id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.330 Rolnummer: A. 132413/XIV-13660 Zaak: Arrest 157330 - - 04/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-05 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 16:49 Fiche Arrest nr 157.330 van 4 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.330 van 4 april 2006 in de zaak A. 132.413/XIV-13.660. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. JACOBS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Kroonlaan 207 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 7 mei 1979 en van Russische nationaliteit, op 13 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 december 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 november 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 4 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 27 mei 2004, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 28 mei 2004; XIV-13.660-1/8 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 10 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 22 februari 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS die, loco Advocaat F. JACOBS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 31 juli 2002 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.2. Op 6 november 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 11 december 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaart op 7 mei 1979 geboren te zijn te Bakoe (Azerbeidzjan) en van Armeense origine te zijn. U stelt in mei 1990, omwille van de oorlogssituatie in Azerbeidzjan, naar de Russische Federatie te zijn geëvacueerd door Russische Sovjettroepen en er sedertdien te Krasnodar (Russische Federatie) te hebben gewoond. U verklaart er tot 1997 illegaal te hebben verbleven. Hierna verkreeg u tijdelijke verblijfsvergunningen. In juni 1997 deed u een aanvraag om het Russisch staatsburgerschap te bekomen. Tot uw vertrek was u in afwachting van een antwoord op uw aanvraag. Sedert 1998 baatte u te Krasnodar een kapsalon uit. Op 13 december 2000 XIV-13.660-2/8 ontmoette u uw vrouw B. (o.v. 5.253.519), waarmee u op 7 juli 2001 voor de kerk huwde. In juni 1998 werd u door skinheads in uw kapsalon aangevallen. U diende hierna medisch te worden verzorgd. U heeft geen bescherming gezocht bij de politie. Op 10 juni 2002 vertrok uw vrouw, die zwanger was, op vakantie naar haar tante Anne in de deelrepubliek Adige, om er uit te rusten. Op 27 juni 2002 werd u opnieuw door een aantal skinheads in uw kapsalon aangevallen. U verklaarde dat u intussentijd (ondertussen) geen concrete problemen kende, maar dat (
- er)de laatste jaren (
- er)verschillende nationalistische groeperingen, die Kaukasiërs viseerden, waren ontstaan. Wanneer de politie op 27 juni 2002 in uw salon aankwam, werd u ook door hen geslagen. Vervolgens werd iedereen in uw salon aanwezig meegenomen naar het politiekantoor. Na een ondervraging werd u vrijgelaten. Op 29 juni 2002 stelde u vast dat de deur van uw woning geforceerd werd. U nam onmiddellijk hierna contact op met uw advocaat. Op 31 juni 2002 werd u door twee politieagenten, in het kader van de inbraak van de dag voordien, bezocht. Ze wilden, zonder huiszoekingsbevel, uw woning doorzoeken. Uw advocaat kon dit, via de telefoon, voorkomen. Op 1 juli 2002 kreeg u het bezoek van uw broer Robert. Hij stelde voor om wraak te nemen op de skinheads voor hun aanval. U weigerde. De volgende dag vernam u van uw vriend Artur dat uw broer in een gevecht met skinheads werd gedood. Die avond werd u door drie politieagenten thuis meegenomen naar het politiekantoor in de Leninskiwijk. U werd van moord, op een van de skinheads die slaags was geraakt met uw broer, beschuldigd en werd ondervraagd. Op 5 juli 2002 werd u voorwaardelijk vrijgelaten. Achteraf vernam u dat de persoon, die u zogenaamd vermoord had, nog in