← België

Arrest 157337 - - 04/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.337 Rolnummer: A. 141090/XIV-16592 Zaak: Arrest 157337 - - 04/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-10 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 16:49 Fiche Arrest nr 157.337 van 4 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.337 van 4 april 2006 in de zaak A. 141.090/XIV-16.592. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1090 BRUSSEL, R. Soetensstraat 12 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 2 februari 1973 en van Mongoolse nationaliteit, op 2 september 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 augustus 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 14 augustus 2003; Gelet op de beschikking van 10 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 2 juni 2004 op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 7 juni 2004; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 19 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 8 februari 2006 om 14.00 uur; XIV-16.592-1/8 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. HAEGEMANS die, loco Advocaat D. MONFILS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 26 oktober 2000 en verklaart zich vluchteling op 27 oktober 2000. 1.2. Op 25 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 11 augustus 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U verklaart de Mongoolse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Ulaanbaatar. Sinds 1999 zou (

  1. u)werken als boekhoudster in het bedrijf "Bat Trade". Dit privé-bedrijf spitste zich toe op de productie van wodka. Na het eerste semester bleek dat het bedrijf de maximale toegelaten productiehoeveelheid voor dat jaar reeds had bereikt. De directeur, Bayarkhuu genaamd, was van plan de wodka-aanmaak van de volgende semester niet aan te geven. Zo zou u dit dan ook in de boekhoudige (boekhoudkundige) balans moeten weergeven. U zou dit geweigerd hebben. De directeur zou u uitgescholden hebben, vervolgens zou hij getracht hebben u om te kopen en ten slotte zou hij u ontslagen hebben. Hierna (in juli 2000) zou u naar de politie geweest zijn en zou u een klacht ingediend hebben tegen Bayarkhuu. U zou hierbij info over de feiten toegevoegd hebben. De politie zou uw directeur opgeroepen hebben om deze zaken te verifiëren. Aangezien hij alles ontkende, zou de politie u verzocht hebben uw klacht in te trekken. Op een dag in oktober 2000 zou Bayarkhuu uw kinderen mee hebben genomen van school. Hij zou geëist hebben dat u uw klacht zou intrekken. 's Avonds zou u uw kinderen teruggevonden hebben in Khailast. Ook zou u telefonische bedreigingen ontvangen hebben van uw directeur. Uiteindelijk zou u besloten hebben Mongolië te verlaten, te meer omdat uw kinderen nu betrokken werden in uw problemen. Via Peking en Frankrijk zou u naar België gereisd zijn. Op 26/10/2000 bent u in België aangekomen en de volgende dag heeft u hier asiel aangevraagd. B. Motivering Er dient opgemerkt te worden dat u geen elementen heeft aangehaald waaruit zou blijken dat u uw land verlaten heeft uit gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of zulk een vrees dient te hebben bij een eventuele terugkeer naar Mongolië. De reden van uw asielaanvraag is van gemeenrechtelijke (strafrechtelijke) aard en ressorteert als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van de Geneefse Conventie, welke XIV-16.592-2/8 bescherming biedt aan personen die een vrees voor vervolging hebben omwille van hun ras, nationaliteit, religie, politieke overtuiging of het behoren tot een sociale groep. U heeft uw land immers verlaten omwille van een vrees voor uw directeur. Dit probleem kan gekaderd worden in de persoonlijke sfeer en zij wijst niet op een persoonlijke en doelgerichte vervolging door de Mongoolse autoriteiten. U zou zelf nooit problemen hebben gehad met de Mongoolse autoriteiten, noch bent u politiek actief geweest. U heeft niet aangetoond dat u om één van de redenen zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie geen beroep zou kunnen doen op de verdere bescherming van de Mongoolse autoriteiten. U kon immers probleemloos klacht indienen en bovendien kan opgemerkt worden dat de directeur is opgeroepen geweest voor ondervraging. Men zou u daarna gevraagd hebben de klacht in te trekken en u zou verder niets meer gehoord hebben van het onderzoek. Het niet verder optreden van de overheden kan te wijten zijn aan allerlei oorzaken en er kan geenszins een gebrek aan en/of onwil van bescherming van de Mongoolse autoriteiten uit afgeleid worden. U verklaarde immers kort daarna het land verlaten te hebben en hierdoor de klacht niet meer opgevolgd (
