id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.267 Rolnummer: A. 162154/XIV-22429 Zaak: Arrest 157267 - - 03/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-20 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 16:39 Fiche Arrest nr 157.267 van 3 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.267 van 3 april 2006 in de zaak A. 162.154/XIV-22.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. JACOBS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Kroonlaan 207 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 28 april 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 14 maart 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij haar beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om haar als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking van 10 mei 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 18 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-22.429-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. JACOBS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert : “Schending van art. 2 par. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motiveringsplicht van administratieve akten en artikel 57/22 van de Wet van 15.12.1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling, artikel 149 G.W.; Schending van de principes van behoorlijk bestuur, principes van machtsoverschrijding en de schending van de algemene principes van het recht op een eerlijke en openbare behandeling van het proces, Dat echter de motivering moet betrekking hebben op de ingeroepen feiten, waarbij melding moet worden gemaakt van de toepasselijke juridische regels en waarbij dient gemeld te worden hoe en waarom deze juridische regels hebben aanleiding gegeven tot de genomen beslissing; Bovendien stelt de wet dat de motivering afdoende dient te zijn. Teneinde als afdoende kunnen beschouwd te worden dient de motivatie steun te vinden in het administratief dossier en alle elementen die ter kennis van de administratie en vervolgens de VBCV werden gebracht in overweging te nemen. Dat deze principes de administratie een voorzichtigheid en zorgvuldigheid opleggen bij de behandeling van dossiers die aan hun beoordeling worden voorgelegd; Verzoekende partij bevindt zich in een situatie waarbij zij ontnomen werd van de mogelijkheid zijn motieven en eventueel nieuwe elementen uiteen te zetten ter ondersteuning van haar aanvraag, De bestreden beslissing is bijgevolg strijdig met het principe van behoorlijk bestuur en schendt tevens het recht op een eerlijke behandeling van de zaak; Dat ter ondersteuning van zijn beroep voor de VBCV verzoekende partij het volgende had aangehaald: “Verzoekende partijen nooit toe(ge)geven hebben in Polen te zijn verbleven en er een asielaanvraag te hebben ingediend; - Verzoekende partijen steeds voorgehouden hebben geen internationaal paspoort in hun bezit te hebben gehad, daar waar blijkt dat de Poolse autoriteiten in het bezit zijn van een internationaal paspoort; - Verzoekende partijen verklaarden Tsjetsjenië te hebben verlaten op 21 december 2003), daar waar blijkt dat zij reeds op 16.11.2003 in Polen waren geregistreerd.
- Verzoekende partijen hebben inderdaad niet durven toegeven dat zij in Polen waren aangehouden geweest, uit vrees om naar Polen te worden uitgedreven, hetgeen zij thans betreuren.
- Zij hebben echter in Polen nooit beseft dat zij degelijk asiel hadden aan- gevraagd. Zij vertrokken immers nadat zij zich hadden geïdentificeerd en zij er waarschijnlijk geregistreerd werden, maar zonder interview te hebben gegeven.
- De paspoorten die zij hebben afgegeven aan de Poolse autoriteiten zijn degelijk op hun naam. Het betreft echter geen "echte paspoorten", vermits zij nooit persoonlijk zulke paspoorten hebben aangevraagd en dat deze paspoorten bijgevolg niet regelmatig zijn aangevraagd geweest. XIV-22.429-2/6
- De gebeurtenissen die verzoekende partijen beweerd hebben te zijn gebeurd op 31.07.2003 zijn degelijk gebeurd.
