id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.351 Rolnummer: A. 76560/XII-762 Zaak: Arrest 157351 - - 06/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-20 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 16:51 Fiche Arrest nr 157.351 van 6 april 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.351 van 6 april 2006 in de zaak A. 76.560/XII-
- In zake : de GEMEENTE OOSTROZEBEKE, die woonplaats kiest bij advocaten A. Gits en D. Van Heuven, kantoor houdende te Kortrijk, President Kennedypark 8 b tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente Oostrozebeke op 1 december 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 8 oktober 1997 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting tot vernietiging van de beslissing van 17 juli 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij het bevelschrift van het college van burgemeester en schepenen van Oostrozebeke tot betaling van factuur 96/098 aan NV Robert Deloof, uitvoerbaar wordt verklaard; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikking van 25 april 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; XII-762-1/12 Gelet op de beschikking van 14 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Van Heuven, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De feiten
- Overwegende dat BVBA Robert Deloof uit Meulebeke op 9 november 1994 ten laste van de gemeente Oostrozebeke een factuur 94/073 opstelt, ten bedrage van 683.254 frank, voor “[w]erken uitgevoerd in de Halewijnstraat, Vlissingstraat, Dalakkerstraat en zijstraat Vaartstraat”; dat namens de gemeente op 10 november 1994 wordt geantwoord dat zij van de betreffende bestellingen “geen enkele kennis” heeft en dat aan de factuur geen gevolg kan worden gegeven “[t]enzij U kunt bewijzen dat de bestellingen geplaatst werden door het College van Burgemeester en Schepenen”; dat dit standpunt wordt herhaald op 5 en 22 december 1994; Overwegende dat de werken blijkbaar besteld zijn geworden, buiten het college om, door de schepen van Openbare Werken; dat de gemeente op 14 juni 1996 aan de gouverneur van West-Vlaanderen vraagt “of deze werken als een dading kunnen beschouwd worden, of is de wetgeving inzake de overheids- opdrachten hier van toepassing”; dat de gouverneur in een brief van 28 juni 1996 antwoordt wat volgt : “Uit de mij voorgelegde documenten blijkt : - dat werken zouden uitgevoerd zijn aan gemeentelijke wegenis voor een bedrag van 396.390 fr. (excl. btw); - dat de wetgeving op de overheidsopdrachten daarbij niet werd gerespecteerd, meer bepaald art. 49 van het KB 22/4/1977 aangezien blijkbaar documenten ontbreken op basis waarvan de onderhandse XII-762-2/12 opdracht werd gegund (§1) en wegens het ontbreken van mededinging (§2); - dat de nieuwe gemeentewet evenmin werd gerespecteerd, meer bepaald de artikelen 234 en 236, aangezien beslissingen van de gemeenteraad en het college van burgemeester en schepenen ontbreken. Vooraf wens ik te wijzen op de persoonlijke verantwoordelijkheid van diegene die deze opdracht, zonder dat daartoe de nodige beslissingen waren genomen, heeft besteld. Mogelijks kan de aannemer aantonen dat hij de opdracht gekregen heeft van een persoon waarvan hij -gelet op zijn hoedanigheid- kon aannemen dat deze namens de gemeente handelde, zodat een geding tegen de gemeente niet uitgesloten is. In de mate dat het bereikte akkoord met de aannemer de vorm aanneemt van een contract om dergelijk toekomstig geschil te voorkomen (art. 2044 B.W.) is er sprake van een dading. Deze (geschreven) dading dient ter goedkeuring aan de gemeenteraad voorgelegd”; Overwegende dat op 7 augustus 1996 NV Robert Deloof instemt met een ontwerp van dading, volgens dewelke “ten definitieven beslechting van de tussen partijen gerezen geschil omtrent de factuur 94/073 dd. 09 november 1994 ten bedrage van 683.254 frank” wordt overeengekomen dat het bedrag van de uitgevoerde werken wordt bepaald op 479.632 frank, dat binnen de tien kalenderdagen na ondertekening van de dading een factuur voor laatstgenoemd bedrag wordt opgemaakt, dat de gemeente het verschuldigde bedrag binnen