id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.252 Rolnummer: A. 166020/VII-34590 Zaak: Arrest 157252 - - 31/03/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-05 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 16:35 Fiche Arrest nr 157.252 van 31 maart 2006 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.252 van 31 maart 2006 in de zaak A. 166.020/VII-34.590. In zake : 1. Gabriëlle PHILIPS, 2. Fernand GILLIJNS, die woonplaats kiezen bij advocaten T. DEWANDRE en Ph. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan 20. tussenkomende partij : de n.v. AQUAFIN, die woonplaats kiest bij advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Gabriëlle PHILIPS en Fernand GILLIJNS op 13 september 2005 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 12 juni 2005 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij het beroep van omwonen- den tegen het besluit van 2 december 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende het verlenen aan de n.v. AQUAFIN van de vergunning voor het exploiteren van een rioolwaterzuiveringsinstallatie, gelegen aan de Flosstraat z/n te Tervuren, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; VII-34.590-1/15 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 20 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 maart 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. DEWANDRE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat S. BEECKMAN die, loco advocaat I. LAUREYS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. PHLIPS die, loco advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Tussenkomst Overwegende dat de n.v. AQUAFIN, begunstigde van de bestreden vergunning, met een verzoekschrift van 5 oktober 2005 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat haar verzoek kan worden ingewilligd; 2. Feitenuiteenzetting Overwegende dat de feitelijke gegevens zich in de huidige stand van het geding als volgt aandienen : 2.1. Op 3 augustus 2004 dient de tussenkomende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een milieuvergun- ningsaanvraag in voor het exploiteren van een rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Flosstraat te Tervuren. Tot het voorwerp van de aanvraag behoort in concreto : - een rioolwaterzuiveringsinstallatie van 17.000 inwonersequivalent omvattende : twee persleidingen, een mechanische zuivering door een automatisch fijnrooster, VII-34.590-2/15 een manueel rooster, een zandvanger, twee trommelzeven met automatische afsluiter, een biologische zuivering door een bioreactor, een fijnbellenbeluchting, een membraanextractie-eenheid, een koolstofdosering, slibverwerking door een indiktafel, een polyelektroliet-aanmaakinstallatie, een PE-dosering, een slibbuffertank en een regenbezinktank; - een transformator van 800 kVA; - twee luchtcompressoren van elk 7,5 kW; - de opslag van circa 22.500 kg defosfatatiemiddel, 3.300 kg PE, 1.100 kg Na0Cl en 1.200 kg Hcl; - de opslag van 1.000 liter smeerolie en 1.000 liter afgewerkte olie; - een laboratorium. 2.2. Bij besluit van 2 december 2004 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde milieuvergunning voor een termijn van twintig jaar. De vergunning wordt afhankelijk gesteld van de naleving van een aantal bijzondere voorwaarden. 2.3. Op 12 januari 2005 stellen de verzoekende partijen en Hubert SOMMERYNS bij de minister beroep in tegen die vergunning. 2.4. De adviezen die in de beroepsprocedure worden uitgebracht stellen alle de verwerping van het beroep voor. 2.5. Met het bestreden besluit wordt het administratief beroep ongegrond verklaard en de beroepen beslissing bevestigd; 3. Ontvankelijkheid van de vordering Overwegende dat de tussenkomende partij bij wege van exceptie opwerpt dat de vordering laattijdig is ingesteld, omdat uit een brief uitgaande van de tweede verzoeker zou blijken dat de verzoekende partijen meer dan zestig dagen vóór het instellen van de vordering kennis hadden van de bestreden beslissing; Overwegende dat de exceptie niet opgaat, omdat de beroepstermijn in casu niet ingaat met de dag van de feitelijke kennisname van de bestreden beslissing, doch met het verstrijken van de aanplakkingstermijn bedoeld in artikel 52, 4/, a en b, juncto artikel 31 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari VII-34.590-3/15 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning; 4. Gegrondheid van de vordering Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.1. Ernstig middel 4.1.1. Standpunten van de partijen 4.1.