← België

Arrest 157306 - - 04/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.306 Rolnummer: A. 158806/XIV-21484 Zaak: Arrest 157306 - - 04/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-20 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 16:47 Fiche Arrest nr 157.306 van 4 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.306 van 4 april 2006 in de zaak A. 158.806/XIV-21.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. VERSTREPEN, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Rotterdamstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 29 december 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 29 november 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelin- gen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij zijn beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hem als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking van 17 januari 2005 waarbij aan de verzoeken- de partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 18 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-21.484-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat K. VERSTREPEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht, in het bijzonder de schending van de artikel 57/22, samen gelezen met artikel 57/11 van de Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen van 15 december 1980; Dat de tegenpartij als motivering aanhaalt dat artikel 57/11 stelt dat een beroep binnen de termijn van vijftien dagen na kennisgeving van de beslissing moet ingediend worden; Dat de tegenpartij stelt dat behoudens tegenbewijs moet worden aangenomen dat de op 7 april verstuurde beslissing tot weigering van het statuut van vluchteling, werd aangeboden op donderdag 8 april 2004; Dat verzoeker op dat moment in een opvangcentrum verbleef; Dat in een opvangcentrum de asielzoekers niet rechtstreeks de post ontvangen en niet over een eigen brievenbus beschikken die ze zelfstandig kunnen openmaken; Dat de beslissing in dit opvangcentrum pas op 9 april 2004 aan verzoeker werd betekend; Dat de kennisgeving op 9 april 2004 als dusdanig in het wachtregister werd genoteerd; Dat op dit moment niet meer nagegaan kan worden waarom de beslissing in het opvangcentrum pas op 9 april 2004 aan verzoeker werd betekend; Dat niet meer kan worden nagegaan of de beslissing pas op 9 april ter adres van het opvangcentrum werd aangeboden, of dat zij pas op 9 april door de bevoegde functionaris in het centrum aan de kamer van verzoeker werd aangeboden. Dat echter de correcte datum van kennisgeving door de bevoegde overheid in het wachtregister werd ingevoerd; Dat de gegevens van het wachtregister voor de Vaste Beroepscommissie toegankelijk zijn; Dat verzoeker in het verzoekschrift aangeeft dat de kennisgeving op 9 april 2004 gebeurde; Dat verzoeker verder niet op de hoogte was van de eventuele datum van verzending van de beslissing; Dat verzoeker niet wist dat over de datum van kennisgeving onenigheid zou bestaan, noch dat hij enig bewijs zou moeten voorleggen van de werkelijke datum van kennisgeving; Dat de Vaste Beroepscommissie van zijn kant wel op de hoogte was of kon zijn van de werkelijke datum van kennisgeving; Dat de Vaste Beroepscommissie zelf in het wachtregister kon nagaan dat de beslissing pas aan verzoeker werd aangeboden op 9 april
  4. Dat de Vaste Beroepscommissie aldus ten onrechte stelt dat appellant geen tegenbewijs aanbrengt voor de veronderstelling dat de kennisgeving op 8 april 2004 gebeurde; Dat de motivering van de bestreden beslissing geen rekening houdt met alle elementen aanwezig in het dossier, wanneer zij stelt dat verzoeker geen bewijs aanbracht van de werkelijke datum van kennisgeving; XIV-21.484-2/4 Dat de motivering om die reden artikel 57/22 van genoemde Wet van 15 december 1980 schendt; Dat de motivering de toepassing van artikel 57/11 inroept van genoemde Wet van 15 december 1980, terwijl dit artikel een beroepstermijn van 15 dagen na de kennisgeving vaststelt, en dat verzoeker een beroep indiende op de 15e dag na de kennisgeving, zijnde 9 april 2004; Dat de bestreden beslissing om die reden artikel 57/11 van genoemde Wet schendt;”; 1.
  5. Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen duidelijk aangeeft dat verzoekers hoger beroep onontvankelijk wordt verklaard omdat het na het verstrijken van de in artikel 57/11, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) voorgeschreven beroepstermijn is ingediend; dat de bestreden beslissing aldus genoegzaam met redenen is omkleed; dat de kennisgeving, welke de beroepstermijn doet ingaan, niet geschiedt op het ogenblik dat de zending met de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen effectief door de vreemdeling in ontvangst wordt genomen, doch wel -zoals terecht in de bestreden beslissing gesteld- “op het ogenblik waarop de brief wordt aangeboden op het dienende adres”; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dan ook niet diende vast te stellen dat de brief van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen daadwerke- lijk door betrokkene in ontvangst was genomen; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen of de verzoekende partij erin geslaagd is de aangenomen betekeningstermijn te weerleggen en of het beroep tijdig werd ingesteld bij dit rechtscollege; dat deze beoordeling door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kan worden overgedaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat het enig middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  6. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  8. XIV-21.484-3/4 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier april tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-21.484-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.306 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.