id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.327 Rolnummer: A. 157026/XIV-21012 Zaak: Arrest 157327 - - 04/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-05 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 16:48 Fiche Arrest nr 157.327 van 4 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.327 van 4 april 2006 in de zaak A. 157.026/XIV-21.
(2); Overwegende dat betrokkene zich op 8 maart 1995 vluchtelinge verklaarde en dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 14 maart 1996 de beslissing van weigering met bevel om het grondgebied te verlaten van 8 maart 1995 heeft bevestigd, beslissing haar dezelfde dag betekend; Overwegende dat haar op 29.10.1996 en op 9.06.1998 een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend; Overwegende dat zij dienvolgens niet gemachtigd, noch toegelaten werd tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk; Overwegende dat betrokkene, als dader of mededader, uit hoofde van diefstal door middel van geweld of bedreigingen, in bende, op 7 mei 2002 door het Hof van Beroep te Antwerpen werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden met uitstel van 5 jaar, behalve het ondergane gedeelte van de voorhechtenis; Overwegende dat betrokkene geen enkele familiale binding heeft in het Rijk; Overwegende dat uit de voorgaande feiten blijkt dat zij, door haar persoonlijk gedrag, de openbare orde heeft geschaad; Overwegende dat zij dienvolgens een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid betekent; BESLUIT: - de zich noemende XXX, geboren op 24 april 1975 te Heabel, die beweert onderdaan te zijn van Liberia, is uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. (...).”. 1.
- Op 29 september 2004 werd aan verzoekster het bevel van dezelfde datum ter kennis gebracht van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van artikel 5 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); van het begrip “gevaar voor de openbare orde”; van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en tenslotte de schending van de rechten van verdediging aanvoert; dat verzoekster betoogt dat zij werd veroordeeld op 7 mei 2002 en dat, mocht haar regularisatieaanvraag behandeld zijn vóór die datum, zij niet kon worden uitgesloten van de toepassing van de wet; dat XIV-21.012-3/6 verzoekster stelt dat deze werkwijze discriminatoir is ten opzichte van personen die werden veroordeeld ná afsluiting van hun regularisatieprocedure en dat de Minister bijgevolg enkel rekening mag houden met veroordelingen die dateren van vóór de regularisatieaanvraag; dat verzoekster in ondergeschikte orde inhoudelijke kritiek uit op het arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen van 7 mei 2002; dat verzoekster vervolgens aanvoert dat de vastgestelde feiten geen aanleiding kunnen geven tot uitsluiting van de toepassing van de Regularisatiewet; dat zij daaraan toevoegt dat het in casu niet gaat om zeer ernstige misdrijven; dat zij tevens aanvoert dat de Minister geen rekening heeft gehouden met de brieven van haar Advocaat van 6 en 28 december 2001; 2.
- Overwegende dat artikel 5 van de Regularisatiewet bepaalt dat “De in artikel 2 bedoelde vreemdelingen die naar het oordeel van de minister een gevaar betekenen voor de openbare orde of de nationale veiligheid, (...) van de toepassing van deze wet (zijn) uitgesloten”; dat uit de bewoordingen van dit artikel niet volgt dat de Minister zich bij de beoordeling van het gevaar dat een aanvrager vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, dient te plaatsen op het ogenblik van de aanvraag; dat de verwijzing van verzoekster naar het ogenblik waarop de onderscheiden regularisatiecriteria dienen te worden beoordeeld, bijgevolg niet ter zake dienend is; dat wat betreft het ogenblik van de strafrechtelijke veroordeling van verzoekster, vóór of na de beslissing inzake regularisatie van de Minister, de datum van deze veroordeling evenmin ter zake dienend is; dat de Minister van Binnenlandse Zaken immers beslist tot de uitsluiting van een aanvrager op basis van zijn gedrag; dat de gegevens die hierbij in aanmerking kunnen worden genomen, niet steeds gesteund moeten zijn op strafrechtelijke veroordelingen, gelet op de ruime appreciatiebevoegdheid van de Minister; dat bovendien uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de feiten waarvoor verzoekster definitief werd veroordeeld, dateren van 1996, dit is geruime tijd vóór haar regularisatieaanvraag; Overwegende dat, in de mate dat verzoekster kritiek uit op de inhoud van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 7 mei 2002, de Raad van State niet bevoegd is om hierover uitspraak te doen; dat uit stuk 169 van het administratief dossier blijkt dat de voorziening in Cassatie werd verworpen op 11 maart 2003, zodat voornoemd arrest van het Hof van Beroep inmiddels in kracht van gewijsde is getreden; dat het niet aan de Minister van Binnenlandse Zaken toekomt om bij de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid in het kader van de Regularisatiewet, een nieuw onderzoek te doen naar de strafrechtelijke feiten; Overwegende dat verzoekster tenslotte aanvoert dat de feiten niet ernstig genoeg zijn om tot uitsluiting van de toepassing van de Regularisatiewet te leiden en dat zij hiervoor verwijst naar de voorbereidende werkzaamheden van deze wet; dat uit rechtspraak van de Raad van State reeds is gebleken dat de verwijzing in de voorbereidende werkzaamheden van deze wet naar veroordelingen wegens het behoren tot terroristische XIV-21.012-4/6 organisaties en wegens handel in verdovende middelen, voorbeelden zijn en niet beletten dat aanvragers worden uitgesloten wegens andere feiten; dat uit de bestreden beslissing blijkt waarom de Minister van oordeel is dat verzoekster een gevaar betekent voor de openbare orde; dat er wordt verwezen naar het feit dat zij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden met uitstel uit hoofde van diefstal door middel van geweld of bedreigingen in bende en dat hieruit blijkt dat zij door haar persoonlijk gedrag de openbare orde heeft geschaad en dienvolgens een gevaar betekent voor de openbare orde en de nationale veiligheid; dat de bestreden beslissing de juridische en feitelijke overwegingen bevat waarop ze is gesteund; Overwegende dat de Minister in het kader van een beslissing tot uitsluiting van de toepassing van de Regularisatiewet, op basis van artikel 5 van deze wet dient na te gaan of de aanvrager een gevaar betekent voor de openbare orde of de nationale veiligheid; dat de Minister in dit geval geen onderzoek voert betreffende de toepassing van de regularisatiecriteria, vermeld in artikel 2 van voornoemde wet, waarop de aanvrager zich beroept; dat de brieven van 6 en 28 december 2001 betrekking hebben op regularisatiecriteria en kritiek inhouden op de inhoud van het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen; dat uit wat voorafgaat volgt dat de Minister in casu met deze brieven geen rekening diende te houden; Overwegende dat de motieven van de eerste bestreden beslissing afdoende, terzake dienend, pertinent en deugdelijk zijn; dat de motiveringsplicht niet is geschonden; Overwegende dat verzoekster geen middelen aanvoert die gericht zijn tegen de tweede bestreden beslissing;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- XIV-21.012-5/6 De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier april tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-21.012-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.327 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div