← België

Arrest 157172 - - 30/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.172 Rolnummer: A. 141493/XIV-16709 Zaak: Arrest 157172 - - 30/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-05 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 16:17 Fiche Arrest nr 157.172 van 30 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.172 van 30 maart 2006 in de zaak A. 141.493/XIV-16.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1090 BRUSSEL, R. Soetensstraat 12 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 21 april 1953, en XXX, geboren in 1953 en beiden van Libanese nationaliteit, op 12 september 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 augustus 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 19 mei 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op 14 augustus 2003; Gelet op de beschikking van 26 september 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 23 februari 2004 op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 25 februari 2004; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 19 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 8 februari 2006 om 14.00 uur; XIV-16.709-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. HAEGEMANS die, loco Advocaat D. MONFILS, verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  5. De verzoekende partijen komen België binnen op 3 mei 2003 en verklaren zich vluchteling op 5 mei
  6. 1.
  7. Op 19 mei 2003 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 11 augustus 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten opzichte van XXX, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U verklaart Palestijn te zijn, geboren en afkomstig uit Libanon. Op 22 april 2003 hebt u Libanon verlaten, vergezeld van uw echtgenote XXX en van uw twee zonen, en bent u via Syrië en Turkije naar België gereisd. Op 5 mei 2003 hebt u asiel gevraagd aan de Belgische autoriteiten. U hebt Libanon verlaten omdat uw zoon W. onder druk van 'Jihad al-Islami' een zelfmoordaanslag had voorbereid en u hem hiervan wou weerhouden. U hebt dit via uw vrouw vernomen op 12 april
  9. U vreesde dat W. vervolgd zou worden door die organisatie en dat hij de zel(f)moordaanslag toch zou moeten plegen. U vreesde bijkomend ook persoonlijke vervolging vanwege 'Hezbollah' en de Libanese autoriteiten omdat deze samenwerken met 'Jihad al -Islami'. In 1999 bent u drie dagen, zonder inbeschuldigingstelling, door de Libanese autoriteiten vastgehouden nadat uw broer Libanon had verlaten. U hebt hier(v)an geen verdere gevolgen ondervonden. U vreest uit wraak voor de hulp aan uw zoon valselijk beschuldigd te worden. B. Motivering Uit uw verklaringen blijkt dat u uw asielaanvraag steunt op de problemen van uw zoon, W. K., die hij in Libanon kende met 'Jihad al-Islami'. U hebt Libanon verlaten om hem te beschermen tegen een zelfmoordaanslag en eventuele vervolgingen. U haalt geen persoonlijke feiten aan ter motivering van uw vertrek uit Libanon in april
  10. Wat betreft het door hem ingesteld dringend beroep werd door het Commissa(a)riaat-generaal een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen aangezien zijn verklaringen, nl. weigering van deelname aan een zelfmoor(d)actie, niet geloofwaardig werden bevonden. Derhalve dient ook voor u een bevestigende beslissing te worden genomen aangezien de gevolgen die u persoonlijk vreest met Hezbollah, Jihad en de Libanese overheid na bovenvermelde weigering van uw zoon evenmin als ernstig, noch geloofwaardig kunnen worden bestempeld. XIV-16.709-2/7 De door u neergelegde documenten ter ondersteuning van uw asielaanvraag, de identiteitskaarten van u en uw zonen, een UNRWA registratiekaart en uw huwelijksakte, kunnen bovenstaande vaststellingen niet in positieve zin ombuigen gezien deze alleen betrekking hebben op uw identiteit hetgeen niet ter discussie staat. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten opzichte van XXX, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U verklaart een Libanees staatsburger te zijn afkomstig uit Beirouth. Op 22 april 2003 hebt u Libanon verlaten, vergezeld van uw echtgenoot XXX en van uw twee zonen, en bent u via Syrië en Turkije naar België gereisd. Op 5 mei 2003 hebt u asiel gevraagd aan de Belgische autoriteiten. U bent niet in het bezit van enig identiteitsdocument. Uw echtgenoot is van Palestijnse origine. U hebt Libanon verlaten omdat uw zoon W. onder druk van 'Jihad al-Islami' een zelfmoordaanslag had voorbereid en uw echtgenoot en u hem hiervan wilden weerhouden. U bent dit toevallig te weten gekomen toen u uw oudste zoon hoorde afscheid nemen van zijn jongere broer op 12 april
  11. U hebt uw echtgenoot hiervan op de hoogte gebracht. Deze wou Libanon verlaten om jullie zoon te beschermen en uit vrees voor eventuele vervolging. U hebt zelf geen persoonlijke problemen gekend in Libanon. B. Motivering Uit uw verklaringen blijkt dat u uw asielaanvraag steunt op de problemen van uw zoon, W. K., die hij in Libanon kende met 'Jihad al-Islami'. U hebt Libanon verlaten om hem te beschermen tegen een zelfmoordaanslag en eventuele vervolgingen. U haalt geen persoonlijke feiten aan ter motivering van uw vertrek uit Libanon in april
  12. Wat betreft het door hem ingesteld dringend beroep werd door het Commissariaat-generaal een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen aangezien zijn verklaringen niet geloofwaardig bevonden werden. Ook in hoofde van uw echtgenoot werd een bevestigende beslissing genomen. Derhalve dient ook voor u een bevestigende beslissing te worden genomen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”.
