← België

Arrest 157203 - - 30/03/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.203 Rolnummer: A. 120730/XIV-9906 Zaak: Arrest 157203 - - 30/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-11 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 16:18 Fiche Arrest nr 157.203 van 30 maart 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.203 van 30 maart 2006 in de zaak A. 120.730/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. GOVAERTS, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Beekstraat 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 11 november 1967 en van Pakistaanse nationaliteit, op 24 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 maart 2002 tot uitsluiting van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), en van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 10 april 2002; Gelet op de beschikking van 16 mei 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, d.d. 29 januari 2004 op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 30 januari 2004; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-9906-1/6 Gelet op de beschikking van 28 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 16 november 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN die, loco Advocaat K. GOVAERTS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat C. DECORDIER die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. Op 21 januari 2000 heeft de verzoekende partij een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 1/. 1.
  4. Op 22 maart 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing genomen tot uitsluiting van verzoeker van de toepassing van de Regularisatiewet. Dit is de eerste bestreden beslissing, die als volgt luidt: “(...) Gelet op de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, inzonderheid de artikelen 5 en 14; Gelet op de aanvraag tot regularisatie ingediend op 21.01.2000 door de zich noemende XXX geboren op 11.11.1967 te Karachi van Pakistaanse nationaliteit; Overwegende dat voor deze aanvraag het criterium

(1)werd aangevoerd; Overwegende dat betrokkene zich op 28.04.1995 vluchteling verklaarde en dat de Dienst Vreemdelingenzaken dezelfde dag beslist tot weigering van verblijf, beslissing hem rechtstreeks betekend; Overwegende dat hij op 28.04.1995 een dringend beroep indiende bij het Commissariaat- generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dat op 28.06.1996 hem weigerde te erkennen als vluchteling, beslissing hem betekend op 02.07.1996; Overwegende dat hij op 04.07.1996 een schorsend (beroep) indiende bij de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen die op 30.11.1998 besliste betrokkene niet te erkennen als vluchteling; Overwegende dat hij uit hoofde van opzettelijke verwondingen of slagen met ziekte of arbeidsongeschiktheid tot gevolg op 13 maart 1998 door de Correctionele Rechtbank te Leuven werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 jaar; Overwegende dat hij op 15.12.1998 een aanvraag deed tot regularisatie van zijn verblijf op basis van het artikel 9,3/ van de wet van 15.12.1980; Overwegende dat uit de voorgaande feiten blijkt dat hij, door zijn persoonlijk gedrag, de openbare orde heeft geschaad; Overwegende dat hij dienvolgens een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid betekent; XIV-9906-2/6 BESLIST : - de zich noemende XXX, geboren op 11 november 1967 te Karachi van Pakistaanse nationaliteit is uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk en zal kunnen verwijderd worden uit het Rijk. (...)”. 1.
  1. Op 10 april 2002 werd aan verzoeker een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten ter kennis gebracht, uitgevaardigd in uitvoering van de eerste bestreden beslissing. Dit is de tweede bestreden beslissing.
  2. Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat verzoeker in een enig middel machtsoverschrijding aanvoert, evenals een schending van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), en van de beginselen van behoorlijk bestuur; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing louter is gebaseerd op de veroordeling die op 13 maart 1998 lastens verzoeker werd uitgesproken door de correctionele rechtbank te Leuven; dat verzoeker stelt dat uit deze veroordeling ten onrechte wordt afgeleid dat verzoeker een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid; dat verzoeker uiteenzet dat “de Correctionele Rechtbank aan verzoeker het voordeel van het uitstel van de tenuitvoerlegging voor acht maanden van de hoofdgevangenisstraf van één jaar heeft verleend”; dat verzoeker betoogt dat de rechter aldus te kennen heeft gegeven dat hij nog een kans op maatschappelijke integratie verdient, en dat een dreiging met tenuitvoerlegging volstaat om recidive te voorkomen; dat verzoeker aanvoert dat het vonnis, zonder bijkomend onderzoek naar de actuele positie van verzoeker in de Belgische samenleving en zijn maatschappelijk gedrag, niet toelaat om verzoeker als een gevaar voor de openbare orde te beschouwen; dat verzoeker besluit dat de Minister van Binnenlandse Zaken de bestreden beslissing heeft genomen zonder zich ervan te vergewissen dat hij over alle elementen beschikte die nodig waren om met kennis van zaken een beslissing te nemen; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat uit het vonnis van de correctionele rechtbank te Leuven blijkt dat verzoeker een misdrijf met aantasting van de fysieke integriteit van Belgische onderdanen heeft gepleegd; dat de verwerende partij stelt dat de Minister van Binnenlandse