de vier maanden na ontvangst van de factuur zal betalen en dat iedere dag vertraging recht geeft op een intrest van 105 frank; dat op 12 september 1996 ook de gemeenteraad beslist de dading te aanvaarden; dat de dading op 18 september 1996 ondertekend wordt; dat NV Robert Deloof ten laste van de gemeente op 24 september 1996 factuur 96/098 opstelt voor “Uitgevoerde wegeniswerken - dading dd. 18/09/96”; Overwegende dat de gewestelijke ontvanger de factuur met een brief van 29 november 1996 aan het schepencollege terugstuurt omdat met betrekking tot de werken noch de wetgeving op de overheidsopdrachten, noch de nieuwe gemeentewet werden nageleefd; dat, na het advies van het Vlaamse Gewest te hebben ingewonnen, het college van burgemeester en schepenen op 12 februari 1997 beslist de factuur 96/098 betaalbaar te stellen; dat de gewestelijke ontvanger met een schrijven van 25 februari 1997 meedeelt dat hij de factuur niet kan vereffenen; dat, na contactname met de provincie, het schepencollege op 19 maart 1997 het betalingsbevel voor de factuur goedkeurt; dat de gewestelijke ontvanger het mandaat terugstuurt onder verwijzing naar de redenen in zijn brief van 29 november 1996; XII-762-3/12 Overwegende dat het college met een brief van 4 april 1997 op grond van artikel 136, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet aan de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen vraagt het mandaat uitvoerbaar te verklaren; dat de bestendige deputatie op 17 juli 1997 aan het verzoek gevolg geeft en het bevelschrift van 19 maart 1997 goedkeurt; dat zij motiveert : “Overwegende dat uit de stukken van het dossier is gebleken, enerzijds dat de aannemer opdracht heeft gekregen van een persoon waarvan hij -gelet op zijn hoedanigheid- kon aannemen dat deze namens de gemeente handelde, zodat in deze omstandigheid een geding tegen de gemeente niet uitgesloten was, en anderzijds dat de werken effectief werden uitgevoerd én als zodanig erkend werden door de gemeente; Overwegende dat de gemeenteraad, om toekomstige geschillen daaromtrent te vermijden, met de aannemer een dading heeft afgesloten op 18 september 1996 voor een bedrag van 396.390 fr., exclusief BTW, nadat daartoe een gemeenteraadsbeslissing werd genomen op 12 september 1996; Overwegende dat de uitvoerbaarheid van de beslissing dd. 12 september 1996 van de gemeenteraad niet werd ontnomen via een maatregel van algemeen toezicht en dat de desbetreffende kredieten op de begroting 1996 werden goedgekeurd; Overwegende dat gelet op wat voorafgaat, het bevelschrift tot betaling van het bedrag van de dading regelmatig is”; Overwegende dat de gewestelijke ontvanger tegen het besluit van de bestendige deputatie met een brief van 18 augustus 1997 het beroep instelt, bedoeld in artikel 20, § 2, van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten; dat hij onder meer argumenteert dat de bestendige deputatie niet het recht of de bevoegdheid heeft om bevelschriften uitvoerbaar te verklaren die niet regelmatig zijn, dat de bestendige deputatie aanvaardt dat om het even welke wetgeving kan omzeild worden door het treffen van een dubieuze dading en dat hierdoor in voorkomend geval de taak en verantwoordelijkheid van de ontvanger “volkomen worden uitgehold”; dat de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting het beroep op 8 juli 1997 inwilligt; dat hij in essentie stelt : “Overwegende dat, ten gronde, er geen sprake is van een rechtsgeldige verbintenis tussen de B.V.B.A. Deloof en de gemeente Oostrozebeke; dat er dus ook geen dading kan worden overeengekomen; Overwegende dat het provinciaal college, bij toepassing van artikel 136, 2de lid van de Nieuwe Gemeentewet, de bevoegdheid heeft regelmatige bevelschriften uitvoerbaar te verklaren als de ontvanger weigert tot betaling over te gaan; Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat het betalingsbevel door onregelmatigheid en onwettelijkheid is aangetast, door het ontbreken van een verbintenis, het misachten van de wetgeving op de overheidsopdrachten en de artikelen 234 en 236 van de Nieuwe Gemeentewet; XII-762-4/12 Overwegende dat het artikel 136, 2de lid het provinciaal college niet toelaat onregelmatige bevelschriften te regulariseren; dat met een dergelijke werkwijze de bevoegdheid van de ontvanger wordt ondermijnd en het toezicht wordt uitgehold; Overwegende dat uit het voorgaande duidelijk blijkt dat het hier om een betalingsbevel gaat om uitgaven te financieren die in strijd zijn met de wet op de overheidsopdrachten en derhalve niet regelmatig was, Overwegende dat de bestendige deputatie op 17 juli 1997 een betalingsmandaat uitvoerbaar verklaard heeft dat manifest niet regelmatig was”; De ontvankelijkheid
