administratieve beslissing die een inbreuk zou betekenen of kunnen betekenen op de fundamentele rechten enkel kan worden genomen op basis van een ernstig onderzoek inzake de "proportionalité entre d'une part, le but et les effets de la démarche administrative préscite ... et d'autre part, sa praticabilité plus au moins aisée dans le cas individuel et les inconvénients inhérents à son accomplissement'; dit geldt o. m. voor beslissingen die een inbreuk zouden kunnen betekenen op het verbod op een onmenselijke behandeling (artikel E.V.R.M.) Samenvattend kan worden gesteld dat algemene overwegingen van de overheid niet volstaan om argumenten af te wijzen die verband houden met fundamentele rechten en die opgenomen werden in een verzoek tot machtiging tot verblijf gebaseerd op artikel 9 alinea 3 (RvS, 2 maart 1993, nr.42.119, geciteerd door E. DERRICKKS en C. DEBROUX, o.c., p. 183) B. TOEPASSING IN CASU
- Het dossier in het bezit van tegenpartij is zeer expliciet over de medische toestand van de tweede verzoekster. 1.
- De verslagen van zowel psychiater DE RIDDER als huisarts VANSINTJAN, stellen duidelijk: - dat tweede verzoekster een zeer ernstige depressie heeft (medisch getuigschrift dokter VANSINTJAN 29/4/2002) “Majeure despressie met belangrijke angssymptomen in het kader van een posttraumatische stressstoornis (medisch attest psychiater DE RIDDER 29/4/2002) - dat een langdurige opvolging noodzakelijk is (medisch getuigschrift psychiater DE RIDDER 29 april 2002) Deze opvolging is zowel therapeutisch als medicamenteus (zie medicatielijst Rode Kruis stuk 297 DVZ). - Dat een terugkeer naar Bosnië-Herzegovina niet mogelijk is aangezien dit het ziektebeeld zal doen opflakkeren gezien de psychiatrische traumata daar zijn opgelopen (medisch getuigschrift psychiater DE RIDDER 29 februari 2002) - Dat een bijstand van de familie noodzakelijk is. 1.
- In het dossier van DVZ komen ook de medische verslagen voor van alle bezoeken die tweede verzoekster aan psychiater DE RIDDER heeft gebracht en die aangeven hoe moeizaam de therapie verloopt. (ups / downs) 1.
- Verder bevinden er zich ook medische stukken van de vader, moeder en zus van tweede verzoekster die allemaal psychische of psychosomatische problemen vertonen tengevolge van de oorlogsgebeurtenissen in Bosnië: - de moeder woont in Duitsland chronische reactieve depressie met slaapstoornissen (stuk 153 DVZ) - de vader (verblijft in USA): opname in psychiatrische inrichting (stuk 156 DVZ) - de zus (verblijft in Duitsland): 15 jaar op het ogenblik van het opstellen van het attest waarin sprake van drie jaar durende hartklachten, flauwvallen, ... (stukken 154-155 DVZ) 1.
- Psychiater ASMA aangesteld door DVZ via dokter DE BLOCK, vermeldt in zijn verslag dat ook het zoontje van twee jaar van verzoekers angstaanvallen heeft waarvoor hij in behandeling is bij een kinderpsychiater met psychotherapie en medicatie. XIV-12.929-5/8 Psychiater ASMA besluit het onderzoek van 2de verzoekster: "Het is aangewezen dat betrokkene nog een tijd in België verblijf zodat zij de kans krijgt van behandeld te worden voor haar postraumatisch stresssyndroom in het Brugmannziekenhuis te Brussel. Zij zou een goed contact hebben met haar psychiater, dokter L. DE RIDDER"
- Het is onbegrijpelijk dat tegenpartij op basis van deze zwaarwegende elementen tot de aangevochten beslissing is kunnen komen. Psychiater ASMA verwijst uitdrukkelijk naar de noodzaak van het verder zetten van de psychiatrische begeleiding door psychiater DE RIDDER; psychiater DE RIDDER verklaart dat een langdurige opvolging noodzakelijk is die niet kan verder gezet worden in het land van oorsprong, tengevolge van de oorsprong zelf van de traumata. Vermits al deze medische stukken in het dossier zitten moet tegenpartij dan ook in staat zijn te begrijpen dat de brief van dokter DE BLOCK van 24 oktober 2002 waarin hij stelt: "ik stel voor het verblijf te verlengen tot maart