  2. te)hebben (gehoorverslag CGVS p.9). Toen uw directeur uw kinderen had ontvoerd, heeft u zelfs geen moeite gedaan om nog klacht in te dienen, waardoor u uzelf elke vorm van bescherming en/of hulp van de Mongoolse autoriteiten heeft ontzegd. Aldus heeft u geen concrete feiten of elementen aangehaald die kunnen wijzen op een persoonlijke en doelgerichte vervolging in de zin van de Conventie. U bent in het bezit van uw binnenlands paspoort en twee geboorteaktes van uw kinderen. Deze documenten zijn echter niet van die aard om de appreciatie van uw asielaanvraag in positieve zin om te buigen, aangezien zij enkel uw identiteit en die van uw kinderen bevestigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”. 2. Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat uit de brief van 25 januari 2006 van de Dienst Vreemdelingenzaken, blijkt dat er op 18 oktober 2005 een declaratie van vertrek plaatsvond; dat deze brief aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen; dat de Advocaat van de verzoekende partij ter zitting meedeelt dat de dominus litis nog instructies heeft gekregen vanwege verzoekster, en volhardt in het verzoekschrift; 3. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van “het algemeen beginsel van goed beheer dat de publieke autoriteit oplegt een redelijke termijn te respecteren in de behandeling van de aanvragen die haar toevertrouwd worden”; Overwegende dat verzoekster aanvoert dat “men het verloop van een te lange tijdsperiode tussen de inleiding van een dringend beroep en een oproeping in het kader van een dringend beroep (dient) te sanctioneren.”; dat verzoekster stelt dat zij “haar dringend beroep (heeft) ingeleid op 14 februari 2001", en dat zij “slechts op 14 augustus 2003 (hetzij twee jaar en zes maand nadien) (...) een beslissing van het C.G.V.S. (heeft) XIV-16.592-3/8 gekregen in het kader van haar beroep.”; dat verzoekster besluit dat de bestreden beslissing bijgevolg is aangetast door een gebrek; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat de termijnen die in artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet aan het Commissariaat-generaal worden opgelegd, termijnen van orde zijn; dat de verwerende partij aanvoert dat de niet-naleving van deze termijnen niet leidt tot de nietigheid van de bevestigende beslissing van weigering van verblijf; dat de verwerende partij stelt dat de termijn die is verlopen sinds de beslissing tot weigering van verblijf van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 25 januari 2001, niet onredelijk lang is; dat de verwerende partij tenslotte uiteenzet dat verzoekster niet aantoont op welke wijze de duur van de procedure haar enig nadeel heeft berokkend; Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord verwijst naar het initieel verzoekschrift; Overwegende dat de periode tussen het instellen van het dringend beroep en de beslissing van de Commissaris-generaal twee jaar en zes maand bedraagt; dat de Commissaris-generaal elke asielaanvraag afzonderlijk dient te behandelen; dat, gelet op de zeer grote toevloed aan asielzoekers in deze periode, er geen onredelijke termijn is verstreken tussen de datum van het indienen van het beroep en de uiteindelijke beslissing; dat tijdens de duur van het onderzoek in dringend beroep alle verwijderingsmaatregelen ten aanzien van de kandidaat-vluchteling worden geschorst, zodat verzoekster gedurende die periode op legale wijze in het Rijk kon verblijven en zij tevens in de mogelijkheid werd gesteld om aanvullende stukken ter staving van haar asielrelaas te verzamelen, zodat de verstreken termijn verzoekster niet heeft benadeeld; dat verzoekster reeds van bij het indienen van haar asielaanvraag wist dat haar verblijf in het Rijk precair was; dat het verloop van een termijn, voor de behandeling van een dossier betreffende de aanvraag tot het verkrijgen van de status van vluchteling niet tot gevolg heeft dat er enig recht op verblijf ontstaat; dat de termijn voorzien in de Vreemdelingenwet om een beslissing te nemen, voor de Commissaris-generaal bovendien een termijn van orde uitmaakt en geen vervaltermijn; Overwegende dat het eerste middel ongegrond is; 2.2. Overwegende dat verzoekster in een tweede en een derde middel de schending aanvoert van artikel 1, A,