- Overwegende dat het beroep volgens de verwerende partij onontvankelijk is omdat geen beslissing van het college van burgemeester en schepenen tot het instellen van een procedure bij de Raad van State wordt voorgelegd; Overwegende dat de exceptie feitelijke grond mist; dat het college op 12 november 1997 heeft beslist “de heren Arnold Gits en Dirk Van Heuven [...] aan te stellen als advocaten om namens het gemeentebestuur op te treden in de procedure bij de raad van state om vernietiging te bekomen van bovenvermeld ministerieel besluit”; dat zodoende het college op niet mis te verstane wijze besloten heeft, eensdeels, om tegen het besluit van 8 oktober 1997 van de Vlaamse minister een procedure tot vernietiging bij de Raad van State aan te spannen en, anderdeels, om advocaten Gits en Van Heuven daarin voor de gemeente te doen optreden; dat er geen wettelijke noodzaak toe bestaat om de twee beslissingen in afzonderlijke akten op te nemen; De grond van de zaak
- Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2044 tot en met 2058 van het BurgerlijkWetboek; dat zij toelicht dat artikelen 2044 en volgende het recht geven om een geschil te beëindigen met een dading, dat geen enkele wettelijke bepaling belet “dat het rechtens bevoegde orgaan de destijds onregelmatig geplaatste bestelling achteraf bevestigt en middels een nieuwe, onderscheiden beslissing, nl. een dading met de aannemer overeenkomt tot betaling, dit alles ten node buiten het toepassingsgebied van de wet op de overheidsopdrachten, aangezien de werken reeds zijn uitgevoerd”, en dat de gebeurlijke onregelmatigheid van de vergunningsprocedure niet de rechtsgeldigheid van de dading aantast; XII-762-5/12 Overwegende dat luidens een derde middel artikel 136, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet geschonden is; dat wordt betoogd dat het bevelschrift tot betaling wel degelijk regelmatig is en dat minstens de argumentatie van verwerende partij dat zulks niet het geval zou zijn, niet overtuigt; dat verzoekster onder meer benadrukt dat zij met NV Robert Deloof rechtsgeldig een dading mocht sluiten om een toekomstig geschil te vermijden en dat de beslissing van 12 september 1996 tot het tekenen van een dading niet onuitvoerbaar werd gemaakt via een maatregel van administratief toezicht, zodat zij ondertussen definitief is; Overwegende dat verzoekster in een zesde middel onder andere de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het algemeen beginsel tot formele en materiële motivering van bestuurshandelingen doet gelden; dat verzoekster betwist dat door de handelwijze van de bestendige deputatie de bevoegdheid van de ontvanger wordt ondermijnd en het toezicht wordt uitgehold; dat zij argumenteert dat tenminste niet afdoende is gemotiveerd dat het bevelschrift tot betaling onwettig of onregelmatig is, dat de ontvanger gebruik kan maken, en te dezen heeft gemaakt, van de beroepsmogelijkheid van artikel 20, § 2, van het decreet van 28 april 1993, en dat dit decreet uitdrukkelijk in toezichtsmogelijkheden voorziet zowel met betrekking tot de gemeenteraadsbeslissing om een dading te sluiten als met betrekking tot de beslissing van de bestendige deputatie tot betaalbaarstelling van uitgaven, welke toezichtsmogelijkheden te dezen volledig gerespecteerd werden;
