← België

Arrest 157307 - - 04/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.307 Rolnummer: A. 158702/XIV-21453 Zaak: Arrest 157307 - - 04/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-20 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 16:48 Fiche Arrest nr 157.307 van 4 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.307 van 4 april 2006 in de zaak A. 158.702/XIV-21.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 641 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 27 december 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 27 september 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 17 januari 2005 waarbij aan de verzoeken- de partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 18 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-21.453-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “3.b. Middel tot nietigverklaring van de beslissing van 27 september 2004 de erkenning van de hoedanigheid van vluchtelingen weigerend: Machtsoverschrijding volgend uit de artikelen 23, 48 en volgende, artikel 62, van de wet van 15 december1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, artikelen 1 en 33 van de Conventie van Genève betreffende het statuut van de vluchtelingen, en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen. De bestreden beslissing gaat inhoudelijk terug tot de beslissing van de Commissaris- Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen van 12 februari 2004 hoger genoemd die bij gemis aan het bestaan van een vrees voor vervolging in de zin art. 1, paragraaf A, lid 2, van de Conventie van Genève van 28 juli 1951 de erkenning als Vluchteling weigerde. In die beslissing wordt op grond van tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen van verzoeker gesteld dat zijn verhaal geen steek houdt en binnen de Iraanse context niet aannemelijk blijkt. Dit verhaal gaat er om dat verzoeker aanvankelijk blijkbaar medestander van het heersend regiem er naderhand, op grond van zijn ervaringen met het gevangeniswezen in Iran, waar hij als elektrieker was tewerkgesteld, een tegenstander van is geworden in die mate dat hij uit vrees voor persoonlijke vervolging het land heeft verlaten. De bestreden beslissing ontmoet de grieven, die verzoeker voor de Vaste Beroepscom- missie tegen de motivering van de beslissing van de Commissaris-Generaal aanbracht, in de vorm van het in twijfel trekken van elke grief aan de hand van de antwoorden door verzoeker ter zitting verstrekt. Dat verzoeker documenten in de Farsi taal waren opgesteld voorlegde en die mondeling zou hebben toegelicht doch die van de hand werden gewezen bij gemis aan een voor eensluidende vertaling. Die worden hier nu met eensluidend verklaarde vertaling door een beëdigd vertaler aangehecht. Met de inhoud van die documenten en de toelichting ter zitting werd geen rekening gehouden Die documenten houden in dat hij op 5 januari 1998 een bedrag van 300.000 rial, gelijk aan dertig duizend toemand, plus drie benzinestrookjes heeft afgegeven aan de hoge Raad voor Justitie, Orgaan van de gevangenissen en ondernemingen van veiligheid en opvoeding van het land. Op 8 en 12 januari 1998 heeft S. A. H. G., van de commissie van mobilisatie en onderzoek van de gevangenissen van Sanandaj, van verzoeker twee strookjes voor brandstof van Jeep en Peykan Teheran -27 ontvangen. Op 14 januari 198 kreeg hij van de voertuigverantwoordelijke van de gevangenissen van Sanandaj de opdracht om voor een strookje voor benzine als brandstof voor Peykan karloeks te zorgen. Op 16 januari 1998 had dhr Nadjafi, dienstplichtige politie van de Rechtbank een benzinestrookje voor brandstof van Peykan, in zake pas toegekomen krachten, nodig. Daarmede is volgens verzoeker het bewijs geleverd dat zijn verklaringen omtrent zijn tewerkstelling in het gevangeniswezen beslist geloofwaardig zijn zodat het ten onrechte is dat zijn verklaringen als niet steekhoudend en niet geloofwaardig worden weerhouden.”; XIV-21.453-2/4 1.
  4. Overwegende dat de schending van artikel 23 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), voor zover dit artikel in casu dienstig kan worden ingeroepen, in het verzoekschrift niet wordt toegelicht; dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat deze vaststelling eveneens geldt wat betreft de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat de schending van het non-refoulementbeginsel, omschreven in artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag, niet dienstig kan aangevoerd worden tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een terugleidingsmaatregel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan over de hoedanigheid van vluchteling van betrokkene; dat, met betrekking tot de aangevoerde documenten in het Farsi dient erop gewezen dat luidens de bestreden beslissing geen enkel van de betreffende documenten vergezeld was van een voor eensluidend verklaarde vertaling in de taal van de rechtspleging, zodat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, niet verplicht was ze in overweging te nemen; dat in de mate het middel ertoe strekt aan te tonen dat verzoeker wel degelijk aan de voorwaarden van artikel 1, A

(2), van het Vluchtelingenverdrag, en daarmee samenhangend de artikelen “48 en volgende” van de Vreemdelingenwet, beantwoordt, het niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat de Raad immers geen tweede instantiegerecht is dat de zaak opnieuw ten gronde onderzoekt, en als administratieve cassatierechter enkel de wettigheid van de hem voorgelegde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen mag nagaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  1. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep wordt verworpen. XIV-21.453-3/4 Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier april tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-21.453-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.307 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.