leven was. U bent sedertdien thuis gebleven. Op 24 juli 2002 nam u contact op met uw vrouw, en sprak met haar twee dagen later af. Op 26 juli 2002 ontvluchtte u, met uw vrouw, de Russische Federatie. U bent op 31 juli in België aangekomen en heeft er dezelfde dag uw asielaanvraag ingediend. U bent niet in het bezit van enig identiteitsdocument. U verklaart (C.G.V.S. p.1) over geen staatsburgerschap te beschikken. U verklaart (C.G.V.S. p.5, 7-8) dat u gedurende twaalf jaar in de Russische Federatie heeft verbleven, met opeenvolgende tijdelijke verblijfsvergunningen. In juni 1997 vroeg u het Russisch staatsburger- schap aan. U wachtte, tot aan uw vertrek uit de Russische Federatie, op een antwoord van de Russische overheid. Omwille hiervan kan worden gesteld dat uw actuele vrees ten opzichte van de Russische Federatie, als land van gewoonlijk verblijf, dient te worden geëvalueerd. Vooreerst dient er, desondanks, te worden opgemerkt dat (aan) de geloofwaardigheid van uw verklaringen omtrent uw verblijf in Krasnodar op ernstige wijze kan worden getwijfeld. Zo kon u het niet aannemelijk maken dat u sedert mei 1990 tot in juli 2002 te Krasnodar heeft verbleven. Uw kennis met betrekking tot deze stad en haar omgeving bleken bijzonder gering te zijn, terwijl u verklaarde de hele periode in Krasnodar (vlakbij het centrum) te hebben gewoond (C.G.V.S. p.5, 10), en er o.a. gedurende 4 jaar school te hebben gelopen (C.G.V.S. p.10). Zo verklaarde u (noch) de telefoon- noch de postcode van Krasnodar te kennen (Commissariaat-generaal p.11). U wist niet welke universiteiten er in Krasnodar zijn (C.G.V.S. p.15), hoe de stad bij haar ontstaan heette (C.G.V.S. p.16), waar het busstation en de vlieghaven van Krasnodar zich bevinden (C.G.V.S. p. 16). U kan verder geen namen van belangrijke musea opnoemen (Commissariaat-generaal p.16). Wanneer u daarenboven gevraagd wordt een aantal omliggende dorpen van Krasnodar op te noemen, blijft uw antwoord beperkt tot Georgevsk, Navakubansk, Jesentoekie en de deelrepubliek Karatjevo Tsjerkes. Uit informatie aanwezig op het C.G.V.S.(zie copie (kopie) in het administratief dossier) kan bezwaarlijk gesteld worden dat deze plaatsen buurdorpen zijn van Krasnodar. U kan evenmin de ligging van deze plaatsen bepalen. U slaagde er daarenboven niet in om dichterbijgelegen plaatsen te vernoemen (C.G.V.S. p.14-15). Ten slotte dient er te worden op gewezen dat u verkeerdelijk stelt dat er in Krasnodar en haar omgeving geen rivieren noch meren zijn (C.G.V.S. p.15), dat het centrale postkantoor en het stadhuis zich in de Leninskistraat bevinden (C.G.V.S. p.11) (info: The Columbia Encyclopedia, Sixth Edition, 2001; Lonely Planet, “Russia, Ukraine, Belarus”, p.486-487; Millenium, Information Resources, City of Krasnodar.). De geloofwaardigheid van uw asielaanvraag wordt verder ondermijnd nadat werd vastgesteld dat uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal tegenstrijdigheden vertonen met enerzijds uw eerdere verklaringen afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken en anderzijds met de verklaringen die uw partner Bagdasarova Inessa (o.v. 5.253.519) afgelegd heeft. Zo verklaarde u voor het Commissariaat-generaal (p. 13-14) dat u in juni 1998 voor het eerst door skinheads werd aangevallen. Hierna diende u door een dokter te worden verzorgd. U ging niet naar de politie. Op de Dienst Vreemdelingenzaken maakte u geen gewag van deze ernstige aanval en de medische verzorging. Langs de andere kant verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken (p.13) dat u op 20 april 2002 voor het eerst werd aangevallen in uw kapsalon. U en de anderen aanwezigen werden beledigd en geslagen. Dezelfde avond werd u meegenomen naar het politiebureau en er gedurende zes uur vastgehouden en ondervraagd. Op het Commissariaat-generaal echter maakte