(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 48, 52, §1, 2/ en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; XIV-16.592-4/8 Overwegende dat verzoekster aanvoert dat haar problemen niet kunnen worden herleid tot problemen van private aard, vermits leden van de regering bij haar problemen waren betrokken; dat verzoekster stelt dat de weigering toe te geven aan corruptie, in dergelijke omstandigheden kan worden beschouwd als de uitdrukking van een politiek idee, met name de wijze waarop een persoon meent dat een maatschappij moet functioneren en moet georganiseerd zijn; dat verzoekster stelt dat de Vluchtelingen- conventie niet vereist dat de vervolging moet uitgaan van de nationale overheid van het land van de belanghebbende, maar dat zij ook kan worden toegepast in gevallen van privaat geweld; dat verzoekster betoogt dat het, in tegenstelling tot wat het Commissariaat-generaal in de bestreden beslissing overweegt, niet is vereist dat de weigering van de overheid om tussen te komen is gemotiveerd door verzoeksters ras, godsdienst of nationaliteit, haar behoren tot een bepaalde sociale groep of haar politieke meningen; dat verzoekster stelt dat “het volstaat dat de vervolging zelf (...) gerechtvaardigd wordt door één van de factoren die voorzien worden in de Conventie van Genève.”; dat verzoekster tenslotte uiteenzet dat zij geen beroep kon doen op de bescherming van de overheid van haar land; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat uit de stukken van het administratief dossier, meer bepaald het gehoorverslag van verzoekster op het Commissariaat-generaal, blijkt dat zij op de vraag met wie zij problemen kende, uitsluitend verwees naar de directeur, dat zij ontkende problemen te hebben met de Mongoolse autoriteiten, en dat zij ontkennend antwoordde op de vraag of ze het politie-onderzoek had opgevolgd; dat de verwerende partij stelt dat verzoekster het niet aannemelijk maakt dat ze persoonlijk en doelgericht vervolgd wordt door de autoriteiten, of dat zij niet bij de hogere autoriteiten terecht zou kunnen; dat de verwerende partij aanvoert dat het, hoewel het niet is vereist dat problemen uitgaan van de overheid, echter wel is vereist dat problemen met privé-personen verband houden met één van de criteria van de Vluchtelingenconventie, hetgeen in casu niet het geval is; dat de verwerende partij tenslotte betoogt dat “verzoekster beroep kon doen op de Mongoolse autoriteiten. Indien dit niet zo zou zijn dient nagegaan te worden of de oorzaak daarvan bij één van de criteria van de Conventie van Genève ligt.”; dat de verwerende partij stelt dat dit in casu niet het geval is, en dat geen afbreuk wordt gedaan aan de motivering; Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord verwijst naar het initieel verzoekschrift; Overwegende dat artikel 48 van de Vreemdelingenwet niet dienstig kan worden aangevoerd aangezien dit artikel bepaalt dat de vreemdeling “die voldoet aan de voorwaarden die te dien einde worden gesteld door de internationale overeenkomsten die België binden”, als vluchteling kan worden erkend; dat dit artikel niet toepasselijk is op verzoekster; XIV-16.592-5/8 Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie ertoe strekt de criteria vast te leggen op grond waarvan de verdragsstaten het vluchtelingenstatuut dienen te verlenen; dat de staten die partij zijn bij de Vluchtelingenconventie de verplichting hebben om in hun nationale wetgeving een procedure uit te werken, waarin wordt vastgelegd onder welke voorwaarden een kandidaat-vluchteling het verblijf kan worden geweigerd, en onder welke voorwaarden hij of zij kan worden teruggeleid naar zijn of haar land van herkomst, of kan worden uitgezet; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat de Commissaris-generaal in casu tot dit besluit komt omdat verzoekster geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat zij Mongolië heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Conventie van Genève; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.3. van huidig arrest, de Commissaris-generaal overweegt dat: - de redenen van verzoeksters asielaanvraag van gemeenrechtelijke (strafrechtelijke) aard zijn en als dusdanig niet ressorteren onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie, die bescherming biedt aan personen die een vrees voor vervolging hebben omwille van hun ras, nationaliteit, religie, politieke overtuiging of het behoren tot een sociale groep; - verzoekster haar land heeft verlaten omwille van een vrees voor de directeur van het bedrijf waarvoor zij werkte; dat dit probleem kan worden gekaderd in de persoonlijke sfeer en dat dit niet wijst op een persoonlijke en doelgerichte