- Overwegende dat verwerende partij op het tweede middel antwoordt dat het onontvankelijk is omdat de Raad van State niet bevoegd is de interne rechtsgeldigheid van de dading te toetsen en dus niet bevoegd is om een schending te beoordelen van de artikelen 2044 B.W. en volgende, dat het argument dat een onregelmatige overheidsopdracht door middel van een dading geregulariseerd kan worden geen uitstaans heeft met de door het middel geschonden genoemde bepalingen, dat verzoekster weliswaar stelt dat geen enkele wettelijke bepaling zo’n regularisatie zou beletten, dat evenwel -omgekeerd- vastgesteld moet worden dat geen enkele wettelijke bepaling aan de gemeenteraad de bevoegdheid verleent om onwettige handelingen te regulariseren door middel van een overeenkomst, en dat geen rechtsregel is geschonden door niet in te stemmen met een betaling zonder rechtsgeldige verbintenis; XII-762-6/12 Overwegende dat in verband met het derde middel wordt tegengeworpen dat de bestendige deputatie een onregelmatig bevelschrift heeft uitvoerbaar verklaard, dat de gemeenteraad een onwettige overheidsopdracht niet mocht regulariseren door middel van een dading, dat het besluit van de gemeenteraad tot het aangaan van een dading geenszins definitief was ten opzichte van de verwerende partij, dat zij er slechts kennis van kreeg naar aanleiding van het beroep op grond van artikel 20, § 2, van het decreet van 28 april 1993; Overwegende dat verwerende partij aangaande het zesde middel reageert dat verzoekster de bestreden beslissing verkeerd leest, dat erin wordt gesteld dat de bevoegdheid van de ontvanger ondermijnd en uitgehold wordt indien aanvaard zou worden dat door middel van dadingen onwettigheden kunnen worden geregulariseerd en dat het “vrij duidelijk” is dat elke controle op de wettigheid en regelmatigheid van handelingen zinledig wordt indien die omzeild kan worden door het aangaan van dadingen;
- Overwegende dat, in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie, verzoekster nog onder meer uiteenzet dat zij niet kan instemmen met de stelling dat een in het kader van de overheidsopdrachtenwetgeving begane onregelmatigheid nimmer kan worden rechtgezet, zelfs niet indien het duidelijk is dat de overheid de begunstigde is van de uitgevoerde werken, dat die stelling het een overheid onmogelijk maakt om een dading te sluiten en zodoende abstractie maakt van de dading als autonome rechtstitel, dat hierdoor een grove discriminatie wordt geschapen ten opzichte van personen en rechtspersonen die wél kunnen overgaan tot het sluiten van een dading na een vastgestelde onregelmatigheid, en dat er alleszins in de bestreden beslissing geen enkele motivering kan worden aangetroffen die verantwoordt dat een miskenning van de overheidsopdrachtenwet definitief uitsluit dat er een regeling wordt getroffen tussen de gemeente en de aannemer van de werken, met navolgende betaling;
- Overwegende dat er, getuige bladzijde 2 van het verzoekschrift, blijkbaar geen betwisting (meer) over bestaat dat met de oorspronkelijke factuur nr. 94/073 van -toen nog- BVBA Robert Deloof werken in rekening werden gebracht waartoe was beslist door een schepen “die niet alleen zijn bevoegdheid daarmee te buiten ging, maar bovendien de reglementering aangaande overheidsopdrachten miskende”; dat het evenwel niet van die factuur is dat de bestreden beslissing de betaling weigert, maar van de factuur nr. 96/098; dat deze laatste factuur wezenlijk XII-762-7/12 steunt op de overeenkomst tot dading, die de gemeenteraad op 12 september 1996 besloot te aanvaarden; Overwegende dat met de beslissing om de dading te aanvaarden, de gemeenteraad juist tot doel had een einde te stellen aan het “gerezen geschil omtrent de factuur 94/073” en alzo te vermijden dat het tot een proces kwam, waarvan hij de afloop onzeker achtte; dat, naar blijkt uit stuk 25 van verzoekster, de beslissing werd opgenomen onder punt 6 van de “lijst met een beknopte omschrijving van de in de gemeenteraad van 12 september 1996 behandelde punten” die de gemeente op 18 september 1996, met toepassing van artikel 28 van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten, aan de gouverneur heeft verstuurd; dat de toezichthoudende overheid binnen de -in het artikel 31 van genoemd decreet bedoelde- termijn voor schorsing of vernietiging niet het dossier betreffende het besluit heeft opgevraagd of bijkomende inlichtingen heeft ingewonnen, noch tegen de gemeenteraadsbeslissing is opgetreden;