u geen melding van deze aanval, de aanhouding en de ondervraging van (door) de politie. U benadrukt zelfs dat u in de periode tussen juni 2000 en juni 2002 geen problemen kende. XIV-13.660-3/8 Verder verklaarde uw vrouw dat jullie elkaar voor het eerst op 13/12/00 zagen bij jullie vriend Wahik. Behalve het gezin van Wahik, u en uw vrouw waren er geen gasten. Na jullie eerste ontmoeting hebben jullie dan, volgens uw vrouws verklaringen, een afspraak gemaakt voor de woning van Wahik (zonder hem te zien) en hebben jullie samen een wandeling gemaakt (C.G.V.S. p.3-4). U daarentegen stelde dat u uw vrouw op 13 december 2000 bij jullie vriend Wahik ontmoette. Uw vrouw was er in het gezelschap van haar nicht Jeanne. Bij jullie volgende afspraak waren jullie opnieuw bij Wahik te gast en werd uw vrouw opnieuw door haar nicht vergezeld (C.G.V.S. p.9-10). Met betrekking tot uw vrouws verblijf bij haar tante Anna, sedert 10 juni 2002, verklaarde u voor het Commissariaat-generaal (p.20-21) dat u sedert uw vrouws vertrek (
- u)om de 3 à 4 dagen telefonisch contact opnam met uw vrouw. U voegt eraan toe dat tante Anna over een telefoonaansluiting beschikte. Uw vrouw stelt (C.G.V.S. p.7-8) echter dat, sedert haar vertrek naar haar tante Anna op 6 juni 2002, jullie pas op 24 juli 2002 voor het eerst terug contact hadden. Uw vrouw vermeldde hierbij dat ze u opbelde vanuit een telefooncel gezien haar tante geen telefoonaansluiting had. Verder verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken (p.13) dat tijdens de aanval van skinheads in uw kapsalon, op 27 juni 2002, u en (
- uw)zes klanten (2 Russen en 4 Armenen) aanwezig waren. U voegt eraan toe dat, onmiddellijk na de inval van de skinheads, politie- agenten binnenvielen en dat u er geslagen werd. U werd later door hen meegenomen naar het politiekantoor en ook daar werd u fysiek mishandel(d). Op het Commissariaat-generaal (p.18-19) stelde u echter dat er (zich) die dag 2 Armeense klanten en 3 Armeense vrienden in uw zaak bevonden toen de skinheads binnendrongen. Voorts verklaarde u dat u door de politieagenten uitsluitend in uw kapsalon werd geslagen, en niet op het politiebureau. Ten slotte verklaarde uw vrouw voor het Commissariaat-generaal (p.8) dat u haar op 26 juli 2002 om 13 uur, in het gezelschap van Vassily (met een personenwagen en niet met een taxi) te Adige kwam ophalen. Volgens haar verklaringen vertrokken jullie onmiddellijk van daaruit naar België, zonder via Krasnodar te rijden. U stelde daarentegen (p.21) dat u (alleen) uw vrouw, op 26 juli 2002 om 9 à 10 uur 's morgens, met een taxi te Adige kwam ophalen. Jullie zijn dan naar Krasnodar vertrokken, waar jullie een afspraak hadden met de persoon die jullie naar België bracht, Vassily. Bovenstaande vaststellingen zijn van die aard dat er geen enkel geloof meer kan worden gehecht aan uw asielrelaas. Bijgevolg kan er in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève worden vastgesteld. (...).”. 2. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van het artikel 2, §§ 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van het artikel 2, §§ 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, maar dat uit de verzoekschriften blijkt dat hij de schending van de artikelen 2 en 3 van deze wet bedoelt; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, zowel artikel 62 van de Vreemdelingenwet als de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is XIV-13.660-4/8 bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.3. van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten op grond van het feit dat de geloofwaardigheid van verzoekers verklaringen omtrent zijn verblijf in Krasnodar in twijfel wordt getrokken; dat verzoeker het niet aannemelijk maakt dat hij gedurende 12 jaar in Krasnodar verbleef omdat zijn kennis van deze stad en