id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.275 Rolnummer: A. 162488/XIV-22530 Zaak: Arrest 157275 - - 03/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-20 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 16:40 Fiche Arrest nr 157.275 van 3 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.275 van 3 april 2006 in de zaak A. 162.488/XIV-22.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Chinese nationaliteit, op 13 mei 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 30 maart 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij zijn beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hem als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking van 27 mei 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 18 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-22.530-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. DASSEN die, loco Advocaat S. VAN ROSSEM verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert : “3.
- SCHENDING VAN BEGINSELEN VAN BEHOORLIJK BESTUUR (REDE- LIJKHEID, ZORGVULDIGHEID, RECHTEN VAN VERDEDIGING ... ) 3.2 DE MOTIVERINGSVERPLICHTING 3.
- Schending van het principe van Behoorlijk bestuur Dat men tot een beslissing moet komen op grond van het bestuderen van elk individueel dossier. Dat het niet opgaat in de huidige situatie te stellen dat verzoeker zijn procedure ten einde is en dat hij geweigerd wordt zonder het concrete gevaar verder te onderzoeken voor Tibetaanse vluchtelingen bij een eventuele terugkeer.. Dat men weet dat deze mensen vervolgd worden door de Chinez(s)e autoriteiten. Dat men tevens op de hoogte is van de folteringen en de praktijken van de regeringssol- daten in de (die) kleine dorpen van de Tibetaanse gemeenschap. Dat tevens blijkt dat de situatie verder blijft duren en dat tot op heden hier geen beterschap kan in verwacht worden. Dat het laatste rapport van Amnesty wordt bijgevoegd teneinde dit verder aan te tonen. Dat dit in casu niet gebeurd is dat men zelfs niet verwijst naar de plaatselijke situatie (die daarenboven zeer ernstig is ) en men verwijst niet naar de persoonlijke feiten die door verzoeker zijn aangegeven. Dat het ganse dorp geteisterd wordt door brutaliteiten van het regeringsleger.. Dat niets van deze elementen verder werd onderzocht. Dat de Vaste beroepscommissie voor vluchtelingen zich baseert louter en alleen op de laattijdigheid van het beroep, dat nochtans uit het administratief dossier blijkt dat er een vergissing is gebeurd en dat men het adres niet volledig heeft vermeld op de aangetekende zending waarmee men verzoeker de beslissing ter kennis heeft gebracht Dat een adres moet volledig zijn teneinde de zekerheid te hebben dat verzoeker er kennis van krijgt. Dat hij zich van zijn verplichtingen heeft gekweten door op 25 Augustus per aantekende zending zijn volledig adres heeft ter kennis gebracht van DVZ EN het Commissariaat Generaal . Dat men dan ook dit volledig adres moet gebruiken om hem aangetekend in kennis te stellen van de genomen beslissing, het feit dat men KAMER 4 weglaat is niet complementair aan het adres maar is een substantieel onderdeel ervan. Het is immers dit onderdeel dat zijn precieze adres duidelijk maakt Het betreft immers een huis met verschillende asielzoekers en het is juist de specificatie die maakt dat verzoeker zelve het dokument effectief op zijn adres bekomt. Dit is in casu niet gebeurd. Het redenering van de vast Beroepscommissie als zou de aangetekende zending met zijn adres alleen maar als een indicatie kunnen bekeken worden en niet in aanmerking te nemen te meer omdat er geen terugzending van de post is. XIV-22.530-2/5 Dat dit echter geen reden kan of mag zijn de brief kan besteld zijn aan het SINT JANSPLEIN en afgetekend door een bewoner maar dan nog heeft men de zekerheid niet dat het aan verzoeker ter kennis is gebracht. Dat op deze wijze de rechten van de asielzoeker niet langer gewaarborgd zijn Dat dit een schending is van de regels van behoorlijk bestuur zowel wat betreft de zorgvuldigheid waarmee het dossier dient te behandeld te worden als wat betreft de redelijkheid met betrekking tot de gevolgen die een dergelijke beslissing met zich meebrengt. Dat de rechten van verdediging hierbij werden geschonden . Dat met de ongeletterheid van verzoeker hierbij gewoon geen rekening werd gehouden. Dat hij onvoorbereid en zonder enige verdere begeleiding het centrum heeft verlaten. Dat hierdoor men kan al weten dat er moeilijkheden kunnen komen hoe kan iemand die analfabeet is, die van onze taal helemaal niets verstaat zo aan zijn lot worden overgelaten bij het verder volgen van de procedure. Dat het dan zeker niet correct is nog eens bijkomende voorwaarden op te leggen die zelfs niet in de wet staan. Bovendien moest hij ook niet verwachten dat hij niet meer zou uitgenodigd worden en dat er een negatieve beslissing zou volgen in zulke korte periode na het bekomen van een positieve beslissing 3.2.SCHENDING VAN MOTIVERINGSVERPLICHTING Dat voor verzoeker de motivering van het Commissariaat generaal onbegrijpelijk is en op niets slaagt maar dat hij zeer teleurgesteld was dat de Vaste beroepscommissie opnieuw zijn zaak ten gronde niet wou onderzoeken Dat nochtans moet verwacht worden van de overheid indien zij een beslissing neemt tot weigering dat zij zich steunt op argumenten die het voor verzoeker duidelijk maken waarom zij wordt geweigerd en waarop de beschikking is gestoeld. Dat echter in huidige casu moeilijk kan gesteld worden dat de overheid, DE VASTE BEROEPSCOMMISSIE haar beslissing steunt op afdoende argumenten om het voor verzoeker duidelijk te maken waarom hij persoonlijk werd geweigerd.