- Rond deze datum stel ik een nieuw onderzoek voor." niet betekent dat er op die datum "een genezing" van tweede verzoekster zal opgetreden zijn of een mogelijkheid dat ze op dat ogenblik de therapie in Bosnië-Herzegovina kan voortzetten. Tegenpartij geeft geen enkele uitleg in de aangevochten beslissing waarom hij tot de bevinding komt dat het medisch probleem niet van die aard is opdat een regularisatie kan worden toegestaan. Uit al de elementen van het dossier blijkt - in tegendeel - dat de psychische traumata uitermate ernstig zijn en een langdurige verzorging vereisen die niet in Bosnië-Herzegovina kan worden geleverd (noch aangewezen - zie rapport van Psychiater DE RIDDER, noch mogelijk - zie rapport UNHCR van september 2001, p. 17 e.v.). Rekening houdend met alle elementen in het dossier, zou dan ook geen redelijk denkend overheidspersoon op 29 oktober 2002 tot de aangevochten beslissing kunnen komen waarbij de aanvraag tot machtiging tot verblijf om hoofdzakelijk medische redenen onontvankelijk werd verklaard en een bevel werd afgeleverd om het - grondgebied te verlaten op 31 maart
- De aangevochten beslissing is verder in het licht van de oorzaak van de psychische problemen van tweede verzoekster (de gruweldaden van de burgeroorlog in Bosnië- Herzegovina, het uitmoorden van een dertigtal personen van haar familie en bijna al haar vrienden en kennissen in Srebrenica, de erop volgende discriminatie en pesterijen bij haar terugkeer) en rekening houdend met de zeer duidelijke bepalingen in het medisch attest van 29 april 2002 door psychiater DE RIDDER (die aangeeft dat 2de verzoekster een majeure depressie heeft met belangrijke angstsymptomen in het kader van een posttraumatische stressstoornis, dat een langdurige opvolging nodig is, dat een terugkeer naar Bosnië-Herzegovina tegenaangewezen is), een duidelijke inbeuk op artikel 3 E.V.R.M. (verbod op een onmenselijke behandeling).”; 2.2.
- Overwegende dat verzoekers de schending aanvoeren van de artikelen 9, derde lid en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van “de algemene rechtsbeginselen van behoorlijk bestuur o.m. het algemeen beginsel rekening te houden met alle pertinente elementen in een dossier en de redelijkheidsnorm”, alsmede van artikel 3 van het E.V.R.M.; dat meer bepaald verzoekers in een eerste onderdeel van het enig middel aanvoeren dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd, waaruit volgens hen dient te worden besloten tot een schending van de artikelen 9, derde lid, en 62 van de Vreemdelingenwet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat verzoekers de Minister van Binnenlandse Zaken verwijten in de bestreden beslissing niet uiteen te zetten waarom hij de medische toestand van verzoekster niet beschouwt als een XIV-12.929-6/8 buitengewone omstandigheid, hoewel verzoekers zulks nochtans uitdrukkelijk in hun aanvraag om machtiging tot verblijf hebben vermeld; 2.2.
- Overwegende dat artikel 9, tweede lid van de Vreemdelingenwet als algemene regel bepaalt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat artikel 9, derde lid, evenwel bepaalt dat in buitengewone omstandigheden het hem wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waarin het ingeroepen beletsel precies bestaat; 2.2.
- Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier, en meer bepaald uit stuk 83, blijkt dat verzoekers in hun aanvraag expliciet de “zware ziekte” van verzoekster aanhaalden als een buitengewone omstandigheid die het indienen van de aanvraag in België volgens hen verantwoordde; dat nergens uit de bestreden beslissing blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken hierop zou zijn ingegaan; dat de Minister van Binnenlandse Zaken omtrent het medisch probleem van verzoekster louter stelt dat het “niet van die aard (is) opdat een regularisatie kan worden toegestaan”; dat verzoekers in hun verzoekschrift echter terecht aanvoeren dat zulks niet kan worden beschouwd als een oordeel betreffende de ontvankelijkheid van de aanvraag om machtiging tot verblijf, doch wel betreffende de gegrondheid ervan; dat bijgevolg dient te worden besloten tot een schending van de motiveringsplicht, vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat het enig middel, in die mate, gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat er geen grond meer is om over de vordering tot schorsing uitspraak te doen, XIV-12.929-7/8 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 29 oktober 2002 waarbij de aanvraag van verzoekers om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig maart tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-12.929-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.101 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.