haar omgeving bijzonder gering is, terwijl hij verklaarde de hele periode vlakbij het centrum te hebben gewoond en er gedurende 4 jaar school te hebben gelopen: - verzoeker kende de telefoon- en postcode van Krasnodar niet, wist niet welke universitei- ten er zijn, hoe de stad bij haar ontstaan heette, waar het busstation en de vlieghaven zich bevinden en kan geen namen van belangrijke musea opnoemen; - wanneer verzoeker gevraagd wordt een aantal omliggende dorpen op te noemen, blijft zijn antwoord beperkt tot een aantal plaatsen die, volgens de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, bezwaarlijk als buurdorpen kunnen worden beschouwd, terwijl hij evenmin hun ligging kan aantonen; - verzoeker verklaarde foutief dat er in Krasnodar en haar omgeving geen rivieren, noch meren zijn en dat zowel het centrale postkantoor als het stadhuis zich in de Leninskistraat bevinden; Overwegende dat de Commissaris-generaal eveneens tot de bedrieglijk- heid van verzoekers asielrelaas heeft besloten omwille van het feit dat de geloofwaardigheid van verzoekers asielaanvraag verder wordt ondermijnd doordat tegenstrijdigheden werden vastgesteld, zowel tussen verzoekers opeenvolgende verklaringen, als tussen zijn verklaringen en die van zijn echtgenote, Inessa BAGDASAROVA: - verzoeker verklaarde op het Commissariaat-generaal dat hij in juni 1998 voor het eerst door skinheads werd aangevallen, dat hij hiervoor verzorging nodig had, maar niet naar de politie ging, terwijl hij op de Dienst Vreemdelingenzaken geen gewag maakte van deze ernstige aanval en de medische verzorging; verzoeker verklaarde daarentegen bij laatstgenoemde instantie dat hij voor het eerst op 20 april 2002 werd aangevallen in zijn kapsalon, werd geslagen en beledigd, en dezelfde avond werd meegenomen naar het politiebureau en er gedurende zes uur werd vastgehouden en ondervraagd, terwijl hij op het Commissariaat- generaal deze aanval, de aanhouding en de ondervraging niet vermeldde, maar benadrukte dat hij in de periode tussen juni 2000 en juni 2002 geen problemen kende; - verzoekers echtgenote verklaarde dat zij elkaar voor het eerst ontmoeten in het bijzijn van hun vriend Wahik en diens gezin, dat zij vervolgens een afspraak maakten voor de woning van hun vriend, zonder deze te zien, om samen een wandeling te maken, terwijl verzoeker verklaarde dat zijn vrouw steeds in het gezelschap was van haar nicht Jeanne en dat zij tijdens hun tweede ontmoeting ook bij Wahik te gast waren; XIV-13.660-5/8 - verzoeker verklaarde op het Commissariaat-generaal dat hij om de drie of vier dagen telefonisch contact opnam met zijn vrouw toen zij bij haar tante Anna, die over een telefoonaansluiting beschikte, verbleef, terwijl zijn echtgenote stelt dat zij verzoeker pas op 24 juli 2002 voor het eerst terug opbelde vanuit een telefooncel omdat haar tante geen telefoonaansluiting had; - verzoeker verklaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij en zes klanten, twee Russen en vier Armenen, aanwezig waren tijdens de aanval van skinheads op zijn kapsalon op 27 juni 2002 en dat, onmiddellijk na de inval van de skinheads, politieagenten binnenvielen die hem sloegen en meenamen naar het politiekantoor, waar hij ook werd mishandeld, terwijl hij op het Commissariaat-generaal verklaarde dat er die dag twee Armeense klanten en drie Armeense vrienden aanwezig waren toen de skinheads binnendrongen in zijn kapsalon en dat hij enkel in het kapsalon werd geslagen en niet op het politiekantoor; - verzoekers echtgenote verklaarde dat verzoeker haar op 26 juli 2002 net na de middag, in het gezelschap van Vassily, met een personenwagen kwam ophalen te Adige, waarna zij onmiddellijk naar België vertrokken, terwijl verzoeker verklaarde dat hij alleen zijn vrouw ’s morgens ging ophalen met een taxi en dat zij naar Krasnodar reden