id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.168 Rolnummer: Zaak: Arrêt / Arrest 157168 - / - 30/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-10 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-30 16:59 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 157.168 van 30 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.168 van 30 maart 2006 A. 147.456/V-1687 A. 149.009/V-1689 In zake : de Franse Gemeenschapscommissie, die woonplaats kiest bij Mr. M. UYTTENDAELE en Mr. V. RIGODANZO, advocaten, Bronstraat 68 1060 Brussel, tegen: de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij Mr. B. STAELENS, advocaat, Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46/1 8000 Brugge. ------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, RECHTSPREKEND IN KORT GEDING, Gezien het verzoekschrift dat de Franse Gemeenschapscommissie op 10 februari 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het ministerieel besluit van 21 november 2003 houdende vaststelling van het aanvraagformulier tot het sluiten van een overeenkomst houdende gelijkstelling met één van de in het kader van de zorgverzekering van rechtswege erkende voorzieningen, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 december 2003; (A.147.456/V-1687) Gezien het verzoekschrift dat de Franse Gemeenschapscommissie op 16 maart 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 14 november 2003 houdende V-1687-1/7 gelijkstelling van voorzieningen, gevestigd in het tweetalige gebied Brussel- Hoofdstad, met de in het kader van de zorgverzekering van rechtswege erkende voorzieningen, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 januari 2004; (A.149.009/V-1689) Gezien de op dezelfde dag ingediende verzoekschriften, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota met opmerkingen en het administratief dossier van de verwerende partij in beide zaken; Gezien het verslag op 25 augustus 2005 opgesteld door eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de beschikking van 22 november 2005, waarbij de terechzitting bepaald wordt op 15 december 2005; Gelet op de kennisgeving aan de partijen van de beschikking tot vaststelling van de rechtsdag en van het verslag; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van Mr. P. SCHAFFNER, loco Mr. M. UYTTENDAELE, advocaat, die voor de verzoekende partij verschijnt, en van Mr. B. STAELENS, advocaat, die voor de verwerende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de juridische context van de zaken zich in de huidige stand van het geding als volgt aandient : 1.
- Het decreet van 30 maart 1999 van de Vlaamse Gemeenschap houdende de organisatie van de zorgverzekering (hierna : het Zorgverzekeringsdecreet) beoogt te voorzien in een stelsel waarbij personen die ten gevolge van een verminderd V-1687-2/7 zelfzorgvermogen een beroep doen op niet-medische hulp- en dienstverlening, de kosten voor die hulp- en dienstverlening onder bepaalde voorwaarden ten laste kunnen laten nemen door erkende zorgkassen. Artikel 4, § 1, van dat decreet bepaalt dat elke persoon die binnen het Nederlandse taalgebied woont moet aangesloten zijn bij een erkende zorgkas. Desgevallend wordt hij ambtshalve aangesloten bij de door het Vlaams Zorgfonds opgerichte zorgkas. Luidens paragraaf 2 van hetzelfde artikel kan elke persoon die binnen het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad zijn woonplaats heeft, vrijwillig aansluiten bij een erkende zorgkas. De Vlaamse regering bepaalt op grond van artikel 4, § 3, van het zelfde decreet, de nadere regels en de nadere voorwaarden inzake de aansluiting. 1.
- Oorspronkelijk werd een tenlasteneming voor residentiële zorg enkel terugbetaald wanneer de gebruiker in een door de Vlaamse regering erkend rusthuis, rust- en verzorgingstehuis of psychiatrisch verzorgingstehuis verbleef. Daardoor waren de mogelijkheden om alle voordelen van het Zorgverzekeringsdecreet te genieten, beperkt voor de personen die in het gebied Brussel-Hoofdstad wonen en vrijwillig zijn aangesloten bij een zorgkas. De Vlaamse regering wenste daarom een regeling uit te werken om ook de kosten voor prestaties en diensten verstrekt door bi-communautaire voorzieningen en professionele zo rgverleners die door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie erkend zijn, eveneens voor de Vlaamse zorgverzekering in aanmerking te laten komen. 1.