Zaken, op grond van artikel 5 van de Regularisatiewet, een ruime appreciatiebevoegdheid geniet om uit te maken of een regularisatie al dan niet een gevaar betekent voor de openbare orde of de nationale veiligheid; dat de verwerende partij uiteenzet dat het niet onredelijk is om iemand die, XIV-9906-3/6 wegens gewelddelicten, een effectieve gevangenisstraf heeft bekomen, zij het deels met uitstel, te beschouwen als een gevaar voor de openbare orde en bijgevolg de regularisatie te weigeren met toepassing van artikel 5 van de Regularisatiewet; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aanvoert dat de gevangenisstraf waartoe hij werd veroordeeld, ruim twee jaar voor de bestreden beslissing werd uitgesproken, en dat de strafrechter aan verzoeker nog een kans op maatschappelijke reïntegratie heeft verleend door de uitvoering van de straf in ruime mate uit te stellen; dat verzoeker stelt dat uit de veroordeling als zodanig niet kan worden afgeleid dat hij twee jaar later alsnog een gevaar voor de openbare orde zou zijn; dat verzoeker voor het overige verwijst naar het initieel verzoekschrift; Overwegende dat, waar verzoeker zich beroept op machtsoverschrij- ding, en op een schending van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), blijkt dat verzoeker zich beperkt tot het summier aanhalen van de wetten en beginselen die hij geschonden acht, zonder aan te duiden op welke wijze die wetten en beginselen door de bestreden beslissing geschonden zijn; dat verzoeker nalaat deze concreet te betrekken op de bestreden beslissing, noch op zijn persoonlijke situatie; dat verzoeker zich in wezen beperkt tot het uiten van zijn ongenoegen over de bestreden beslissing, doch nalaat uit te leggen waarom de bestreden beslissing inhoudelijk te wensen over laat; dat verzoeker zijn grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens en het derhalve niet aannemelijk maakt dat de Minister van Binnenlandse Zaken niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; dat dit onderdeel van het enig middel onontvankelijk is; Overwegende dat, waar verzoeker een schending aanvoert van “het beginsel van behoorlijk bestuur (...) dat bepaalt dat de overheid een volledig onderzoek dient uit te voeren naar de omstandigheden van de zaak”, blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken de bestreden beslissing heeft genomen op basis van artikel 5 van de Regularisatiewet, dat als volgt luidt: “(...) De in artikel 2 bedoelde vreemdelingen die naar het oordeel van de minister een gevaar betekenen voor de openbare orde of de nationale veiligheid, zijn van de toepassing van deze wet uitgesloten. (...)”. Overwegende dat uit artikel 5 van de Regularisatiewet niet blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken een onderzoek moet voeren naar de actuele positie van XIV-9906-4/6 verzoeker in de Belgische samenleving en naar zijn maatschappelijk gedrag; dat uit voormeld artikel 5 van de Regularisatiewet wel volgt dat de Minister op elk moment van de procedure kan beslissen om de aanvrager uit te sluiten van de toepassing van de Regularisatiewet, wanneer deze een gevaar betekent voor de openbare orde of de nationale veiligheid; dat de Minister van Binnenlandse Zaken beschikt over een ruime appreciatiebevoegdheid om na te gaan of het gevaar voor de openbare orde verantwoordt dat de vreemdeling wordt uitgesloten van de toepassing van de wet; dat de Minister zich hiertoe kan baseren op het gerechtelijk verleden van verzoeker; dat de Minister van Binnenlandse Zaken in casu van oordeel is dat verzoeker, door zijn persoonlijk gedrag, een gevaar uitmaakt voor de openbare orde of de nationale veiligheid; dat de Minister van Binnenlandse Zaken tot dit besluit is gekomen op grond van de vaststelling dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke slagen en verwondingen met ziekte of arbeidsongeschiktheid tot gevolg, en hiervoor op 13 maart 1998 door de correctionele rechtbank te Leuven werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 jaar, waarvan 8 maanden met uitstel; dat het feit dat aan verzoeker het voordeel van het uitstel van de straf werd verleend, de Minister van Binnenlandse Zaken niet belet zijn discretionaire bevoegdheid, op grond van artikel 5 van de Regularisatiewet, uit te oefenen; dat een strafrechtelijke veroordeling, ook wanneer het voordeel van het uitstel van de straf wordt toegekend, betekent dat de feiten die aan de basis liggen van deze veroordeling, bewezen zijn; dat deze vaststelling kan volstaan om te besluiten tot een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord een nieuw middel formuleert, nu hij aanvoert dat de eerste bestreden beslissing onvoldoende zou zijn gemotiveerd; dat een nieuw middel enkel voor het eerst ontvankelijk kan worden aangevoerd in de memorie van wederantwoord, wanneer het niet kon worden aangevoerd in het verzoekschrift omdat de nodige gegevens daartoe niet bekend waren of wanneer het een middel betreft dat de openbare orde raakt; dat dit in casu niet het geval is; dat dit onderdeel van het enig middel, zoals geformuleerd in de memorie van wederantwoord, niet ontvankelijk is; Overwegende dat in het verzoekschrift geen middelen werden uiteengezet tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, XIV-9906-5/6 BESLUIT: Artikel
  3. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig maart tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-9906-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.203 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.