waar zij hadden afgesproken met Vassily die hen naar België bracht; Overwegende dat verzoeker betreffende de tegenstrijdigheden tussen zijn verklaringen en die van zijn echtgenote aanvoert dat hij het merendeel van zijn problemen voor haar heeft verborgen; dat zijn echtgenote in een psychisch labiele toestand verkeert waardoor haar verklaringen onbruikbaar zijn als vergelijkingsmateriaal; dat verzoeker volhardt in zijn verklaringen; dat verzoeker uit het oog verliest dat de tegen- strijdigheden betrekking hebben op feiten die verzoeker en zijn partner samen hebben meegemaakt, met name hun eerste ontmoetingen en hun vertrek naar België, en die niet in verband staan met de problemen die verzoeker al dan niet voor zijn echtgenote verborgen heeft gehouden; dat uit het administratief dossier blijkt dat noch verzoeker, noch zijn echtgenote tijdens de verhoren bij de onderscheiden asielinstanties, melding heeft gemaakt van de psychische problemen van verzoekers partner; dat verzoeker bijgevolg niet aantoont dat de verklaringen van zijn echtgenote, als gevolg van haar psychische toestand, niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling van zijn asielaanvraag; dat verzoeker geen poging onderneemt om de tegenstrijdigheden tussen zijn opeenvolgende verklaringen te weerleggen; dat de door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdig- heden steun vinden in het administratief dossier; Overwegende dat de Commissaris-generaal heeft vastgesteld dat verzoeker Krasnodar onvoldoende kent; dat verzoeker dit poogt te weerleggen door aan te voeren dat de Commissaris-generaal geen rekening heeft gehouden met het feit dat hij een reeks vragen, om zijn geografische kennis te peilen, correct heeft beantwoord; dat hij op elfjarige leeftijd in Krasnodar is gaan wonen, wees werd op vijftien jaar, weinig vrije tijd had wegens zijn studies en zelden de wijk waarin hij woonde verliet; dat verzoeker aanvoert dat XIV-13.660-6/8 de Commissaris-generaal zijn problemen, als gevolg van zijn Armeense origine, heeft genegeerd; dat de door de Commissaris-generaal aangewende informatie enkel tot doel heeft te bewijzen dat verzoeker een ontoereikende geografische kennis bezit van Krasnodar, maar niet aantoont dat er geen aanvallen door skinheads plaatsvinden in de huidige Russische Federatie; Overwegende dat verzoeker voorbijgaat aan het feit dat van een inwoner van een bepaalde stad wordt verwacht dat hij beschikt over een basiskennis van deze stad; dat verzoeker geen concrete en ter zake dienende elementen aanvoert om aan te tonen dat hij deze basiskennis bezit; dat de vaststellingen van de Commissaris-generaal steun vinden in het administratief dossier; dat in de bestreden beslissing duidelijk wordt aangetoond dat de vluchtmotieven op basis van de vastgestelde tegenstrijdigheden eveneens ongeloofwaardig zijn: iemand die niet aantoont uit een bepaalde stad afkomstig te zijn, kan zich niet beroepen op bepaalde gebeurtenissen die plaatsvonden in die stad om zijn asielaanvraag te staven; dat de Commissaris-generaal bijgevolg op goede gronden tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag besloot; Overwegende dat de bestreden beslissing werd genomen in overeen- stemming met de motiveringsplicht, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat de motivering de beslissing kan dragen en bijgevolg deugdelijk en afdoende is; dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal, en de gevolgtrekkingen die hij daaruit in rechte afleidt, onwettig zijn; dat het enig middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-13.660-7/8 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier april tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-13.660-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.330 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div