  13. Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat verzoekers in een enig middel de schending aanvoeren van het motiveringsbeginsel, van de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat het niet verbazingwekkend is dat hun zoon W. K. aanvankelijk niet wist tot welke partij zijn oom op het eind van de XIV-16.709-3/7 jaren negentig behoorde, aangezien hij op dat ogenblik slechts zestien jaar was, en omdat het probleem dat de aanleiding vormde voor zijn vlucht van persoonlijke aard was, en geen verband hield met zijn oom; dat verzoekers stellen dat hun zoon zich na het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken bij hen heeft geïnformeerd, teneinde te beschikken over een betere kennis omtrent de antecedenten van zijn familie; dat verzoekers betogen dat dit element niet toelaat de geloofwaardigheid van het asielrelaas van hun zoon in twijfel te trekken; dat verzoekers ontkennen dat hun zoon vrijwillig bedrieglijke verklaringen heeft afgelegd; dat verzoekers uiteenzetten dat het in casu gaat “om een persoon die eerst aanvaard zou hebben een zelfmoordaanslag te plegen en zich daarna zou hebben teruggetrokken en gevreesd zou hebben voor represailles omwille van zijn terugtrekking.”; dat verzoekers stellen dat “daar een bijkomende dimensie (is) ten opzichte van de hypothese die door het C.G.V.S. wordt weerhouden in zijn beslissing, die een verschil in behandeling kan rechtvaardigen”; dat verzoekers aanvoeren dat het “in casu wel degelijk (gaat) om de hypothese van een jongeman die zich vrijwillig heeft aangesloten bij de groep (...), die vrijwillig de deelname aan een zelfmoordopdracht heeft aanvaard (...) en die zich vervolgens heeft teruggetrokken uit deze opdracht.”; dat verzoekers stellen dat uit de overgelegde documentatie niet kan worden afgeleid dat er geen sprake is van gedwongen recrutering door de “Jihâd al-Islami”, en dat recrutering gebeurt op volstrekt vrijwillige basis; dat verzoekers uiteenzetten dat uit de voormelde informatie enkel kan worden afgeleid dat de mogelijkheid van gedwongen recruteringen weinig waarschijnlijk is; dat verzoekers aanvoeren dat de motivering van de beslissing die de Commissaris-generaal heeft genomen met betrekking tot hun zoon, niet is gerechtvaardigd, en dat dit bijgevolg ook het geval is voor de bestreden beslissingen, vermits zij uitsluitend worden gemotiveerd door een verwijzing naar het dossier van hun zoon; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert “dat verzoekers in hun verzoekschrift dezelfde middelen en argumenten aanhalen als deze in het verzoekschrift van hun zoon K. W. (...). Verweerder herneemt in het huidige verzoekschrift (in de huidige memorie) dan ook zijn uiteenzetting onder (gegeven naar aanleiding van) het verzoekschrift van de zoon van verzoekers.”; dat de verwerende partij betoogt dat, gelet op het feit dat verzoeker en zijn familie problemen kregen omwille van de politieke activiteiten van hun oom, mag worden verwacht dat zij daarover concrete en coherente verklaringen zouden kunnen afleggen, hetgeen evenwel in casu niet het geval is; dat de verwerende partij aanvoert dat verzoekers verklaring, naar luidt waarvan de “Jihâd al-Islami” gedwongen recruteringen uitvoert en weigeraars vermoordt, in tegenspraak is met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, zodat het weinig aannemelijk is dat verzoeker omwille van een weigering, represailles dient te vrezen; dat de verwerende partij stelt dat uit de informatie waarover zij beschikt, blijkt dat de “Jihâd al-Islami” geen gedwongen recruteringen doorvoert; dat de verwerende partij besluit dat de bestreden beslissing op een correcte wijze is genomen en gemotiveerd; XIV-16.709-4/7 Overwegende dat verzoekers