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen als vierde middel de schending aanvoeren van : "artikel 5.2.1.4. van het Vlarem II-besluit van 1 juni 1995, (...) van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, (...) van artikel 52, 3/ Vlarem I-besluit, (...) van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht der bestuurshandelingen, en (...) van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Doordat de RWZI waarvoor de bestreden milieuvergunning werd afgeleverd, deels wordt ingeplant in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en dit op een afstand van slechts enkele meters van een natuurgebied en een landelijk woongebied. Terwijl bij het inplanten en inrichten van een inrichting voor het verwerken van afvalstoffen, zoals een RWZI (cf. R.v.St., nr. 78.964 van 25 februari 1999; R.v.St., OVYN, nr. 103.898 van 21 februari 2002), o.m. rekening dient gehouden te worden met de aanwezigheid in de omgeving en de afstand tot woonwijken, recreatiegebieden, wegen en waterwegen, waterrijke gebieden, industrie, landbouw- en woongebieden, groen- en parkgebieden, het culturele erfgoed, enz. (cf. art. 5.2.1.4. Vlarem II-besluit). En terwijl uit de inplantingsplaats van de vergunde installatie blijkt dat deze een ongemeen ongunstige ligging heeft en er zodoende bij het bepalen van deze inplantingsplaats helemaal geen rekening werd gehouden met de aanwezigheid van en de afstand tot de in artikel 5.2.1.4. Vlarem II-besluit vermelde gebieden en woningen. En terwijl uit de toepassing van deze bepaling immers volgt dat een dergelijke inplantingsplaats niet kan worden vergund indien zo komt vast te staan dat de installatie op deze gebieden effecten zal ressorteren die ervoor nadelig zijn, of die met deze gebieden niet verenigbaar zijn. En terwijl in casu helemaal geen overweging wordt gewijd aan de nabije ligging bij o.m. een natuurgebied en een landelijk woongebied. VII-34.590-4/15 En terwijl dit des te meer prangt, nu de zone voor openbaar nut, los van haar inkleuring op het gewestplan, zelf ook als een groengebied moet worden beschouwd dat aansluit bij een als zodanig ingekleurd natuurgebied"; 4.1.1.2. Overwegende dat de verwerende partij hierop in haar nota antwoordt : "Verzoekers gaan er ten onrechte vanuit dat de exploitatie van een RWZI door de nv Aquafin onderworpen zou zijn aan de sectorale regels voor de inrichtingen voor het verwerken van afvalstoffen. Nochtans wordt zulks ontkracht in de motieven van de bestreden beslissing zelf : 'Overwegende dat een rioolwaterzuiveringsinstallatie geen afvalverwer- kingsinstallatie is; dat volgens de definitie een afvalstof elke stof of elk voorwerp is voorkomend op de afvalstoffenlijst van de VLAREA (de omzetting van de Beschikking van de Europese Commissie 2000/522/EG van 3 mei 2000) waarvan de houder zich ontdoet; dat de richtlijn 75/442/EEG van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen duidelijk aangeeft dat onder andere afvalwater, met uitzondering van afvalstoffen in vloeibare toestand, buiten de werkingssfeer van deze richtlijn valt (zie ook artikel 4, 3/ van het Afvalstoffendecreet); dat er op een RWZI wel afvalstoffen geproduceerd worden onder de vorm van slib, die dan afgevoerd worden en niet ter plaatse verwerkt worden; dat ter plaatse enkel een eerste ontwatering plaatsvindt van het slib, wat integraal deel uitmaakt van de waterzuiveringsinstallatie zoals ook vermeld in rubriek 3.6 van de indelingslijst van titel I van het Vlarem; dat er enkel sprake is van tijdelijke slibopslag op de plaats van de productie, voorafgaand aan elke inzameling, in functie van een georganiseerde en regelmatige afvoer; dat er geen externe vloeibare afvalstoffen worden aangevoerd; dat stedelijk afvalwater geen industrieel afvalwater is; dat de additieven voor chemische defosfata- tie niet verwerkt worden als afvalstof'. De regenwaterbezinktanks op de RWZI bevatten met regenwater verdund stedelijk afvalwater. Afvalwater valt niet onder de definitie van afvalstoffen overeenkomstig het Afvalstoffendecreet (artikel 4,3/). Het mengsel regenwaterafvalwater van de RBT wordt trouwens na een regenbui terug afgelaten naar de RWZI waar het als afvalwater vervolgens biologisch behandeld wordt. Een tank met afvalwater kan dus nooit beschouwd worden als een opslagplaats voor afvalstoffen in of op de bodem. Een buffertank voor ter plaatse geproduceerd zuiveringsslib is evenmin een inrichting voor het verwerken van afvalstoffen, aangezien de voorlopige opslag op de plaats van productie voorafgaand aan elke inzameling gebeurt in functie van een georganiseerde regelmatige afvoer van afvalstoffen. Beide voornoemde inrichtingen worden dan ook niet ingedeeld onder de Vlarem-rubrieken van afvalstoffen. Zij worden vergund onder rubriek 3.6 Afvalwaterzuiveringsinstallaties met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie. Afvalwaterzuiveringsinstallaties horen per definitie thuis in zones voor openbare nutsvoorzieningen. Er is dan ook - zoals reeds meer uitgebreid uiteengezet naar aanleiding van de bespreking van het eerste middel - geen sprake van enige onverenigbaarheid per definitie van de exploitatie van een RWZI binnen een gebied voor gemeen- schapsvoorzieningen en openba(