- Om de daartoe vereiste rechtsgrond te scheppen werd artikel 6, § 1, derde lid, in het Zorgverzekeringsdecreet ingevoegd door artikel 42 van het decreet van 20 december 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting
- Die bepaling luidt in zijn eerste volzin als volgt : "De regering bepaalt de nadere regels betreffende de toekenning, weigering, intrekking en schorsing van de erkenning, en van de gelijkstelling met een erkenning, van professionele zorgverleners en voorzieningen". 1.
- Ter uitvoering van die bepaling neemt de Vlaamse regering het in de V-1687-3/7 zaak A. 149.009 bestreden besluit van 14 november 2003 houdende gelijkstelling van voorzieningen, gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, met de in het kader van de zorgverzekering van rechtswege erkende voorzieningen (Belgisch Staatsblad van 16 januari 2004). Voor deze zaak zijn vooral de volgende bepalingen van belang : "Art.
- §
- De voorzieningen, gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, kunnen worden gelijkgesteld met van rechtswege erkende voorzieningen, als bedoeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 september 2001 houdende de erkenning, de registratie en de machtiging, en houdende de aansluiting, de aanvraag en tenlasteneming in het kader van de zorgverzekering. §
- Om te kunnen worden gelijkgesteld, moeten de voorzieningen, bedoeld in § 1, erkend zijn door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, en moeten zij, na beslissing van de minister, daartoe een overeenkomst houdende gelijkstelling hebben gesloten met het Fonds, vertegenwoordigd door de leidend ambtenaar. Art.
- §
- De voorzieningen, bedoeld in artikel 2, richten hun aanvraag tot het sluiten van een overeenkomst houdende gelijkstelling, samen met de vereiste stavingsstukken, per aangetekende brief aan het Fonds. Voor de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, moet worden gebruikgemaakt van het door de minister vastgestelde aanvraagformulier. De overeenkomst houdende gelijkstelling, maakt integraal deel uit van het aanvraagformulier en omvat, naast de bepalingen van artikel 2, § 2, artikel 4, § 2, artikel 5 en artikel 6, § 1, minstens de voorwaarden voor taalgebruik. De overeenkomst houdende gelijkstelling wordt door de voorziening reeds ondertekend op het ogenblik van indiening van de aanvraag". 1.
- Op 21 november 2003 neemt de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, ter uitvoering van het besluit van de Vlaamse regering van 14 november 2003, het in de zaak A. 147.456 bestreden besluit. Dit besluit legt aan de voorzieningen die willen gelijkgesteld worden met de van rechtswege erkende voorzieningen, het gebruik op van het aanvraagformulier dat als bijlage bij dat besluit is gevoegd;
- Overwegende dat uit het geschetste juridisch kader van de zaak blijkt dat het bestreden besluit van de Vlaamse regering de noodzakelijke rechtsgrond en bestaansreden vormt voor het bestreden ministerieel besluit; dat de beide zaken derhalve verknocht zijn, en, zoals de partijen ook vragen, gevoegd moeten worden; V-1687-4/7
- Overwegende dat de verwerende partij in beide zaken opwerpt dat de vordering niet ontvankelijk is; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zich slechts zouden opdringen indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn;
- Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 5.