- De periode gedurende dewelke ondergedoken werd bij Muslim is ingekort geweest, daar verzoekende partijen zich reeds in Polen bevonden in november 2003; Overwegende dat verzoekende partijen zich letterlijk "geboeid" hebben in hun oorspronkelijke leugen, nl . het verzwijgen van hun verblijf in Polen; Dat beiden nog jong zijn en weinig ervaring hebben; Dat zij traditioneel gedrild zijn om naar "ouderen" te luisteren en bijgevolg ook weinig ervaring hebben om zelfstandig een beslissing te nemen en voor en-nadelen van een beslissing te overwegen; Dat ook in België, oudere Tsjetsjenen het woord voeren en zich veroorloven "raad" te geven; Dat verzoekende partijen zich in hun procedure niet hebben laten bijstaan door een advocaat die hen minstens de procedure had kunnen uitleggen en hen aldus wijs te maken dat zij naar de ouderen die hoogstwaarschijnlijk hun procedure niet hadden geslaagd, niet dienden te luisteren; Dat het feit dat geconfronteerd met hun leugen, verzoekende partijen bij hun standpunt bleven, dient te worden uitgelegd als een reflex, dat van kindsbeen af in Tsjetsjenië gekweekt wordt : in geval van aanhouding, van vragen dient alles te worden genegeerd; Het is spijtig genoeg niet op 10 maanden tijd in België dat zij iets anders hebben kunnen leren, daar waar de oorlog in Tsjetsjenië thans stipt 10 jaar aansleept; Overwegende dat na ontvangst van de aangevochten beslissing , verzoekende partijen een advocaat zijn gaan raadplegen; Dat deze advocaat echter weigerde ieder beroep aan te tekenen; Dat verzoekende partijen zich tot het Bureau voor Rechtsbijstand in Verviers richtten; Dat hun echter dezelfde advocaat aangesteld werd; Dat toen verzoekende partijen zich tot de huidige raadsman richtte , het termijn van beroep reeds ruimschoots verstreken was; Dat in de mate verzoekende partijen al het nodige hebben gedaan ten einde hun beroep tijdig in te dienen, en dat zij zich hiervoor tot een gespecialiseerde dienst hebben gericht, dient te worden aangenomen dat verzoekende partij zich in een geval van overmacht hebben bevonden. (...)” ! Dat de getroffen beslissing als volgt luidt , wat betreft de Heer Batislov Bislan : “Overwegende dat de bestreden beslissing aangetekend werd verstuurd op 14 oktober 2004 naar de door appellant op 8 oktober 2004 aangeduide gekozen woonplaats en dat het beroep werd ingediend op 13 december 2004; dat luidens artikel 57/11 van de wet van 15 december 1980, een beroep moet worden ingediend binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen het is gericht; dat de kennisgeving geschiedt op het: ogenblik waarop de brief wordt aangeboden op het: dienende adres (Cass., 16 september 1991, B&u 1991-92, 885-886; R.v.St., Josse, nr. 23.342, 8 juni 1983; R.v.St., Van Cayzeele, nr. 14.949, 14 oktober 1971; R.v.St., Munir, nr. 60.532, 27 juni 1996; Arbh. Gent, 22 januari 1974, &Yb 1974-75, 677-fJ79); dat behoudens tegenbewijs moet worden aangenomen dat de op 14 oktober 2004 verstuurde bestreden beslissing werd aangeboden op 15 oktober 2004; dat de laatste dag van de beroepster- mijn (dies ad quem) dinsdag 2 november 2004 is; dat derhalve ambtshalve (vgl. J. BAERT en G. DEBERSAQUES, Raad van State. Afdeling administratie (
- Ontvankelijkheid). - in Administratieve Rechtsbibliotheek. Brugge, die Keure, 1996, nr. 416) moet worden vastgesteld dat het: op 13 december 2004 ingediende beroep laattijdig is; Overwegende dat appellant in zijn verzoekschrift en ter zitting zich bewust is van het verstreken zijn van de wettelijke beroepstermijn, doch zich beroept op een situatie van overmacht; dat immers de door hem gecontacteerde advocaat weigerde een beroep in te stellen tegen de weigeringsbeslissing van de Commissaris-generaal, zelfs nadat deze door het Bureau voor Rechtsbijstand te Verviers werd aangesteld; Overwegende dat zowel de handelingen van de advocaat als zijn fouten of nalatigheden toerekenbaar zijn aan zijn diënt (cliënt) (Cass. 8 november 1985, Arr. Cass.. 1985-86, 328); dat daarenboven het mislopen van juridische bijstand appellant niet ontslaat van zijn verantwoordelijkheid binnen de termijn van vijftien dagen een beroep in te stellen; dat derhalve in dit beroep geen sprake is van een situatie van overmacht, OM DEZE REDENEN: XIV-22.429-3/6 verklaart het beroep onontvankelijk. ! Dat de beslissing getroffen inzake Mevrouw XXX als volgt luidt : "Overwegende dat de bestreden beslissing aangetekend werd verstuurd op 14 oktober 2004 naar de door appellante op 8 oktober 2004 aangeduide gekozen woonplaats en dat het beroep werd ingediend op 13 december 2004; dat luidens artikel 57/11 van de wet van 15 december 1980, een beroep moet worden ingediend binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen het is gericht; dat de kennisgeving geschiedt op het ogenblik waarop de brief wordt aangeboden op het dienende adres (Cass., 16 september 1991, &W.u. 1991-92- 885-886; Rv.St, Josse, nr. 23.342, 8 juni 1983; Rv.St., Van Cayzeele, nr. 14.949, 14 oktober 1971; Rv.St, Munir, nr. 60.532, 27 juni 1996; Arbh. Gent, 22 