id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.333 Rolnummer: A. 130187/XIV-12886 Zaak: Arrest 157333 - - 04/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-05 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 16:49 Fiche Arrest nr 157.333 van 4 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.333 van 4 april 2006 in de zaak A.130.187 /XIV-12.
- In zake : XXX, wonende te 8400 OOSTENDE, tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 10 december 1977 en van Joegoslavische nationaliteit, op 5 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 13 november 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 14 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 13 november 2002; Gelet op de beschikking van 11 december 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de toelichtende memorie van de verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 3 oktober 2005 op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 3 oktober 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 12 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 25 januari 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-12.886-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. VANDERPUTTEN die, loco Advocaat M. SAMPERMANS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 5 november 2000 en verklaart zich vluchteling op 13 november
- 1.
- Op 14 december 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 13 november 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten. (...) Volgens uw verklaringen bent u een etnische Albanees, afkomstig uit Nena Jugovicë (gemeente Prishtina), Kosovo en van Joegoslavische nationaliteit. Ergens in 1998 is het Servische leger uw dorp binnengevallen. De hele Albanese bevolking werd toen uit haar huizen verjaagd. Uw ouders, één broer en zus werden naar Pristina gestuurd. U daarentegen zou worden opgesloten in de gevangenis van Mitrovica. Onderweg daar naartoe, in Barilevë, hebben de Serviërs echter een slachting uitgevoerd, waaraan u bent kunnen ontkomen. Uw verloofde is hierbij echter wel omgekomen. Daarna werd u opgevangen door UÇK-leden (Kosovaars Bevrijdingsleger). Vervolgens bent u tot deze organisatie toegetreden en hebt actief deelgenomen aan de gewapende strijd die het UÇK heeft gevoerd. U bent actief UÇK-lid gebleven tot aan het einde van de oorlog in Kosovo. Na de oorlog bent u ingetrokken bij uw oom in Dervarë. Daarna hebt u nog op verschillende andere plaatsen gewoond, o.a. in Prishtina en ook één week in Macedonië. U hebt gepoogd uw familie te lokaliseren en te contacteren, echter zonder succes. U hebt na de oorlog driemaal gepoogd naar uw dorp Nena Jugovicë terug te keren, maar dat bleek telkens onmogelijk. Uw dorp werd voornamelijk bewoond door Serviërs en tijdens uw bezoeken werd u met stenen bekogeld. Uw ouderlijke woning bleek bovendien vernield te zijn. Omdat het voor u onmogelijk is gebleken om naar uw geboortedorp terug te keren, u uw oorlogsverleden wil vergeten en u niet weet waar uw familie verblijft, hebt u uiteindelijk XIV-12.886-2/6 besloten om naar Europa uit te wijken. Ergens eind oktober 2000 hebt u uw geboorteland verlaten. U bent op 5 november 2000 in België aangekomen en heeft op 13 november 2000 hier een asielaanvraag ingediend. U legde verscheidene attesten met betrekking tot de door u gevolgde taallessen neer. Er dient te worden vastgesteld dat u onvoldoende feiten of elementen hebt aangehaald waaruit zou kunnen blijken dat u Kosovo in oktober 2000 hebt verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat u alsnog, bij een eventuele terugkeer naar uw land van herkomst, een dergelijke vrees dient te hebben. Uw motieven voor uw vlucht naar België zijn uw onmogelijkheid naar uw vroegere woonplaats in Nena Jugovicë terug te keren omwille van de Servische aanwezigheid daar en bijgevolg een gebrek aan een vaste woonplaats, het feit dat u uw oorlogsverleden wil vergeten en uw onwetendheid over de verblijfsplaats van uw familie (gehoor CGVS p. 11 en 12). De door u aangehaalde elementen zijn echter problemen van persoonlijke, logistieke en socio-economisch aard die als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève ressorteren. U hebt bovendien niet aangetoond dat u zich omwille van één van de redenen opgenomen in de Vluchtelingenconventie niet elders in Kosovo zou kunnen vestigen. U verklaarde immers zelf in die gebieden die enkel bevolkt zijn door Albanezen – sedert de beëindiging van het conflict bijna het hele Kosovaarse grondgebied – geen enkele vrees te hebben (gehoor CGVS p. 13). Verder verklaarde u na het einde van het gewapend conflict in Kosovo geen enkel probleem meer te hebben gekend met de in Kosovo aanwezige autoriteiten (gehoor CGVS p. 12). (...)”.
- Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat uit de brief van 16 januari 2006 van de Dienst Vreemdelingenzaken, blijkt dat er een declaratie van vertrek is in hoofde van de verzoekende partij op 22 december 2005; dat dit tot bewijs van het tegendeel betekent, dat de verzoekende partij ofwel vertrokken is en het land heeft verlaten, ofwel verblijft op een onbekend adres; dat deze brief aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen; dat ter zitting blijkt dat de Advocate van de verzoekende partij van de dominus litis geen instructies heeft gekregen in dit verband; dat het toekomt aan de Advocaat van een verzoekende partij zijn mandaat ter terechtzitting te bewijzen met concrete, geactualiseerde en controleerbare gegevens, rekening houdend met de eigenheid van het Vreemdelingencontentieux; dat de Advocaat als medewerker van het gerecht moet aantonen dat zijn cliënt nog steeds in het Rijk verblijft en dat hij met zijn cliënt nog contact had vóór de zitting; dat dit gegeven het voorwerp uitmaakt van een uitdrukkelijke vraagstelling die gevoegd wordt bij het vaststellingsbericht; dat in casu blijkt dat de verzoekende partij het vaststellingsbericht, gericht naar haar laatst gekende adres, heeft ondertekend op 24 december 2005, en dat zij haar advocaat heeft verwittigd, gelet op de aanwezigheid van een advocaat ter zitting; dat wanneer in de toekomst blijkt dat de vreemdeling geen gekende woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, en de Advocaat ter zitting niet het tegendeel aantoont, en zijn mandaat niet kan bewijzen, de Raad van State de vorderingen zal afwijzen wegens het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang; Overwegende dat de Advocate van verzoeker ter terechtzitting betoogt dat “meester Sampermans zal faxen of er woonplaatskeuze wordt gedaan op zijn kantooradres of niet (...)”; dat de dominus litis dit niet heeft gedaan, zodat het arrest wordt verstuurd naar de laatst gekende woon- of verblijfplaats van verzoeker; XIV-12.886-3/6
- Over de gegrondheid van de zaak. 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij stelt dat het dossier geen inventaris bevat, dat aan verzoeker geen kopie werd afgeleverd van de verhoren op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal, dat de tolken geen eed hebben afgelegd, dat het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal door niemand is ondertekend en niet werd voorgelezen aan verzoeker, dat zijn verklaringen foutief werden vertaald; dat de nota’s van het Commissariaat-generaal in “hanepoten” werden neergepend; dat er niets op band werd opgenomen; dat verzoeker verder betoogt dat hij niet werd geconfronteerd met “andere criteria die de toekenning van asiel wettigen”; dat hij hieraan toevoegt dat hij geen eerlijke behandeling van zijn zaak heeft gekregen; dat het respect voor mensenrechten in Kosovo niet tot de traditie behoort; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn toelichtende memorie herhaalt wat in het inleidend verzoekschrift werd aangevoerd; 3.1.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat niet wettelijk is voorgeschreven dat het dossier van het Commissariaat-generaal een inventaris moet bevatten, noch dat de tolken een eed dienen af te leggen; Overwegende dat het onderdeel van het middel dat betrekking heeft op het verloop van het interview voor beide asielinstanties feitelijke grondslag mist, niet in het minst omdat de toenmalige Advocaat van verzoeker niet aanwezig was tijdens het interview XIV-12.886-4/6 op het Commissariaat-generaal en verzoeker derhalve niet bijstond op een cruciaal moment van de asielprocedure; Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat het verhoor zowel op de Dienst Vreemdelingenzaken als op het Commissariaat-generaal op regelmatige wijze is verlopen, dat verzoeker het verhoorverslag op de Dienst Vreemdelingenzaken heeft ondertekend; dat hij bij de aanvang van het interview op het Commissariaat-generaal verklaarde dat hij de tolk goed begreep en dat hij op het einde van dit interview geen opmerkingen heeft gemaakt over de tolk; dat hij inzage kon vragen in zijn dossier om aldus de verhoorverslagen te raadplegen en om eventueel kopieën van deze stukken te bestellen; Overwegende dat het in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure aan de asielzoeker zelf toekomt om aan te tonen dat zijn asielaanvraag eventueel valt onder andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat de Commissaris-generaal in casu over doorslaggevende elementen beschikte, op basis van de verklaringen van verzoeker, om te oordelen dat zijn asielaanvraag geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat dit volstaat om een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren; dat verzoeker deze motieven niet aanvecht; dat deze motieven worden weergegeven onder punt 1.
- van dit arrest en neerkomen op het feit dat verzoeker geen relevante feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat hij Kosovo in oktober 2000 heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat hij alsnog een dergelijke vrees dient te hebben bij een eventuele terugkeer in 2006; dat deze motieven draagkrachtig zijn, afdoende, deugdelijk en pertinent; Overwegende dat verzoeker niet met concrete gegevens uiteenzet dat verzoeker “geen eerlijke behandeling” van zijn zaak zou hebben gehad en dat de “mensenrechten” geschonden werden; dat dit onderdeel van het middel onontvankelijk is; dat deze exceptie van onontvankelijkheid ambtshalve door de Raad van State wordt opgeworpen; Overwegende dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 51/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat verzoeker aanvoert dat de proceduretaal het Nederlands is maar dat het dossier Engelstalige stukken bevat die niet werden vertaald naar het Nederlands; XIV-12.886-5/6 3.2.
- Overwegende dat het middel feitelijke grondslag mist, omdat het dossier geen Engelstalige stukken bevat, en omdat artikel 51/3 van de Vreemdelingenwet geen bepalingen bevat over de taal van de asielprocedure maar enkel over het nemen van vingerafdrukken; dat het tweede middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier april tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-12.886-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.333 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.