in hun memorie van wederantwoord verwijzen naar het initieel verzoekschrift; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissing kennen, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat verzoekers bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal ten aanzien XXX tot deze conclusie is gekomen omdat: - uit verzoekers verklaringen blijkt dat hij zijn asielaanvraag steunt op de problemen die zijn zoon, W. K., in Libanon kende met de “Jihâd al-Islami”; dat verzoeker Libanon heeft verlaten om zijn zoon te beschermen tegen een zelfmoordaanslag en eventuele vervolgingen; dat verzoeker evenwel geen persoonlijke feiten aanhaalt ter motivering van zijn vertrek; dat het Commissariaat-generaal ten aanzien van verzoekers zoon een bevestigende beslissing van weigering van verblijf heeft genomen aangezien zijn verklaringen niet geloofwaardig werden bevonden; dat bijgevolg ook ten aanzien van verzoeker een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, aangezien de gevolgen die hij, na bovenvermelde weigering van zijn zoon, persoonlijk vreest met de Hezbollah, de Jihad en de Libanese overheid, niet ernstig en geloofwaardig zijn; Overwegende dat de Commissaris-generaal ten aanzien XXX tot deze conclusie is gekomen omdat: XIV-16.709-5/7 - uit verzoeksters verklaringen blijkt dat zij haar asielaanvraag steunt op de problemen die haar zoon, W. K., in Libanon kende met de “Jihâd al-Islami”; dat verzoekster Libanon heeft verlaten om haar zoon te beschermen tegen een zelfmoordaanslag en eventuele vervolgingen; dat verzoekster evenwel geen persoonlijke feiten aanhaalt ter motivering van haar vertrek; dat het Commissariaat-generaal ten aanzien van verzoeksters zoon een bevestigende beslissing van weigering van verblijf heeft genomen aangezien zijn verklaringen niet geloofwaardig werden bevonden; dat het Commissariaat-generaal ook ten aanzien van verzoeksters echtgenoot, XXX, een bevestigende beslissing van weigering van verblijf heeft genomen; dat bijgevolg ook ten aanzien van verzoekster een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen; Overwegende dat verzoekers geen enkel concreet element aanbrengen ter staving van hun argumenten; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissingen heeft genomen met in achtname van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de Commissaris-generaal in casu heeft besloten tot kennelijke ongegrondheid van verzoekers asielaanvraag, omdat zij onvoldoende elementen hebben aangebracht dat er, wat hen betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat uit de verklaringen van verzoekers immers blijkt dat zij hun asielrelaas volledig baseren op de motieven van hun zoon W. K.; dat uit arrest nr. 157.171 van 30 maart 2006 van de XIVde Kamer van de Raad van State blijkt dat de Commissaris-generaal op goede gronden heeft besloten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van verzoekers zoon, omdat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd die de geloofwaardigheid van zijn vluchtrelaas ondergraven; dat de Commissaris-generaal bijgevolg ook ten aanzien van verzoekers op goede gronden een bevestigende beslissing van weigering van verblijf kon nemen; dat het gaat om een “volgbeslissing”, die wettig is; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het asielrelaas van verzoekers grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, deugdelijke, afdoende en pertinente motieven; Overwegende dat het enig middel ongegrond is, XIV-16.709-6/7 BESLUIT: Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig maart tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-16.709-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.172 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.