id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.355 Rolnummer: A. 63585/XII-536 Zaak: Arrest 157355 - - 06/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-20 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 16:52 Fiche Arrest nr 157.355 van 6 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.355 van 6 april 2006 in de zaak A. 63.585/XII-536. In zake : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij advocaat D. D’Hooghe, kantoor houdende te Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het Vlaamse Gewest op 8 mei 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de omzendbrief van 8 september 1994 van de minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken met betrekking tot de doorverkoop van gepantserde politievoertuigen; Gelet op het arrest nr. 54.495 van 12 juli 1995 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur F. De Buel; Gelet op de beschikking van 30 oktober 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; XII-536-1/6 Gelet op de beschikking van 25 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. De Clercq, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor verzoekster, en van advocaat L. Schellekens, die loco advocaat D. D’Hooghe verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken op 8 september 1994 een omzendbrief richt tot de burgemeesters, met betrekking tot de doorverkoop van gepantserde politievoertuigen; dat de omzendbrief luidt : “Sommige gemeenten worden geconfronteerd met de doorverkoop van de gepantserde politievoertuigen van hun politiekorps. Bij de verkoop van dergelijke voertuigen moeten twee gevallen worden onderscheiden. 1. Indien dit voertuig, zelfs gedeeltelijk, werd aangekocht met subsidies van het Ministerie van Binnenlandse zaken, wens ik, vooraleer toestemming te verlenen tot doorverkoop van het gepantserde politievoertuig:
- a)De motieven te kennen voor verkoop van het voertuig.
- b)In het bezit te zijn van het gemeenteraadsbesluit waarin tot de doorverkoop werd beslist. Hoe dan ook moet deze beslissing mij ter goedkeuring worden voorgelegd en zal het gepantserd voertuig achteraf slechts kunnen verkocht worden op voorwaarde dat de pantseringen verwijderd werden. Wanneer het gaat om de verkoop van een gepantserd voertuig door de verzekering waarvan de expert bedoeld voertuig heeft gedeklasseerd, moet de verzekering in de deklasseringsprijs de kosten voorzien voor verwijdering en vernietiging van de pantseringen. De verzekering mag inderdaad nooit een gepantserd wrak verkopen. 2. Indien mijn departement geen subsidie heeft toegekend voor dit gepant- serd voertuig, is mijn goedkeuring niet noodzakelijk. Ik wens evenwel uw aandacht te vestigen op het feit dat een eventuele koper van het voertuig, behalve indien de pantsering verwijderd werd, overeenkomstig artikel 81 punt 5 van het koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, de vergunning moet vragen van de Minister van Verkeerswezen om bedoeld voertuig in het verkeer te brengen.” XII-536-2/6 Overwegende, met betrekking tot de ontvankelijkheid ratione materiae, dat verzoekster uiteenzet dat de federale overheid in een verordenende omzendbrief voorziet aangaande een materie waarvoor integendeel zijzelf bevoegd is, dat de omzendbrief de nieuwe en algemene regel instelt dat een gemeentebestuur dat een gepantserd voertuig heeft gekocht met zelfs maar een gedeeltelijke subsidie van het federale ministerie van Binnenlandse Zaken, aan een bijzondere regel van bestuurlijk toezicht wordt onderworpen, wil zij dit voertuig verkopen, en dat de gebruikte terminologie uitwijst dat de omzendbrief imperatief is; Overwegende dat de verwerende partij daar in de memorie van antwoord tegen inbrengt dat de omzendbrief geen uitvoerbare overheidsbeslissing is, maar een interpretatieve of indicatieve omzendbrief betreft die rechtstreeks steun vindt in een normatieve bepaling, namelijk artikel 6 van het koninklijk besluit van 5 juli 1994 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de gemeenten bepaalde financiële hulp van de Staat kunnen krijgen op het vlak van de veiligheid; dat zij oppert dat verzoekster klaarblijkelijk niet het bestaan kende van dit koninklijk besluit, genomen “onder meer in toepassing van artikel 69 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, dat het zogenaamde ‘veiligheidscontract’ heeft geregeld”; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord repliceert dat haar “onmogelijk” artikel 6 van het koninklijk besluit van 5 juli 1994 kan worden tegengeworpen, omdat die bepaling “volstrekt onwettig en onrecht- matig” is om precies dezelfde redenen als de betwiste omzendbrief; dat verzoekster meent dat “in rechte onmogelijkerwijze geponeerd [kan] worden dat de betwiste circulaire niets aan de rechtsorde toevoegt, alwaar in toepassing van art. 159 Grondwet het door verwerende partij ter hulp geroepen K.B. niet als terecht tot de rechtsorde behorende mag aanzien worden en niet mag toegepast worden”, dat geen bepaling enige vorm van federaal toezicht krachtens een koninklijk besluit vermag te gronden, dat het aanvaarden van de exceptie zou impliceren dat dit koninklijk besluit als wettig wordt aangezien, dat weliswaar verzoekster niet tijdig de annulatie van het koninklijk besluit