- re)nutsvoorzieningen. VII-34.590-5/15 Zoals hierboven reeds uiteengezet is de inrichting verenigbaar en bestaanbaar met de bestemming openbare nutsvoorziening. Bijzondere afstandsregels zoals deze werden opgenomen in Vlarem II ten opzichte van bepaalde hindergevoelige gebieden en zoals deze van toepassing zijn op inrichtingen voor afvalstoffenverwerking zijn -gelet op het voorgaande- totaal niet van toepassing op de kwestieuze RWZI als afvalwaterzuiveringsin- stallatie. Er diende dan ook door de Minister hieraan geen bijkomende overwegingen te worden gewijd"; 4.1.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst met betrekking tot dit middel doet gelden : "In hoofdorde dient opgemerkt te worden dat verzoekers er ten onrechte van uitgaan dat de sectorale regels voor de inrichtingen voor het verwerken van afvalstoffen in casu van toepassing zijn. Dit wordt echter in de bestreden beslissing terecht betwist (op pagina 16) en er wordt terecht in de bestreden beslissing gesteld dat een RWZI geen afvalverwerkingsinstallatie is, vermits de Europese richtlijnen betreffende afvalstoffen duidelijk aangeven dat afvalwater, met uitzondering van afvalstoffen in vloeibare toestand, buiten de werkingssfeer van de richtlijnen valt. Er wordt in een RWZI wel slib geproduceerd, dat na een eerste ontwatering ter plaatse, afgevoerd wordt en dus niet ter plaatse verwerkt wordt. Afvalwater valt niet onder de definitie van afvalstoffen overeenkomstig artikel 4,3/ van het afvalstoffendecreet. Er is één regenbezinktank met 2 compartimenten. Deze bevat regenwater verdund met stedelijk afvalwater. Een tank met afvalwater is geen opslagplaats voor afvalstoffen. Een buffertank voor ter plaatse geproduceerd zuiveringsslib is evenmin een inrichting voor het verwerken van afvalstoffen aangezien de voorlopige opslag op de plaats van productie voorafgaand aan elke inzameling gebeurt in functie van een georganiseerde regelmatige afvoer van afvalstoffen. Gezien noch de regenwaterbezinkingstanks noch de buffertank kunnen worden ingedeeld onder de VLAREM-rubrieken van afvalstoffen, is in casu artikel 5.2.1.4 VLAREM II niet van toepassing. In casu wordt de RWZI ingeplant in een zone voor openbare nutsvoorzie- ningen, hetgeen een zone is die specifiek voor dergelijke installaties voorzien is. In subsidiaire orde, zelfs indien uw Raad zou oordelen dat artikel 5.2.1.4 van VLAREM-II wel van toepassing zou zijn, quod non, betwist de N.V. AQUAFIN dat artikel 5.2.1.4 van VLAREM II zou zijn geschonden. Verzoekende partijen roepen in dat de RWZI waarvoor de bestreden milieuvergunning werd afgeleverd, wordt ingeplant in de onmiddellijke nabijheid van een landelijk woongebied, van een natuurgebied, van een landschappelijk waardevol gebied, van een gewoon agrarisch gebied, van een waterloop, van een waterwinninggebied, van een beschermingszone en dat de inplanting is voorzien aan een vanuit natuuroogpunt waardevolle holle weg met een aanpalend bos gelegen in natuurgebied, zijnde de Flosstraat die volgens de biologische waarderingskaart staat ingekleurd met de hoogst mogelijke waardering (biologisch zeer waardevol gebied), net zoals het aanpalend natuurgebied. VII-34.590-6/15 Artikel 5.2.1.4 van het Vlarem II-besluit luidt als volgt : (...) In casu werd deze bepaling van VLAREM II correct toegepast. Het feit dat in de bestreden beslissing geen melding wordt gemaakt van dit artikel, is irrelevant, indien blijkt dat de verplichting die in dit artikel is opgelegd de facto is nageleefd door de vergunningverlenende overheid, zoals in casu het geval is. Vooreerst wenst de NV. AQUAFIN erop te wijzen dat de inrichting volgens het gewestplan Leuven (KB dd. 07.04.1977) voor het RWZI-gedeelte volledig gelegen is in gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen, dat gedeeltelijk tevens waterwinningsgebied is. Voor het lozingsgedeelte (perceel 475 1) is de inrichting gelegen in woongebied met landelijk karakter, dat tevens