← België

Arrest 157107 - - 29/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.107 Rolnummer: A. 134826/XIV-14456 Zaak: Arrest 157107 - - 29/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-11 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 15:53 Fiche Arrest nr 157.107 van 29 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.107 van 29 maart 2006 in de zaak A. 134.826/XIV-14.456. In zake : XXX, wonende te G. tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 29 november 1968 en van ex-Joegoslavische nationaliteit, op 29 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 januari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 juni 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gelet op de beschikking van 21 mei 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de toelichtende memorie van de verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 2 september 2005 op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 2 september 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 19 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 8 februari 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-14.456-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat H. LAMOTTE, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 7 mei 1999 en verklaart zich vluchteling op 11 mei 1999. 1.2. Op 27 juni 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 23 januari 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u etnisch Albanees uit Kosovo, meer bepaald uit Runik (Skenderaj). Sinds 1997 was u lid van het presidium van de Democratische Liga van Kosovo en daarbinnen verantwoordelijk voor sport en cultuur. U baatte in Runik een apotheek uit samen met uw broer (O.V. 4.800.713). Het LDK ontfermde zich na het uitbreken van het gewapend conflict over de vluchtelingen die vanuit andere dorpen in Runik kwamen. In mei 1998 werd de politiepost in uw dorp aangevallen door het Kosovaars Bevrijdingsleger (UCK) zonder dat het LDK daarvan op de hoogte was gebracht en de bevolking had kunnen evacueren. Samen met de secretaris van het LDK Ilaz Sejdiu zocht u de plaatselijke commandant van het UCK op om hem hierover aan te spreken. Deze wilde echter niet met u praten omdat het zijn probleem niet was. Dezelfde dag vertrok u met uw familie naar Mitrovica, waar uw familie een appartement bezat. U bleef daar tot de nacht dat de NAVO besliste Joegoslavië te bombarderen en evrtrok (vertrok) dan naar uw tante te Shipoll. Op 15 april 1999 werd u daar verjaagd en vertrok in kolonne naar Albanië. Op 16 april 1999 kwam u daar aan en in mei 1999 reisde u ver(r)der naar België, waar u op 11 mei 1999 asiel aanvroeg. Uw ouders, (O.V. 4.861.624) volgden in juni 1999 en dienden een asielaanvraag in op 11 juni 1999. U wil niet terugkeren naar Kosovo omdat u er geen woning meer heeft. Daarnaast heeft u als actief LDK-lid schrik terug te keren naar uw dorp in Drenica. Van uw vader, die terugkeerde in juni 2000, heeft u immers vernomen dat toen hij een bezoek bracht aan Runik achter u gevraagd werd door een onbekende en in oktober 2001 werd een zetel van het LDK opgeblazen. Ook hebt u schrik van represailles omdat u vroeger ook Serviërs onder uw klanten in de apotheek had. XIV-14.456-2/6 Er dient opgemerkt te worden dat u in uw opeenvolgende verklaringen geen feiten of elementen hebt aangehaald waaruit zou blijken dat u bij een eventuele terugkeer naar uw geboortestreek Kosovo anno 2002 een risico zou lopen op een ernstige en persoonlijke vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Sinds uw vertrek uit uw geboortestreek in april 1999 is de situatie aldaar ondertussen immers gevoelig gewijzigd en is er een einde aan de oorlog gekomen. Overeenkomstig resolutie 1244, aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 juni 1999, zijn het bestuur en de controle van Kosovo momenteel in (

  1. de)handen van de internationale gemeenschap, die ernstige inspanningen levert om de orde en de rust te herstellen met het oog op de normalisering van het dagelijks leven aldaar. Bovendien hebben de Servische autoriteiten en ordetroepen zich sinds juni 1999 uit Kosovo teruggetrokken. Wat uw vrees voor represailles in Runik omwille van uw LDK-activisme betreft, dient erop gewezen dat bij de parlementsverkiezingen in november 2001 het LDK als algemene overwinnaar uit de bus kwam. De gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2000 werden in uw gemeente weliswaar door de PDK, politieke opvolger van het UCK, gewonnen evenals in enkele andere gemeente(s)(n). Elders was de overwinning voor het LDK. U hebt geen feiten of elementen aangebracht waaruit blijkt dat u problemen niet kan vermijden door u elders dan in (
  2. de)Drenica in Kosovo te vestigen. U verwijst als u de vraag gesteld wordt naar de moord in Prishtina in november 2000 (