- Overwegende dat luidens artikel 2044, eerste lid, B.W. de dading “een contract [is], waarbij partijen een gerezen geschil beëindigen, of een toekomstig geschil voorkomen”; dat geen rechtsregel de gemeenten a priori de mogelijkheid om een dergelijk contract te sluiten ontzegt; dat evenmin blijkt, noch overigens beweerd wordt, dat de gemeenteraadsbeslissing van 12 september 1996 zo grof onwettig is dat zij voor onbestaande moet worden gehouden;
- Overwegende dat hieruit in de concrete omstandigheden van de zaak volgt dat de aangevochten beslissing tot weigering van de uitvoerbaar- verklaring van verzoeksters bevel tot betaling van factuur nr. 96/098 slechts geacht kan worden op goede grond te zijn genomen in zoverre de verwerende partij aannemelijk maakt dat zij terecht aan de gemeenteraadsbeslissing tot het aanvaarden van de dading mocht voorbijgaan; dat, gelet op de formele-motiveringsverplichting, de redenen daarvoor in de beslissing zelf dienden te worden verwoord; dat de Raad van State zijn onderzoek dan ook tot deze formeel geëxpliciteerde redenen beperkt; dat eventuele andere redenen, die niet verondersteld kunnen worden aan het ministerieel besluit ten grondslag te liggen, niet ter zake doen; XII-762-8/12
- Overwegende dat het aangevochten besluit op twee redenen steunt; dat volgens een eerste motief een rechtsgeldige verbintenis tussen de gemeente en de NV Robert Deloof ontbreekt omdat de wetgeving op de overheidsopdrachten en de artikelen 234 en 236 van de nieuwe gemeentewet miskend zijn; dat in de tweede plaats gemotiveerd wordt dat de regularisatie van onwettige of onregelmatige bevelschriften de bevoegdheid en het toezicht van de ontvanger ondermijnt en uitholt;
- Overwegende dat het sluiten van een dading geen voorafgaande “rechtsgeldige verbintenis” vergt; dat het volstaat dat er een geschil is en dat partijen tegenstrijdige meningen of aanspraken over de draagwijdte van hun respectieve rechten hebben; dat het feit dat één van de partijen, objectief juridisch bekeken, ongelijk heeft, geen beletsel voor een dading vormt; dat dit kan worden afgeleid uit artikel 2051, tweede lid, B.W., volgens hetwelk men niet tegen dadingen kan opkomen uit hoofde van dwaling omtrent het recht; Overwegende dat te dezen het geschil tussen de gemeente en NV Robert Deloof de betaling van een factuur 94/073 betrof, voor werken aan de wegenis van de gemeente Oostrozebeke; dat de enkele omstandigheid dat NV Robert Deloof niet op een “rechtsgeldige verbintenis” kan steunen om van de gemeente de betaling van die factuur te vragen, niet de realiteit van het geschil tegenspreekt en een dading er over onmogelijk maakt; dat het voor de mogelijkheid van de dading door de gemeente niet noodzakelijk is dat objectief zou vaststaan dat zij juridisch geen gelijk heeft om de betaling te weigeren; dat een subjectieve onzekerheid, de psychologische twijfel omtrent de uitkomst van een eventueel proces, genoeg is; Overwegende dat die onzekerheid volgens de bestendige deputatie gewettigd was; dat zij, in haar besluit van 17 juli 1997, in dat verband overwoog dat “uit de stukken van het dossier is gebleken, enerzijds dat de aannemer opdracht heeft gekregen van een persoon waarvan hij - gelet op zijn hoedanigheid - kon aannemen dat deze namens de gemeente handelde, zodat in deze omstandigheid een geding tegen de gemeente niet uitgesloten was, en anderzijds dat de werken effectief werden uitgevoerd én als zodanig erkend werden door de gemeente”; dat de bestreden beslissing niet aantoont en zelfs niet beweert dat die beoordeling foutief is; XII-762-9/12 Overwegende dat het eerste motief, volgens hetwelk er bij ontstentenis van een “rechtsgeldige verbintenis” tussen de gemeente en de vennootschap “dus ook geen dading kan worden overeengekomen”, niet verantwoordt dat de gemeenteraadsbeslissing van 12 september 1996 onwettig is en, derhalve, dat het op die beslissing en op de dading gesteunde bevelschrift tot betaling door onregelmatigheid is aangetast;