waterwinningsgebied is. De RWZI is langs de noordoostelijke zijde en de zuidoostelijke zijde omgeven door akkerland. Ten noordwesten op ca. 5 m van de perceelsgrens ligt een woning met vooraan aan de Flosstraat een bunker. Deze woning ligt volgens het gewestplan in gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen. Deze woning ligt in vogelvlucht op ca. 37 m van de regenbezinktank, ca. 28 m (horizontaal gemeten) van de mechanische zuivering en + 50 m van de biologische zuivering. Ten opzichte van de vorige aanvraag is de inplanting van de RWZI met 15 m opgeschoven om een grotere buffer tot de dichtstbijgelegen woning te vormen. De RWZI wordt geheel in een grote uitgraving gelegd, ongeveer op het peil van de Flosstraat, ter hoogte van de toegang, zodat het hoogste gebouw van de RWZI 7 à 10 m onder het peil van de aanpalende percelen ligt. De Flosstraat is een veldweg met een kasseiverharding van 2,5 m en vormt over een lengte van ongeveer 500 m een holle weg met een aanpalend bos gelegen in natuurgebied volgens het gewestplan. Verder in de noordwestelijke richting, op een 80 m van de perceelsgrens, bevinden zich langs de straat genoemd Hondsbergen, een tiental woningen. In zuidwestelijke richting aan de overzijde van de Flosstraat liggen nog enkele woningen in de 100- meter zone vanaf de perceelsgrens. De RWZI is in overeenstemming met de bestemming 'gebied voor gemeen- schaps- en openbare nutsvoorzieningen' van het Gewestplan (art. 17 van het KB van 28.12.1972). De RWZI ligt totaal verstopt door de inplanting in een uitgraving en de voorziene herbeplanting. In de bestreden beslissing werd met al deze elementen rekening gehouden en het kan niet ontkend worden dat er aandacht is besteed en rekening werd gehouden met de aanwezigheid in de omgeving van en de afstand tot woonwij- ken, wegen en waterwegen, waterrijke gebieden, landbouw- en woongebieden, groengebieden enz. De hoogste constructie van de rioolwaterzuiveringsinstallatie is het fijnroostergebouw dat ca. 7 m boven het maaiveld uitkomt. De volledige installatie wordt langs drie kanten, behalve de straatkant omsloten door een hoge talud, zodat de installatie alleen zichtbaar zal zijn vanaf de Flosstraat. Voor het bouwen van de installatie wordt het perceel immers afgegraven tot verschillende meters beneden het actuele maaiveld. Gelet op de ligging van de woningen en de overheersende zuidwestenwind worden er preventieve en curatieve maatregelen genomen om de geluids- en geurhinder te beperken. Er worden ook maatregelen genomen om de geurhinder voor de nabijgelegen woningen zoveel mogelijk te beperken. VII-34.590-7/15 Uit deze uiteenzetting blijkt dat de bovenvermelde VLAREM II-bepaling op correcte wijze werd toegepast. Bovendien dient erop gewezen te worden dat deze VLAREM II-bepaling geen dwingende verbods- of afstandregels bevat (zie arrest van RvSt. dd. 25.02.1999, nr. 78.964 inzake PEETERS /VERRETH /VERWIMP/ DE MEES). Ten onrechte stellen verzoekende partijen dat de betrokken RWZI in het licht van artikel 5.2.1.4 van VLAREM II moeilijk op een slechtere plaats zou kunnen worden ingeplant dan op de plaats die de N.V. AQUAFIN en de Minister hebben gekozen. De beoordeling en de keuze van de inplantingsplaats behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid. In casu werden alle wettelijke bepalingen nageleefd en werden alle argumen- ten afgewogen. De keuze van de inplantingsplaats van de RWZI waarop de bestreden milieuvergunning betrekking heeft, is na afweging van alle elementen de beste, en er dient ook rekening gehouden te worden met het feit dat de inplantings- plaats die thans gekozen is, volledig in overeenstemming is met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften aangezien de RWZI volledig wordt ingeplant in een gebied met als bestemming 'gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen' van het gewestplan. Immers het afvalwater van Tervuren wordt gecollecteerd via een collectoringsysteem dat verder bouwt op reeds aanzienlijke investeringen van het verleden. Deze situatie nu omkeren zou onverantwoorde kosten voor de gehele gemeenschap met zich meebrengen en waarschijnlijk ook technisch niet optimaal zijn, gezien het gravitaire karakter van water. Sinds 1960 is alle riolering in de streek opgevat om te eindigen in Vossem in de Voervallei om aldaar gezuiverd te worden. Terzelfdertijd is echter de dorpskern van Vossem in de Voervallei volgebouwd tot aan de grenzen van het waterwingebied. Zodoende is er in de vallei zelf geen plaats meer voor de installaties (ofwel volgebouwd ofwel