id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.339 Rolnummer: A. 171687/XIV-25179 Zaak: Arrest 157339 - - 04/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-09-20 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 16:50 Fiche Arrest nr 157.339 van 4 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 157.339 van 4 april 2006 in de zaak A. 171.687/XIV-25.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. TACK, kantoor houdende te 9000 GENT, Onderbergen 57 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 12 mei 1985 en van Russische nationaliteit, op 3 april 2006 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 30 maart 2006 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 30 maart 2006; Gelet op de beschikking van 4 april 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 4 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op dinsdag 4 april 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; XIV-25.179-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. TACK, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, de verzoekende partij aanvoert dat de uitvoering van de verwijderingsmaatregel van de Dienst Vreemdelingenzaken die impliceert dat ze op 5 april 2006 zonder man en kind het land wordt uitgezet, tot een ongeoorloofde en onverantwoorde uiteenrukking van het gezin leidt; dat hierdoor zeer ernstige en onherstelbare morele schade wordt aangedaan aan elk van de gezinsleden; dat ze bovendien geen enkele garantie op een onmiddellijke en menswaardige opvang in Polen heeft aangezien ze er geen vrienden of familie heeft; dat de enige “opvang” die haar in Polen te wachten staat, zoals dit reeds in januari 2006 het geval was, de gevangenneming in een Poolse gevangenis is, in afwachting van de eventuele opname in een sociaal opvanghuis; dat het bovendien niet medisch verantwoord is dat door de uitvoering van de verwijderingsmaatregel ze van haar amper twaalf maanden oude baby wordt gescheiden; dat de baby nog steeds borstvoeding- afhankelijk is en sinds de vasthouding van de verzoekende partij op 30 maart 2006 vrijwel elke inname van voedsel weigert en dat het kind, dat intussen ernstige ziekteverschijnselen begint te vertonen, dan ook zeer ernstige lichamelijke schade dreigt op te lopen indien de verzoekende partij eerstdaags alleen op het vliegtuig richting Polen zou worden gezet; Overwegende dat de verzoekende partij bij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zal worden teruggeleid naar Polen en dat haar asielaanvraag daar verder zal worden behandeld; dat dit echter een gevolg is van het feit dat de verzoekende partij oorspronkelijk zelf haar (eerste) asielaanvraag in Polen heeft ingediend; dat de stelling dat de verzoekende partij bij een eventuele terugkeer naar Polen geen enkele garantie op een onmiddellijke en menswaardige opvang heeft, aangezien ze er geen vrienden of familie heeft, niet kan worden beschouwd als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in haren XIV-25.179-2/4 hoofde daar ze in casu niet aanvoert dat dit beweerde in België wel het geval zou zijn; dat haar bewering dat de enige “opvang” die haar in Polen te wachten staat, zoals dit reeds in januari 2006 het geval was, de gevangenneming in een Poolse gevangenis is, in afwachting van de eventuele opname in een sociaal opvanghuis, louter hypothetisch is en door geen enkel concreet element wordt gestaafd; dat Polen een volwaardig lid van de Europese Unie is en door dezelfde internationale verdragen als België is gebonden, zodat er geen enkele reden bestaat om aan te nemen dat de verzoekende partij voor de behandeling van haar asielaanvraag minder waarborgen in Polen dan in België zou genieten; Overwegende dat de schorsingsprocedure gericht is op de bescherming van de rechtsonderhorige die, bij ontstentenis van een schorsingsmogelijkheid, lijdzaam de gevolgen van de uitvoering van een bestuursbeslissing zou moeten ondergaan en dat zij evenwel niet is bedoeld om nadelen te verijdelen die de betrokkene zelf gemakkelijk zou kunnen ongedaan maken; Overwegende dat uit haar verzoekschrift en de bijgevoegde stukken blijkt dat er ten aanzien van haar echtgenoot eveneens op dezelfde datum een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten werd genomen; dat de verzoekende partij zich samen met haar kind bij de Dienst Vreemdelingenzaken diende aan te melden; dat ze samen met haar gezin het voorwerp uitmaakte van een terugnameakkoord met Polen; dat de echtgenoot van de verzoekende partij verkoos om zich samen met de twaalf maanden oude baby niet aan te melden; dat bijgevolg het door haar voorgehouden nadeel, met name dat ze op 5 april 2006 zonder man en kind het land wordt uitgezet, dat het niet medisch verantwoord is dat ze van haar amper twaalf maanden oude baby wordt gescheiden, dat de baby nog steeds borstvoeding-afhankelijk is en sinds haar vasthouding op 30 maart 2006 vrijwel elke inname van voedsel weigert en dat het kind, dat intussen ernstige ziekteverschijnselen begint te vertonen, dan ook zeer ernstige lichamelijke schade dreigt op te lopen, aan haar eigen handelen en dat van haar echtgenoot is te wijten en niet aan de tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing; dat derhalve niet is voldaan aan de derde schorsingsvoorwaarde; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, XIV-25.179-3/4 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier april tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-25.179-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.339 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.