- Overwegende, wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, dat de verzoekende partij ten aanzien van het bestreden besluit van de Vlaamse regering van 14 november 2003 op de eerste plaats doet gelden dat dit besluit een negatieve weerslag dreigt te hebben op de uitoefening van haar bevoegdheden, doordat rusthuizen de neiging zullen hebben de ééntalig Franstalige sector te verlaten, om over te stappen naar de bi-communautaire sector teneinde de toepassing van het door de verwerende partij ingestelde stelsel te kunnen genieten; dat zij stelt dat dergelijke bevoegdheidsoverschrijdingen of -verstoringen de openbare orde raken en ipso facto een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaken; dat zij daarbij voornamelijk verwijst naar een arrest van de Raad van State met betrekking tot frequentieplannen voor locale radiozenders, met name het arrest nr. 66.657, van 10 juni 1997; Overwegende dat de verzoekende partij vervolgens aanvoert dat de bestreden akte de uitoefening door andere overheden van hun bevoegdheden in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad bemoeilijkt en zelfs onmogelijk maakt, en dat de verwerende partij de andere overheden met soortgelijke bevoegdheden verplicht in te stappen in een concurrentiële logica; dat zij dit als rechtsmisbruik en een gebrek aan eerbied voor de federale loyauteit, waarvan zij het slachtoffer is, bestempelt; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt dat het aangevoerde nadeel slechts een eventueel nadeel is en dat de verzoekende partij niet uiteenzet waarin dit nadeel concreet bestaat en in welk opzicht het moeilijk te herstellen is; dat zij voorts doet gelden dat het formuleren van een nadeel dat louter bestaat in de aantrekkelijkheid van de Vlaamse regelgeving indruist tegen de federale loyauteit; dat zij ten slotte wijst op de belangen van de bi-communautaire instellingen V-1687-5/7 zelf, en deze van de zorg behoevende Brusselaars; 5.
- Overwegende dat de verzoekende partij niet concreet aannemelijk maakt dat de ééntalig Franstalige bejaardenvoorzieningen en verzorgingsinstellingen ten gevolge van de bestreden regeling zich in groten getale tweetalig zullen gaan organiseren, zullen overstappen naar de bi-communautaire sector en een overeenkomst zullen sluiten met de Vlaamse regering; dat één brief van dergelijke instelling die enkel dreigementen in die zin uit, in dit verband niet volstaat; dat de verzoekende partij bovendien geen aanwijzingen verschaft met betrekking tot het concreet persoonlijk nadeel dat zij zou ondergaan door dergelijke gevreesde overstappen, noch aantoont in welk opzicht zij alsdan haar bevoegdheden niet meer zou kunnen uitoefenen; dat de rechtspraak waarop zij zich beroept ten deze niet relevant is; dat immers de in thans voorliggende zaak bestreden regeling zich niet richt tot de instellingen en voorzieningen die tot de bevoegdheidssfeer van de verzoekende partij behoren, doch tot instellingen en voorzieningen die tot de bi- communautaire sector behoren, en zich aldus niet richt tot rechtssubjecten die behoren tot het bevoegdheidsdomein van de verzoekende partij; dat de beweerde overstap, ten gevolge van die regeling, van instellingen en voorzieningen die tot dat bevoegdheidsterrein behoren, naar de bi-communautaire sector, zoals hiervoor reeds gesteld, àl te hypothetisch is en bovendien slechts een onrechtstreeks gevolg van die regeling zou zijn; dat bijgevolg met betrekking tot het bestreden besluit van de Vlaamse regering van 14 november 2003 niet aan de tweede schorsingsvoorwaarde is voldaan, omdat niet is aangetoond dat de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te lijden dat zou voortvloeien uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van dat besluit; 5.
- Overwegende, met betrekking tot de vordering tot schorsing gericht tegen het ministerieel besluit van 21 november 2003, dat ook in deze zaak aan de tweede schorsingsvoorwaarde niet is voldaan; dat dit nadeel immers op identieke wijze is geformuleerd als in het verzoekschrift tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse regering van 14 november 2003; dat geen specifieke nadelen voortvloeiend uit de inhoud van het betrokken aanvraagformulier worden aangevoerd, BESLUIT : Artikel
- V-1687-6/7 De zaken A. 147.456/V-1687 en A. 149.009/V-1689 worden samengevoegd. Artikel
- De vorderingen tot schorsing worden verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vorderingen tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting van de Ve kamer zetelend in kort geding, op dertig maart tweeduizend en zes, door : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, R. STEVENS, staatsraad, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, de H. W.GEURTS, griffier, De griffier, De voorzitter van de Raad van State, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. V-1687-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.168 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div