beschermzone II uit hoofde van de waterwinning wat rioolwaterzuivering verbiedt). De technische oplossing bestaat er dan uit om het afvalwater op het laagste verzamelpunt in de vallei op te vangen en vandaar te verpompen naar de dichtstbijzijnde geschikte locatie. De Flosstraat werd verkozen omwille van : - zone openbaar nut - net buiten, maar aansluitend bij bebouwing ( omwille van het ontzien van de schaarse open ruimte = eis van dienst Ruimtelijke Ordening) - buiten beschermzone II van waterwingebied - relatief dicht bij vallei en pompstation en relatief beperkte opvoerhoogte - op grondgebied Tervuren-Vossem (indien dit niet het geval zou zijn, zou de RWZI meer dan verdubbelen qua capaciteit omdat dan ook Bertem moet aangesloten worden en dan wordt het geheel nog moeilijker inpasbaar in landschap en bewoning = argument van kleinschaligheid)"; 4.1.2. Bespreking Overwegende dat de verschillende argumenten van de partijen als volgt worden beoordeeld : VII-34.590-8/15 4.1.2.1. Artikel 5.2.1.4., § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II), zoals gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001, luidt als volgt : "Bij het inrichten van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen dient ter bescherming van de plaats en de omgeving rekening te worden gehouden met de aanwezigheid in de omgeving van en de afstand tot : - woongebieden, recreatiegebieden, landbouwgebieden, parkgebieden of ermee vergelijkbare gebieden aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening; - de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden of ermee vergelijkbare gebieden aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening; - de ruimtelijk kwetsbare gebieden; - de perimeters van gebieden, afgebakend volgens of in uitvoering van internationale verdragen, overeenkomsten of richtlijnen; - waterrijke gebieden zoals gedefinieerd in artikel 2 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; - wegen en waterwegen; - het culturele erfgoed, zoals beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten, beschermde landschappen en beschermde archeologische goederen; - de waterwingebieden en de beschermingszones type I, II en III voor grondwater, afgebakend in toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, en de sub- hydrografische bekkens van oppervlaktewater bestemd voor de productie van drinkwater, afgebakend in toepassing van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van oppervlaktewateren tegen verontreiniging". 4.1.2.2. Het bestreden besluit gaat er van uit dat de vergunde rioolwaterzuiveringsinstallatie niet beschouwd kan worden als een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen waarop de hiervoor vermelde bepaling van Vlarem II van toepassing is. Dit blijkt ondubbelzinnig uit het motief van het bestreden besluit dat door de verwerende partij wordt aangehaald. 4.1.2.3. In het annulatiearrest nr. 152.378, van 8 december 2005, inzake OVYN en consoorten, werd overwogen : "3.1.7.1. Overwegende dat zowel de verwerende partij als de tussen- komende partij van oordeel zijn dat de betrokken inrichting geen inrichting is voor de verwerking van afvalstoffen, zoals bedoeld in het geschonden geacht artikel 5.2.1.4, § 1, van Vlarem II, dat luidt als volgt : 'Bij het inrichten van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen dient ter bescherming van de plaats en de omgeving rekening te worden gehouden met de aanwezigheid in de omgeving van en de afstand tot : VII-34.590-9/15 - woonwijken; - recreatiegebieden; - wegen en waterwegen; - waterrijke gebieden zoals oppervlaktewateren en andere waterpartijen, moerassen, veengebieden en natte weilanden; - industrie-, landbouw- en woongebieden; - groen- en parkgebieden; - het culturele erfgoed, zoals beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten, gerangschikte landschappen en beschermde archeologische goederen; - waterwingebieden en beschermingszones'; dat uit de uiteenzetting van de verzoekende partijen wel degelijk de elementen blijken waarmede geen rekening werd gehouden, met name de aanwezigheid in de omgeving van en de afstand van de inrichting tot de aanwezige woonwijk en het onmiddellijk aansluitend woongebied met landelijk karakter; 3.1.7.2.1. Overwegende dat eerst dient te worden onderzocht of in deze zaak evengeciteerde bepaling van toepassing is; 3.1.7.2.2. Overwegende dat uit voornoemde omschrijving niet blijkt dat die bepaling enkel zou toepasselijk zijn op inrichtingen die uitsluitend gericht zijn op het verwerken van afvalstoffen, hetgeen overigens logisch is daar de effecten van dergelijke activiteiten immers niet verschillen al naargelang de bewuste activiteit de enige is van de betrokken inrichting, dan wel kadert in één of meer andere activiteiten van een inrichting; dat uit de neergelegde stukken blijkt dat de betrokken waterzuiveringsinstallatie onder meer een slibbehandelingsinstallatie bevat; dat slib dat afkomstig is van een rioolwaterzuiveringsinstallatie luidens artikel 3, § 5, j, van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, een afvalstof is; dat uit het bestreden besluit blijkt dat het slib wordt ingedikt en aldus een volumereductie ondergaat; dat de bepalingen van hoofdstuk 5.2. 'Inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen' van Vlarem II luidens artikel 5.2.1.1., § 1, van toepassing zijn 'op de inrichtingen bedoeld in rubriek 2 van de indelingslijst' als bijlage van Vlarem I; dat de rubrieken 2.2.5 en 2.3.2 van die indelingslijst vergunningsplichtig maken 'opslag en fysisch-chemische behandeling ... van
- a)niet-gevaarlijke slibs,
- b)gevaarlijke slibs ...' en dat daarbij wordt gespecifieerd dat onder het fysisch-chemisch behandelen van afvalstoffen wordt verstaan 'de chemische eigenschappen, de chemische samenstelling of de aggregatie-toestand van de afvalstoffen wijzigen. Het is o.m. het decanteren, distilleren, extraheren, mengen, neerslaan, neutraliseren, ontwateren, oxyderen, raffineren, reduceren, regenereren, smelten, soldifiëren'; dat de slibbehandelingsactiviteiten van de geplande inrichting, die onder meer het 'indikken' en aldus zeker het ontwateren en reduceren van het slib inhouden, onder evengeciteerde definitie moeten worden ondergebracht; 3.1.7.2.3. Overwegende dat bij besluit van 12 januari 1999 van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones onder meer de als bijlage 1 bij Vlarem I gevoegde lijst van als hinderlijk beschouwde inrichtingen werd vervangen; dat de in rubriek 3.6. van die nieuwe indelingslijst bedoelde in r ic ht ing e n vo o r t a a n a ls vo lg t z ijn o ms c h r e v e n : 'Afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie'; dat de vraag rijst of, zoals de verwerende en de tussenkomende partij doen gelden, het ontwateren van slibproductie behorend bij een afwaterzuiveringsinstallatie niet langer als een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen zoals bedoeld in VII-34.590-10/15 hoofdstuk 5.2. 'Inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen' kan worden beschouwd; 3.1.7.2.4. Overwegende dat uit het gegeven dat de lijst van de als hinderlijk ingedeelde inrichtingen bestaat uit afzonderlijke rubrieken en subrubrieken niet de conclusie kan worden getrokken dat het voorwerp van een vergunningsaanvraag slechts onder één van die rubrieken kan worden ondergebracht; dat het immers niet uitgesloten is dat de inrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd volgens de indelingslijst onder meerdere rubrieken of subrubrieken valt waardoor verschillende rubrieken gecumuleerd moeten worden toegepast; dat de indelingslijst ook zo is opgebouwd dat ze niet alleen een opsomming geeft van inrichtingen of installaties die een volledige activiteit of bedrijvigheid dekken maar ook van bepaalde deelactiviteiten die kunnen variëren naargelang de specifieke kenmerken van de hoofdactiviteit; dat de Vlarem-indelingsrubrieken ook niet de mogelijkheid van zogenaamde dubbele rubricering volledig uitsluiten; dat het in principe mogelijk blijft dat één inrichting tegelijk onder meerdere indelingsrubrieken valt; dat het met name mogelijk is wanneer de indelingslijst naast een rubriek die de hoofdactiviteit dekt, ook een specifieke rubriek bevat voor een bepaald onderdeel van de inrichting; dat daarbij komt dat wat de aanduiding van afvalstoffen en de behandelingstechnieken ervan betreft, het afvalstoffendecreet waarnaar in rubriek 2 expliciet wordt verwezen, de 'lex specialis' vormt en niet de indelingslijst bij Vlarem, dat in beginsel een procedurebesluit is en een lagere norm betreft dan het afvalstoffendecreet; dat dienvolgens een wijziging van de indelingslijst door het besluit van de Vlaamse regering van 12 januari 1999 niet zo gelezen mag worden dat ze expliciet of impliciet een wijziging aanbrengt aan het karakter dat het afvalstoffendecreet toeschrijft aan de betrokken installaties; dat de aangebrachte wijziging dan ook niet kan meebrengen dat het ontwateren van het in een afvalwaterreinigingsinstallatie geproduceerde slib niet langer zou kunnen worden aangemerkt als een handeling waarbij afvalstoffen worden verwerkt en die