  3. op)(naar) een vooraanstaande politicus van de LDK (verhoorverslag CGVS, p 8), maar het politieke profiel van een toppoliticus kan moeilijk vergeleken worden met dat van een lokaal presidium-lid dat zich bezig hield met sport en cultuur. Dat u zich elders kan vestigen geldt ook voor uw vrees voor represailles omdat u Servische klanten had in uw apotheek in uw dorp. Daarenboven wijst niets in uw verklaringen erop dat u in geval van effectieve problemen geen beroep zou kunnen doen op de in Kosovo aanwezige lokale en internationale autoriteiten. Het feit dat u in Kosovo niet meer over een woning beschikt, is bovendien een probleem van socio-economische aard welk als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie ressorteert. Hier kan nog aan toegevoegd worden dat ook inzake de asielaanvraag van uw moeder en uw broer door mij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen werd. (...)”. 2. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van het artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat de Commissaris- generaal zich schuldig maakt aan machtsoverschrijding en aan de niet-naleving van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen; Overwegende dat verzoeker betoogt dat hij wordt vervolgd omwille van zijn origine; dat de Commissaris-generaal zijn situatie foutief heeft beoordeeld door vast te stellen dat zijn asielrelaas een aantal tegenstrijdigheden bevat die de geloofwaardigheid ervan aantasten; dat verzoeker vreest voor zijn fysieke integriteit en die van zijn gezin wanneer hij zou terugkeren naar Kosovo; dat verzoeker stelt dat aan klachten bij de politie geen gevolg wordt verleend en dat hij door de autoriteiten in zijn vaderland niet wordt beschermd tegen vervolging; dat de Commissaris-generaal de elementen die erop wijzen dat zijn vrees voor vervolging gegrond en actueel is, terzijde heeft geschoven; dat verzoeker betoogt dat de bestreden beslissing niet naar behoren is gemotiveerd en dat hij geen eerlijke behandeling van zijn zaak heeft gekregen; XIV-14.456-3/6 2.2. Overwegende dat de verwerende partij heeft nagelaten een memorie van antwoord in te dienen; 2.3. Overwegende dat verzoeker in de toelichtende memorie herhaalt hetgeen hij in het inleidend verzoekschrift heeft uiteengezet; dat hij het verzoekschrift aanvult door te betogen dat hij behoort tot een minderheid in Kosovo, die wordt gediscrimineerd en vervolgd; dat verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal tegenstrijdigheden heeft vastgesteld tussen verzoekers opeenvolgende verklaringen en die van zijn echtgenote, waarna hij deze tegenstrijdigheden tracht te weerleggen; 2.4. Overwegende dat volgens een constante rechtspraak van de Raad van State artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), niet van toepassing is op beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, omdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest van 5 oktober 2000, in de zaak MAAOUIA tegen Frankrijk, heeft beslist dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op het asielrecht, zodat niet kan worden ingezien waarom verzoeker artikel 6 van het E.V.R.M. inroept; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat verzoeker zich in zijn verzoekschrift en zijn toelichtende memorie beperkt tot algemene beweringen met betrekking tot de minderheden in Kosovo, maar dat hij geen concrete en ter zake dienende elementen aanbrengt die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat verzoeker betoogt dat de Commissaris-generaal een aantal elementen, die zijn vrees voor vervolging ondersteunen, terzijde heeft geschoven, maar dat verzoeker niet aantoont welke elementen ter zijde werden geschoven en hoe die elementen de beslissing in positieve zin hadden kunnen beïnvloeden; dat bovendien uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van zijn beslissing rekening hield met alle concrete en relevante gegevens van de zaak; dat in een eerste deel van de bestreden beslissing, de feiten, die resulteren uit de neerslag van verzoekers verklaringen tijdens zijn verhoor op het XIV-14.456-4/6 Commissariaat-generaal, nauwkeurig worden weergegeven; dat in een tweede deel zijn verklaringen afgelegd in de loop van de asielprocedure, op een objectieve wijze worden onderzocht, wat zich vertaalt in de motieven van de bestreden beslissing; dat, wat de materiële motiveringsplicht betreft, de Commissaris-generaal in casu nauwkeurig motiveert waarom in hoofde van verzoeker geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kan worden vastgesteld of dat hij om één van de redenen van voornoemde Conventie geen beroep kan doen op bescherming door de autoriteiten van zijn land van herkomst; Overwegende dat verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal tegenstrijdigheden heeft vastgesteld tussen zijn verklaringen onderling en tussen zijn verklaringen en die van zijn echtgenote; dat de bewering van verzoeker feitelijke grondslag mist aangezien in de bestreden beslissing geen tegenstrijdigheden worden vastgesteld; Overwegende dat de bestreden beslissing werd genomen in overeenstemming met de motiveringsplicht, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat de motivering de beslissing kan dragen en bijgevolg deugdelijk en afdoende is; dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal, en de gevolgtrekkingen die hij daaruit in rechte afleidt, onwettig zijn; dat verzoeker niet aantoont dat de Commissaris- generaal zich schuldig maakt aan machtsoverschrijding; dat het enig middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-14.456-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig maart tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-14.456-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.107 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.