- Overwegende dat, letterlijk genomen, de verwerende partij in het tweede motief alleen doet gelden dat de bestendige deputatie, door op grond van artikel 136, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet, een onregelmatig bevelschrift uitvoerbaar te verklaren, de bevoegdheid van de ontvanger ondergraaft; Overwegende dat, waar de verwerende partij ervan uitgaat dat het bevelschrift van het schepencollege onregelmatig is, zij de juistheid hiervan moet bewijzen; dat zij zulks niet doet, noch in het eerste motief, noch in de besproken lezing van het tweede motief; dat, voorts, artikel 20, § 2, van het meer vermelde decreet van 28 april 1993 ten behoeve van de ontvanger uitdrukkelijk in de mogelijkheid voorziet om tegen de beslissing waarmee de bestendige deputatie bij weigering van betaling door de ontvanger het bevelschrift van het schepencollege uitvoerbaar verklaart, beroep in te stellen bij de Vlaamse regering; dat daardoor de ontvanger over een probaat en voldoende middel beschikt om de eventuele aantastingen van zijn bevoegdheid door de bestendige deputatie tegen te gaan en ongedaan te maken; dat bijgevolg ook het tweede motief van het bestreden besluit niet kan worden aanvaard;
- Overwegende dat dit nóg zo is ingeval verwerende partij, zoals zij in de memorie van antwoord beweert, met het tweede motief in wezen bedoeld zou hebben “dat de bevoegdheid van de ontvanger ondermijnd en uitgehold wordt indien aanvaard zou worden dat door middel van dadingen onwettigheden kunnen worden geregulariseerd”; Overwegende dat immers, zoals reeds gezien, het de gemeenten niet principieel is ontzegd een dading aan te gaan met het oog op de beëindiging van een gerezen geschil of het voorkomen van een toekomstig geschil; dat dan ook, wanneer de gemeente rechtmatig tot een dading heeft beslist, de ontvanger die beslissing te aanvaarden heeft; dat in zoverre verwerende partij van mening is dat de gemeenteraadsbeslissing van 12 september 1996 niét rechtmatig is en op XII-762-10/12 wederrechtelijke wijze op de bevoegdheid en het toezicht van de ontvanger ingrijpt, zij die onrechtmatigheid of wederrechtelijkheid aannemelijk moest maken; dat zij dat op geen enkel moment heeft gedaan, niet in het kader van de uitoefening van het algemeen administratief toezicht en, getuige de bespreking van het eerste vernietigingsmotief, evenmin in de bestreden beslissing; dat dus hoe dan ook, zelfs begrepen in de zin die verwerende partij in de memorie van antwoord voorstaat, het tweede motief niet vermag te verantwoorden dat de uitvoerbaarheid wordt geweigerd van het op de gemeenteraadsbeslissing van 12 september 1996 en op de dading gesteunde bevelschrift tot betaling;
- Overwegende, samenvattend, dat verzoekster terecht betwist dat de vernietiging, door de verwerende partij, van de uitvoerbaarheid van haar bevelschrift tot betaling van factuur 96/098 van NV Robert Deloof genoegzaam verantwoord is; dat door die vaststelling met betrekking tot de wijze waarop verwerende partij op verzoekster haar toezicht inzake de boekhouding en gemeentekas heeft uitgeoefend, de Raad van State geen uitspraak doet over de rechten die verzoekster jegens NV Robert Deloof al dan niet zou bezitten op grond van de tussen hen op 18 september 1996 gesloten dading, of over “de interne rechtsgeldigheid van de dading tussen de contractpartijen”; Overwegende dat het tweede, derde en zesde middel in de besproken mate ontvankelijk en gegrond zijn, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 8 oktober 1997 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting tot vernietiging van de beslissing van 17 juli 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij het bevelschrift van het college van burgemeester en schepenen van Oostrozebeke tot betaling van factuur 96/098 aan NV Robert Deloof uitvoerbaar wordt verklaard. XII-762-11/12 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes april 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-762-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.351 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.