onder andere bedoeld worden in rubriek 2 van de indelingslijst; dat de verwerende partij niet aantoont, en dat nergens uit blijkt, dat de aangebrachte wijziging tot doel had het onttrekken van afvalwaterzuiveringsinstallaties met een slibbehandelingsinstallatie aan de strengere exploitatievoorwaarden die Vlarem II stelt voor inrichtingen waar afvalstoffen worden verwerkt en behandeld; dat indien dit de bedoeling zou zijn geweest -hetgeen evenwel niet vaststaat- de Vlaamse regering op ondubbelzinnige wijze Vlarem II had dienen aan te passen door uitdrukkelijk te vermelden dat sommige van die strengere voorwaarden (waaronder artikel 5.2.1.4.) niet van toepassing zijn op de afvalwaterzuiveringsinstallaties zoals deze die door de tussenkomende partij worden geëxploiteerd; 3.1.7.2.5. Overwegende dat de overige desbetreffende verweerargumenten als volgt kunnen worden beoordeeld : - het betoog van de verwerende partij dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen spuislib, dat niet ingedikt slib zou zijn en ook geen afvalstof, en slib, dat ingedikt spuislib is en wel een afvalstof betreft, gaat niet op omdat, indien dat zo zou zijn, niet valt in te zien waarom er onder rubriek 3.6 van de indelingslijst bij Vlarem I sprake is van 'het ontwateren van de bijhorende slibproductie' bij een afvalwaterzuiveringsinstallatie. Luidens het afvalstoffendecreet is slib dat bekomen wordt bij het zuiveren van afvalwater wel degelijk een afvalstof; - het 'ontwateren' van dergelijke afvalstoffen wordt uitdrukkelijk vermeld als behandelingsprocédé in de rubrieken 2.2.5 en 2.3.2 van de indelingslijst; daarbij is het niet doorslaggevend of het gaat om intern geproduceerd dan wel aangevoerd slib; - het komt niet exclusief aan de aanvrager van de vergunning toe om via zijn vergunningsaanvraag te bepalen welke indelingsrubrieken (en afgeleid welke VII-34.590-11/15 sectorale milieuvoorwaarden) op de aangevraagde activiteiten van toepassing zijn; in elk geval kan een 'niet aangevraagde' activiteit er niet toe leiden dat voor die activiteit toch de milieuvergunning wordt verleend; de vergunningverlenende overheid zou dan namelijk ultra petita oordelen); - het standpunt dat de adviesverlenende instanties gebeurlijk hebben aangenomen naar aanleiding van andere vergunningsaanvragen voor vergelijkbare inrichtingen, doet niets af aan de juridische conclusies die naar aanleiding van voorliggend annulatieberoep getrokken moeten worden; - de bewering dat Vlarem II onaangepaste exploitatievoorwaarden bevat is niet relevant voor de kwalificatie van de betrokken installatie in het licht van de Vlarem I-reglementering; 3.1.7.2.6. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat moet worden besloten dat de bestreden milieuvergunning onder meer betrekking heeft op een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen, hetgeen betekent dat artikel 5.2.1.4., § 1, van Vlarem II op de kwestieuze inrichting van toepassing is". 4.1.2.4. De partijen werden door het auditoraatsverslag geconfronteerd met deze rechtspraak. Zij hebben ter terechtzitting niet betwist dat de ontworpen rioolwaterzuiveringsinstallatie een installatie is zoals deze waarover sprake in het voormelde arrest van de Raad van State. Noch de verwerende, noch de tussenkomende partij, zijn ingegaan op de stelling van het auditoraatsverslag dat de kwestieuze installatie wel degelijk als een afvalverwerkingsinstallatie, waarop de vermelde Vlarem II-bepaling van toepassing is, moet worden aangemerkt. Er lijken geen redenen voorhanden te zijn die de Raad van State ertoe nopen, in het kader van een kortgedingprocedure, van de leer van voormeld arrest af te wijken. De bedoelde bepaling van Vlarem II lijkt dan ook in casu toepasselijk te zijn. 4.1.2.5. Zoals reeds gesteld, gaat het bestreden besluit ervan uit dat de bedoelde inrichting geen afvalverwerkingsinstallatie is. Derhalve lijkt het duidelijk dat de verwerende partij de aanvraag niet aan het bepaalde in artikel 5.2.1.1., § 1, heeft getoetst. De in subsidiaire orde door de tussenkomende partij aangevoerde argumenten lijken op het eerste gezicht dit euvel niet, post factum, te kunnen goedmaken. 4.1.2.6. Het middel is dus ernstig; 4.2. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel VII-34.590-12/15 4.2.