vervolging door de Mongoolse autoriteiten; dat verzoekster nooit problemen heeft gehad met de Mongoolse autoriteiten, XIV-16.592-6/8 en nooit politiek actief is geweest; dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij geen beroep kan doen op de verdere bescherming van de Mongoolse autoriteiten, om één van de redenen van de Vluchtelingenconventie; dat verzoekster probleemloos klacht kon indienen; dat de directeur is opgeroepen voor ondervraging; dat verzoekster vervolgens werd gevraagd de klacht in te trekken en dat zij verder niets meer van het onderzoek heeft gehoord; dat het niet verder optreden van de overheden kan te wijten zijn aan allerlei oorzaken en dat er geenszins een gebrek aan bescherming van de Mongoolse autoriteiten uit kan worden afgeleid; dat verzoekster verklaarde dat zij kort daarna het land heeft verlaten en dat zij hierdoor de klacht niet meer heeft opgevolgd; - toen de directeur haar kinderen had ontvoerd, verzoekster geen klacht heeft ingediend, waardoor zij zich elke vorm van bescherming en/of hulp vanwege de Mongoolse autoriteiten heeft ontzegd; - verzoekster geen concrete feiten of elementen heeft aangehaald die wijzen op een persoonlijke en doelgerichte vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; Overwegende dat verzoekster geen concreet element aanbrengt ter staving van haar argumenten; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van verzoekster heeft beoordeeld met inachtname van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de Commissaris-generaal in casu de bestreden beslissing heeft genomen omdat verzoekster geen elementen heeft aangehaald waaruit zou blijken dat zij haar land heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat, waar verzoekster de overwegingen van de bestreden beslissing tracht te weerleggen, verzoekster een verklaring post factum geeft, maar dat zij het niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; dat de overwegingen waarop de bestreden beslissing steunt, worden bevestigd door de stukken van het administratief dossier, meer bepaald door het verslag van de verklaringen die verzoekster heeft afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal; dat verzoekster dit verslag heeft ondertekend, en aldus te kennen heeft gegeven dat het overeenstemt met de inlichtingen die zij heeft verstrekt, en dat deze inlichtingen oprecht zijn; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoekster, op de vraag met wie zij problemen kende, enkel heeft verwezen naar de directeur van het bedrijf waar zij als boekhoudster werkte, dat zij ontkende problemen te hebben met de Mongoolse autoriteiten, en dat zij ontkennend antwoordde op de vraag of ze het politie-onderzoek had gevolgd; dat verzoekster het aldus niet aannemelijk maakt dat er in haar hoofde sprake is van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat, waar verzoekster overweegt dat “het volstaat dat de vervolging zelf (...) gerechtvaardigd wordt door één van de factoren die voorzien worden in de Conventie van Genève”, blijkt dat de vervolging door privé-personen enkel onder de toepassing van de Vluchtelingenconventie valt, indien zij is ingegeven door één van criteria, vervat in artikel 1, A,
(2)van de Vluchtelingenconventie, en indien de overheid niet bij machte is een afdoende bescherming te bieden; dat uit de stukken van het XIV-16.592-7/8 administratief dossier blijkt dat aan geen van beide voorwaarden is voldaan: dat de problemen van verzoekster van gemeenrechtelijke aard zijn, en dat verzoekster het niet aannemelijk maakt dat zij geen beroep kon doen op de bescherming van de Mongoolse autoriteiten; dat verzoekster een klacht heeft ingediend bij de politie, en dat de directeur werd verhoord; dat verzoekster, ingevolge haar vertrek naar België, de verdere afhandeling van de klacht evenwel niet heeft afgewacht; dat verzoekster zich beperkt tot algemeenheden en beweringen, doch nalaat deze de staven met een begin van bewijs; dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van zijn beslissing rekening hield met alle concrete en relevante gegevens van de zaak; dat verzoekster haar grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens en derhalve niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; Overwegende dat het tweede en het derde middel ongegrond zijn; BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier april tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-16.592-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.337 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.