← België

Arrest 157272 - - 03/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.272 Rolnummer: A. 162584/XIV-22552 Zaak: Arrest 157272 - - 03/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-20 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 16:39 Fiche Arrest nr 157.272 van 3 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.272 van 3 april 2006 in de zaak A. 162.584/XIV-22.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. VERSTREPEN, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Rotterdamstraat 53 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 18 mei 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 30 maart 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 27 mei 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 18 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat K. VERSTREPEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-22.552-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert : “Afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht, in het bijzonder de schending van de artikel 57/22 van de Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen van 15 december 1980;
  4. Dat eerste tegenpartij oordeelt dat de asielaanvraag van verzoeker ongegrond is, omdat de mondelinge rechtspleging niet kon doorgaan en verzoeker geen antwoord gegeven had op de argumenten van het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen; Dat de bestreden beslissing gemotiveerd is als volgt: -dat luidens artikel 57/20 van voormelde wet van 15 december 1980 de rechtspleging voor de Commissie mondeling geschiedt; dat bijgevolg de verklaringen ter zitting een essentieel onderdeel van de procedure vormen; dat door de niet verschijning van appellant geen verhoor kan worden afgenomen; dat het motief 'van de bestreden beslissing omtrent zijn uiterst beperkte kennis overAfghanistan niet wordt beantwoord of weerlegd; dat ten gevolge van zijn niet-verschijning appellant evenmin gebruik maakte van de mogelijkheid dit motief ter zitting mondeling te bestrijden; Dat de tegenpartij de beslissing niet baseert op artikel 57/17 van de Wet van 15 december 1980 betreffende het toelating tot verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Dat de tegenpartij integendeel oordeelt dat verzoeker niet antwoord op de argumenten van de beslissing van het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen; Dat verzoeker in zijn verzoekschrift gericht aan de Vaste Beroepscommissie, daterend van 18 oktober 2004 stelt: Ik werd voor deze beslissing ten gronde niet meer gehoord Dit is zeer jammer, aangezien in deze beslissing vermeld wordt dat ik geen bewijzen heb van mijn identiteit. Ik heb deze wel en zend ze u hierbij. Dat het voorleggen van identiteitsstukken een weerlegging is van het vermoeden dat verzoeker niet uit Afghanistan afkomstig zou zijn. Dat de tegenpartij dus niet kon vaststellen dat verzoeker op de argumenten van het Commissariaat Generaal niet heeft geantwoord; Dat de tegenpartij haar motivering volledig steunt op het feit dat verzoeker geen antwoord biedt op de twijfel omtrent zijn identiteit; Dat uit het dossier blijkt dat verzoeker wel degelijk de twijfel omtrent zijn identiteit kan wegnemen; Dat de tegenpartij haar beslissing volledig steunt op een manifeste fout; Dat deze motivering niet strookt met artikel 57/22 van de genoemde Wet van 15 december 1980;”; 1.
  5. Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de aanvraag om erkenning als vluchteling werd geweigerd omwille van volgende redenen: het niet bewijzen van zijn reisweg, noch wanneer hij het land van herkomst heeft verlaten, noch wanneer hij België is binnengekomen; het niet bewijzen van zijn identiteit of nationaliteit; het niet neerleggen van een begin van bewijs van enkele artikels die aanleiding hebben gegeven tot zijn problemen; de bijzonder beperkte politieke kennis van de politieke situatie in XIV-22.552-2/4 Afghanistan; de problemen die verzoeker heeft om gebruik te maken van de Afghaanse kalender; door de niet-verschijning voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen kan geen verhoor worden afgenomen zodat het motief met betrekking tot zijn uiterst beperkte kennis over Afghanistan, motief dat niet wordt weerlegd of beantwoord in het verzoekschrift, ook niet mondeling wordt bestreden; dat in casu aldus meer redenen worden gegeven dan verzoeker in het verzoekschrift aangeeft als zijnde de motivering; dat luidens artikel 57/20, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen "de rechtspleging voor de commissie mondeling geschiedt"; dat hiermee de wetgever heeft willen benadrukken dat het verhoor van de vreemdeling ter zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van wezenlijk belang is voor de oordeelsvorming van dit rechtscollege; dat de verplichting om in de beroepsakte een uiteenzetting van de feiten en middelen op te nemen niet onverenigbaar is met het mondeling karakter van de rechtspleging voor de Vaste Beroeps- commissie voor vluchtelingen, al is het maar omdat de leden zodoende van tevoren kennis nemen van de grieven van de vreemdeling en het mondeling verhoor bijgevolg in de eerste plaats kan worden toegespitst op hetgeen deze de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen precies verwijt; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen of de verzoekende partij erin geslaagd is de eerder gemaakte vaststellingen te weerleggen of niet; dat deze beoordeling door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kan worden overgedaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  6. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-22.552-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie april tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-22.552-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.272 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.