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen met betrekking tot de tweede schorsingsvoorwaarde het volgende doen gelden : 4.2.1.1. De verzoekende partijen stellen in hun verzoekschrift dat de rioolwaterzuiveringsinstallatie gepland wordt op een afstand van een vijftal meter van de woonplaats van de eerste verzoekster (woonhuis dat tevens mede-eigendom is van de tweede verzoeker) en op een dertigtal meter van de huidige woonplaats van de tweede verzoeker. Zij vrezen op dergelijke korte afstand ernstige hinder van de exploitatie te zullen ondervinden. Als concrete hinderaspecten halen zij aan : de aanwezigheid van pathogene kiemen in het afvalwater en de verspreiding ervan via de lucht, de mogelijke verspreiding van onbehandeld stedelijk afvalwater bij overstromingen (de kans op overstromingen zou in belangrijke mate toenemen door de aanleg van de vergunde inrichting), ernstige geurhinder, geluidsoverlast, visuele hinder en de risico's die verbonden zijn met de opslag en het gebruik van grote hoeveelheden chemicaliën. De aangehaalde hinderaspecten worden in het verzoekschrift gedetailleerd uitgewerkt en concreet betrokken op de vergunde installatie. 4.2.1.2. De verwerende partij antwoordt hierop in haar nota dat een "zekere hinderlijkheid" inherent is aan de vergunde exploitatie, maar dat onaanvaardbare hinder tegengegaan wordt door de opgelegde sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden, dat op de naleving van die voorwaarden zal toegezien worden door het gemeentebestuur, dat de gekozen inplantingsplaats de "enig mogelijke en de enig realistische" is, dat de inrichting niet gelegen is in een drinkwaterbeschermingszone type II maar wel van type III alwaar dergelijke installatie niet verboden is, dat de woning van de eerste verzoekster zelf gedeeltelijk gelegen is in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, dat visuele hinder wordt verminderd door het compact karakter van de installatie, dat de vrees van de verzoekende partijen voor overdreven hinder te wijten is aan "een verkeerde lezing van het milieuvergunningsaanvraagdossier", dat om overstromingen te vermijden de effluentleiding niet zal voorzien worden van een terugslagklep, dat de voorziene maatregelen van overkapping en gecontroleerde ventilatie voldoende zijn om geurhinder te voorkomen, dat overdreven geluidshinder niet reëel is gezien de opgelegde geluidsnormen en de preventieve maatregelen die VII-34.590-13/15 genomen werden, dat het risico op bacteriële besmetting absoluut miniem is, dat de opslag en gebruik van bepaalde chemicaliën onderworpen is aan de "strengst mogelijke sectorale voorwaarden", en, meer in het algemeen, dat de bezorgdheid die de verzoekende partijen uiten eigenlijk voortspruit uit een groot wantrouwen in de opgelegde exploitatievoorwaarden. 4.2.1.3. De tussenkomende partij minimaliseert en betwist in haar verzoekschrift tot tussenkomst de aangevoerde nadelen in een tien bladzijden beslaand betoog; 4.2.2. Bespreking Overwegende dat noch de verwerende, noch de tussenkomende partij, betwisten dat de vergunde rioolwaterzuiveringsinstallatie gepland wordt op 20 à 25 meter van de woning die bewoond wordt door de eerste verzoekster en mede- eigendom is van de tweede verzoeker ; dat, gelet op die uiterst kleine afstand, en de aard van de inrichting, geen lang betoog nodig is om te stellen dat in redelijkheid moeilijk betwist kan worden dat de geplande installatie de leefkwaliteit van de verzoekende partijen op zeer ernstige en nadelige wijze dreigt te beïnvloeden, ongeacht de opgelegde bijzondere uitbatingsvoorwaarden; dat dit nadeel van die aard is dat het door een later tussen te komen vernietiging niet meer op adequate wijze kan worden hersteld; dat de argumenten van de verwerende partij en de tussenkomende partij aan die vaststelling geen afbreuk vermogen te doen; dat derhalve ook aan de tweede schorsingsvoorwaarde is voldaan, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. AQUAFIN in het administratief kort geding wordt ingewilligd. VII-34.590-14/15 Artikel 2. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 12 juni 2005 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij het beroep van omwonenden tegen het besluit van 2 december 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende het verlenen aan de n.v. AQUAFIN van de vergunning voor het exploiteren van een rioolwaterzuiveringsinstallatie, gelegen aan de Flosstraat z/n te Tervuren, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel 4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig maart tweeduizend en zes, door : de H. R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. R. STEVENS. VII-34.590-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.252 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.459 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div