januari 1974, RW.. - 1974-75, 677-f579); dat behoudens tegenbewijs moet worden aangenomen dat de op 14 oktober 2004 verstuurde bestreden beslissing werd aangeboden op 15 oktober 2004; dat de laatste dag van de beroepster- mijn (dies ad quem) dinsdag 2 november 2004 is; dat derhalve ambtshalve (vgl. J. BAERT en G. DEBERSAQUES, Raad van State. Afdeling administratie (2.Ontvankelijkheid). in Administratieve Rechtsbibliotheek. Brugge, die Keure, 1996, nr. 416) moet worden vastgesteld dat het op 13 december 2004 ingediende beroep laattijdig is; Overwegende dat appellante in haar verzoekschrift en ter zitting zich bewust is van het verstreken zijn van de wettelijke beroepstermijn, doch zich beroept op een situatie van overmacht; dat immers de door haar gecontacteerde advocaat weigerde een beroep in te stellen tegen de weigeringsbeslissing van de Commissaris-generaal, zelfs nadat deze door het Bureau voor Rechtsbijstand te Verviers werd aangesteld; Overwegende dat zowel de handelingen als de nalatigheden van de advocaat toerekenbaar zijn aan zijn cliënt (Cass. 8 november 1985, Arr. Cass.. 1985-86, 328); dat daarenboven het mislopen van juridische bijstand appellante niet ontslaat van haar verantwoordelijkheid binnen de termijn van vijftien dagen een beroep in te stellen; dat derhalve in dit beroep geen sprake is van een situatie van overmacht, OM DEZE REDENEN: verklaart het beroep onontvankelijk. Dat in casu de VBCV het beroep als laattijdig heeft beschouwd, en de redenen die verzoekende partij had aangevoerd en die hij achtte gelijk te mogen stellen met overmacht, verworpen; Dat verzoekende partij aangetoond heeft dat hij als vreemdeling en als asielzoeker alles gedaan heeft om zijn beroep tijdig in te stellen, door contact te nemen met professione- len, advocaat en bureau van rechtsbijstand bij de rechtbank te Verviers ; Dat dit trouwens ook niet ontkend wordt door de VBC; Dat in casu niet kan worden gesteld dat verzoekende partij degelijk over een advocaat beschikte om het beroep tijdig in te leiden, vermits via het Bureau van Rechtsbijstand te Verviers dezelfde advocaat toegewezen werd, die eerder reeds het dossier van verzoeker geweigerd had; Dat verzoekende partij degelijk als een goede huisvader gehandeld heeft en alle nodige stappen heeft ondernomen om zijn procedure te behartigen; Dat hij als asielzoeker en zonder enige economische middelen om zelf een advocaat te kiezen, hij geen enkele andere mogelijkheid had dan deze die hem aangeboden stond door het Bureau van Rechtsbijstand; Dat, in het geval van vreemdelingen die noch de taal van de procedure schrijven of lezen , het beginsel "overmacht" redelijk dient te worden geïnterpreteerd; Dat in de mate verzoekende partij niet eens de Latijnse letters beheerst het hem persoonlijk volkomen onmogelijk was zelf een beroep aan tekenen; Dat ingevolge de uitgesproken onontvankelijkheid van het beroep, de grond van de zaak niet onderzocht werd; Dat in casu de Tsjetsjeense origine van verzoekende partij nooit in twijfel getrokken werd lopens de procedure; Dat in de huidige stand van het Russisch-Tsjetsjeens conflict, voornamelijk na de steeds toegroeiende repressie doorgevoerd door de Russische autoriteiten, dient te worden beschouwd dat elke Tsjetsjeen die niet openlijk als pro-Russisch handelt en hiervan actief betuigt, gevaar loopt in de Russische Federatie; ( cfr het standpunt recentelijk ingenomen door President Putin, ingevolge de aanslag op Beslan dd. 1.09.2004, en voordien het standpunt ingenomen ingevolge de aanslag op Kadyrov van 09.05.2004); XIV-22.429-4/6 Dat de VBC met deze onbetwistbare elementen absoluut geen rekening hield, dat de getroffen beslissing deze elementen totaal onbeantwoord laat;”; 1.
- Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen duidelijk aangeeft dat het hoger beroep van de verzoekende partij onontvankelijk wordt verklaard omdat het na het verstrijken van de in artikel 57/11, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) voorgeschreven beroepstermijn is ingediend; dat de bestreden beslissing aldus genoegzaam met redenen is omkleed; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen of de verzoekende partij erin geslaagd is overmacht aan te tonen; dat deze beoordeling door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kan worden overgedaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt; dat op de grond van de zaak -verzoeksters vrees voor vervolging- de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen slechts nader had moeten ingaan indien het hoger beroep ontvankelijk ware geweest, wat evenwel niet het geval was; dat ze haar bevoegdheid zou hebben overschreden mocht ze een laattijdig bij haar ingeleid beroep toch ten gronde hebben behandeld; dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-22.429-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie april tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-22.429-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.267 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.