van 5 juli 1994 heeft gevorderd, maar een annulatie van de omzendbrief, “waarbij duidelijk is dat het K.B. in rechte niet toepasbaar is”, er normaal toch toe zou moeten leiden dat het koninklijk besluit wordt afgeschaft; XII-536-3/6 Overwegende dat ook in de laatste memorie verzoekster blijft betogen dat het koninklijk besluit van 5 juli 1994 als niet bestaande moet worden beschouwd en “niet mede mag verdisconteerd worden bij de juridische toetsing”, zodat de omzendbrief “uiteraard” geen toepassing van enige bestaande regel maakt, en dus “per definitie” verordenend is; dat verzoekster overigens van mening is dat de omzendbrief hoe dan ook niet strikt interpretatief is, aangezien hij bijkomende verplichtingen oplegt ter uitvoering van de principiële verplichting in het koninklijk besluit; dat haars inziens die verdere uitvoeringsbepalingen verordenend zijn, zoals geldt voor de verplichting om de motieven voor de verkoop te expliciteren; Overwegende dat het artikel 6 van het koninklijk besluit van 5 juli 1994 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de gemeenten bepaalde financiële hulp van de Staat kunnen krijgen op het vlak van de veiligheid, voorschrijft: “De verkrijgende gemeenten kunnen het materieel en de uitrusting waarvoor de financiële tegemoetkoming werd verleend in toepassing van artikel 3, eerste lid, of die hen ter beschikking gesteld werd in toepassing van artikel 3, derde lid, slechts vervreemden of verhuren na een door de Minister van Binnenlandse Zaken voorafgaandelijk verleende machtiging. Dat materieel en die uitrusting mogen slechts gebruikt worden voor het aanvankelijk voorziene doel”; Overwegende dat de goedkeuring waarvan in de omzendbrief sprake is, niet wezenlijk verschilt van de machtiging die het artikel 6 vereist in geval van vervreemding van het materieel en de uitrusting waarvoor de financiële tegemoetkoming werd verleend; dat zowel de machtiging als de goedkeuring neerkomen op de verklaring dat de betrokken beslissing van het onder toezicht staand bestuur niet de wet schendt, noch het algemeen belang schaadt; dat een machtiging zich des te minder van een goedkeuring onderscheidt, waar in de praktijk doorgaans wordt aangenomen dat aan de verplichting tot machtiging ook voldaan kan worden nà de beslissing van het onder toezicht staand bestuur; Overwegende dat het verlangen van de minister om met het oog op zijn toestemming of goedkeuring, in het bezit te zijn van het goed te keuren besluit en kennis te hebben van de motieven ervoor, bezwaarlijk als de toevoeging van een nieuwe en algemene regel kan worden beschouwd; dat met die “wens” de minister alleen uiting geeft aan de elementaire vanzelfsprekendheid dat een behoorlijke machtiging of goedkeuring niet denkbaar is zonder kennis van zaken; XII-536-4/6 Overwegende dat dan weer de zinsnede dat “het gepantserd voertuig achteraf slechts [zal] kunnen verkocht worden op voorwaarde dat de pantseringen verwijderd werden” niets meer is dan een parafrasering, toegepast op de doorverkoop van gepantserde politievoertuigen, van het vereiste in het tweede lid van artikel 6 van het koninklijk besluit van 5 juli 1994, volgens hetwelk het gesubsidieerde materieel en de uitrusting “slechts [mogen] gebruikt worden voor het aanvankelijk voorziene doel”; Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat de omzendbrief -bepaaldelijk op het stuk dat de verzoekster grieft, namelijk de beweerde organisatie van een bijzonder administratief toezicht- er wezenlijk toe strekt en beperkt is om de regeling van artikel 6 van het meer vernoemde koninklijk besluit in herinnering te brengen en om de concrete modaliteiten te bepalen voor de uitoefening ervan inzake de doorverkoop van gepantserde politievoertuigen; dat hij geen eigen rechtsgevolgen beoogt te sorteren en sorteert, en niets aan de rechtsorde toevoegt; dat hij dan ook niet voor vernietiging vatbaar is; Overwegende dat de eventuele vaststelling dat het door de omzendbrief becommentarieerde artikel 6 onwettig is en overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten, daar niets aan kan veranderen; dat uit die vaststelling alleen zou volgen dat de omzendbrief -aangezien hij nu eenmaal slechts bedoelt te verwoorden en verduidelijkt wat in het artikel 6 staat, artikel dat per hypothese buiten toepassing moet worden gelaten- doelloos is en insgelijks genegeerd moet worden; dat de toepassing van artikel 159 van de Grondwet ten aanzien van het artikel 6 van het koninklijk besluit niet de bedoeling en de draagwijdte van de omzendbrief kan wijzigen zodanig dat hij een voor vernietiging vatbare handeling zou uitmaken; dat het in de gegeven omstandigheden dan ook zonder belang is of het artikel 6 van het koninklijk besluit van 5 juli 1994 al dan niet op een toereikende rechtsgrond steunt; Overwegende dat de exceptie van onontvankelijkheid qua voorwerp gegrond is; dat, ten overvloede, dit geen enkele uitspraak inhoudt, ook niet impliciet, over de (on)wettigheid van meer vernoemd koninklijk besluit, XII-536-5/6 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes april 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-536-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.355 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div