- Het feit dat men zijn aanvraag afhandelt op technische gronden omdat hij niet tijdig beroep heeft aangetekend , wetende dat de beslissing hem nooit bereikt heeft en dat hij dus niet in de mogelijkheid was om erop tijdig te reageren.. .
- Dat de feiten voor zijn asielaanvraag nooit verder onderzocht zijn.
- Dat hij de beslissing zelve niet begrijpt. Dat hij bovendien er geen kennis van had vooraleer hij op de Vaste beroepscommissie is geen opvragen nadat hij ingelicht was door het OCMW Dat zijn raadsman hem hiervan zelfs niet ingelicht had alhoewel hij op haar adres woonstkeuze had gedaan net om dergelijke misverstanden te voorkomen. Dat hij immers nog maar zeer kort in België is Dat Hij absoluut niet de taal kan begrijpen of lezen Dat een goede begeleiding bij de procedure dan ook noodzakelijk is dat het dan ook volkomen onbegrijpelijk is dat de raadsman niet het minste laat weten op het ogenblik dat zij de beslissing van de Vaste beroepscommissie ontvangt.. Dat het antwoord van de vaste beroepscommissie; Dat voormelde verklaring niet als tegenbewijs kan worden aangezien. ( alleen omwille van het ontbreken van de handtekening !!!) Zij zien dat als indicatie maar niet al voldoende bewijs dan leggen zij bijkomende voorwaarden op die niet in de wet staan en dus ook niet geoorloofd zijn. Zonder enige verdere motivering hiervan!!!!!! Dat hij de beslissing dan ook op geen enkele wijze kan aanvaarden als voldoende draagkrachtig om aan verzoekster duidelijk te maken dat zijn aanvraag niet kan aanvaard worden. Hij meent dat men minstens had moeten motiveren waarom zijn opgegeven redenen niet worden aanvaard en waarom deze niet voldoende doorslaggevend zijn. Dat geen enkel individueel element verder werd ontleed in de beslissing en men gewoon verwijst naar de beslissing van het Commissariaat generaal.. Dat een dergelijke motivering zijn rechten als asielzoeker schendt. Dat deze beslissing dan ook dient vernietigd te worden . Dat er nooit een interview op de Vaste beroepscommissie werd afgelegd ten gronde , dat zijn interview op de DVZ nochtans zeer kort werd gehouden ., doch dat hij dit op XIV-22.530-3/5 het Commissariaat Generaal zeer coherent en ,begrijpelijk en duidelijk uiteenzette en dat dit getuigde van een gegronde persoonlijke vrees in zijne hoofde”; 1.
- Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen duidelijk aangeeft dat verzoekers hoger beroep onontvankelijk wordt verklaard omdat het na het verstrijken van de in artikel 57/11, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) voorgeschreven beroepstermijn is ingediend; dat de bestreden beslissing aldus genoegzaam met redenen is omkleed; dat de kennisgeving, welke de beroepstermijn doet ingaan, niet geschiedt op het ogenblik dat de zending met de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen effectief door de vreemdeling in ontvangst wordt genomen, doch wel -zoals terecht in de bestreden beslissing gesteld- “op het ogenblik waarop de brief wordt aangeboden op het dienende adres”; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dan ook niet diende vast te stellen dat de brief van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen daadwerke- lijk door betrokkene in ontvangst was genomen; dat erop moet gewezen dat de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, blijkens de bijlage bij het beroepschrift tegen deze beslissing als adres vermeldt “Sint-Jansplein, 29/kamer 4"; dat aldus moet worden vastgesteld dat bij de betekening van de bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bestreden beslissing eveneens het kamernummer werd vermeld; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen of de verzoekende partij erin geslaagd is de aangenomen betekeningsdatum te weerleggen en of het beroep tijdig werd ingesteld bij dit rechtscollege; dat deze beoordeling door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kan worden overgedaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineer- de wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat op de grond van de zaak -verzoekers vrees voor vervolging- de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen slechts nader had moeten ingaan indien het hoger beroep ontvankelijk ware geweest, wat evenwel niet het geval was; dat ze haar bevoegdheid zou hebben overschreden mocht ze een laattijdig bij haar ingeleid beroep toch ten gronde hebben behandeld; dat de middelen, in de mate ze ontvankelijk zijn, niet gegrond zijn;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-22.530-4/5 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie april tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-22.530-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.275 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.